Mantelzorg en ouder worden
Mijn vader wilde niet naar een tehuis
Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.
Hoofdstuk 1
Mijn vader wilde niet naar een tehuis
De rookmelder gilde toen ik mijn sleutel in het slot stak. Achter de voordeur rook het naar verbrand plastic. Mijn vader zat aan de keukentafel. Zijn jas was dichtgeknoopt. Op het fornuis stond een zwarte pan.
‘Niet aankomen,’ zei hij. ‘Je moeder maakt soep.’
Mijn moeder was al zes jaar dood.
Ik draaide het gas uit en zette de achterdeur open. In de pan lag een gesmolten bewaarbakje. Mijn vader keek naar mijn handen alsof ik iets stal.
‘Erik, laat dat staan.’
‘Pap, dat ding staat te roken.’
‘Ik zie ook wel dat het heet is.’
Hij was drieëntachtig. Tot kort daarvoor fietste hij elke vrijdag naar de markt in Zutphen. Hij kocht kaas, praatte met de visboer en kwam thuis met meer kleingeld dan hij had meegenomen. Hij telde alles na. Mijn vader vertrouwde geen kassabon.
Nu zat zijn linkerschoen aan zijn rechtervoet.
Ik knielde voor hem neer en wees ernaar.
‘Zitten ze niet vervelend?’
‘Bemoei je met je eigen schoenen.’
Ik was achtenvijftig, werkte bij een groothandel in Deventer en had zelf een dochter van tweeëntwintig. Toch voelde ik me onmiddellijk weer twaalf. Alsof ik zijn gereedschap had laten slingeren.
Ik zette koffie. Mijn handen trilden zo dat ik naast het filter schepte. Hij zag het.
‘Je moet minder jagen,’ zei hij.
Op tafel lagen drie ongeopende brieven. Een herinnering van de energieleverancier. Een afspraak bij de oogarts. Een folder over trapliften, met daarop in zijn handschrift: NIET BELLEN.
‘Heb je vandaag gegeten?’
‘Natuurlijk.’
‘Wat dan?’
‘Moet ik daar verslag van doen?’
In de koelkast stonden twee pakken zure melk en een schaaltje gehakt dat grijs was geworden. Ik gooide het weg terwijl hij vanuit de keuken riep dat ik altijd al makkelijk met geld was geweest.
Die avond bleef ik tot hij in bed lag. Zijn slaapkamer was boven. Hij trok zich aan de leuning omhoog. Bij elke trede wachtte ik op het geluid van een voet die weggleed.
‘Misschien moeten we beneden een bed zetten.’
Hij bleef halverwege staan.
‘Mijn slaapkamer is boven.’
‘Dat weet ik.’
‘Waarom zeg je het dan?’
Thuis zat mijn vrouw Marieke aan tafel met twee koude borden macaroni. Ze keek op de klok en daarna naar mij.
‘Je zou een uurtje gaan.’
Ik vertelde over de pan. Niet over mijn moeder. Dat kon ik nog niet hardop zeggen.
Marieke schoof haar bord weg.
‘Morgen bel je de huisarts.’
‘Hij wordt woest.’
‘Dan wordt hij woest.’
De volgende ochtend belde ik vanuit mijn auto. De assistente kende mijn vader. Jan de Vries, zei ik, alsof er in Zutphen maar één kon wonen. Ik beschreef het fornuis, de schoenen en de brieven.
‘Is dit plotseling ontstaan?’ vroeg ze.
Dat wist ik niet. Er waren eerder dingen geweest. Een vergeten verjaardag. Een kapotte televisie die alleen uit het stopcontact bleek te zijn. Een verhaal dat hij in tien minuten drie keer vertelde.
Ik had overal een verklaring voor gevonden.
Huisarts Meijer kwam die middag. Mijn vader had een schoon overhemd aangetrokken. Hij wist welke dag het was en vertelde precies hoe hij tijdens zijn werk als monteur zijn duim had verbrijzeld.
‘Mijn zoon overdrijft,’ zei hij. ‘Hij heeft het druk. Dan word ik ook een probleem.’
Dat deed meer pijn dan ik liet merken.
De huisarts onderzocht hem en wilde bloed laten prikken. Ook stelde ze verder onderzoek naar zijn geheugen voor.
Toen ze weg was, bleef mijn vader bij het raam staan.
‘Jullie gaan me niet wegstoppen.’
‘Niemand zegt dat.’
‘Ik zeg het. Ik ga niet naar een tehuis.’
Ik wilde hem geruststellen. De spanning moest van zijn gezicht. Dus zei ik iets wat ik later vaak terughoorde, vooral ’s nachts.
‘Dat hoeft ook niet, pap. Ik zorg wel dat je hier kunt blijven.’
Hij knikte. Voor hem was de zaak geregeld.
Ik nam de brieven mee, maakte een boodschappenlijst en zette een herinnering in mijn telefoon. Daarna reed ik naar huis. Bij het eerste stoplicht belde mijn vader.
‘Erik, weet jij waar je moeder blijft?’
Hoofdstuk 2
De tweede sleutel
Zes weken later zat mijn vader tegenover een geriater in het ziekenhuis in Zutphen. Hij moest een klok tekenen. De cijfers stonden allemaal rechts. Toen de arts vroeg hoe laat zijn tekening aangaf, schoof hij het papier terug.
‘Koop maar een horloge.’
Er volgden gesprekken en onderzoeken. De arts sprak uiteindelijk over dementie, waarschijnlijk door de ziekte van Alzheimer. Mijn vader keek naar de parkeerkaart in mijn hand.
‘We staan zeker alweer over de tijd.’
In de auto zei hij niets. Bij zijn huis kreeg ik de sleutel niet snel genoeg uit mijn zak. Hij pakte mijn pols vast.
‘Je vertelt dit niet aan de buren.’
‘Ze hoeven niet alles te weten.’
‘Niemand hoeft iets te weten.’
Ik beloofde dat niet. Eén belofte te veel had ik al gedaan.
Via de huisarts kwamen we bij casemanager Sandra terecht. Ze had kort grijs haar en zette geen medelijdende stem op. Dat hielp. Mijn vader liet haar binnen omdat ze zei dat ze wilde meedenken over thuis blijven wonen.
‘Dan moet u bij hem zijn,’ zei hij. ‘Die wil van alles veranderen.’
Sandra keek naar mij.
‘Wat doet u nu allemaal?’
Ik begon te tellen. Boodschappen. Medicijnen ophalen. Post. Wassen. Schoonmaken. Afspraken. Elke ochtend bellen. Elke avond langsgaan.
‘En wie neemt het over als u ziek bent?’
‘Ik ben bijna nooit ziek.’
Ze schreef iets op. Ik ergerde me daaraan.
Mijn zus Karin woonde in Groningen. Ze werkte in het onderwijs en had een man met ernstige rugklachten. Aan de telefoon zei ze dat ik taken moest verdelen.
‘Met wie?’ vroeg ik.
‘Met mij bijvoorbeeld.’
‘Kom dan morgen.’
Het bleef stil.
‘Morgen kan ik niet.’
‘Precies.’
Dat was niet eerlijk. Ik wist het terwijl ik het zei. Toch hing ik op zonder mijn excuses aan te bieden.
Er kwam thuiszorg voor zijn medicijnen. Eerst een keer per dag. Mijn vader weigerde de eerste medewerker binnen te laten.
‘Ik heb niks besteld.’
De tweede ochtend reed ik erheen om de deur open te doen. De derde ochtend ook. Op de vierde dag herkende hij verpleegkundige Fatima.
‘U bent van die pillen.’
‘Klopt, meneer De Vries.’
‘Die slik ik al jaren zelf.’
‘Dan kijken we vandaag samen.’
Ze maakte er geen wedstrijd van. Ik deed dat wel. Ik wilde dat hij toegaf dat iets niet meer ging. Alsof die bekentenis het eenvoudiger zou maken.
We lieten het gasfornuis afsluiten en zetten een magnetron neer. Ik plakte een groene sticker bij de startknop. Hij trok de sticker eraf omdat die scheef zat. Daarna verwarmde hij een maaltijd twaalf minuten in plaats van twee.
Ik ging voortaan rond etenstijd.
Op mijn werk begon ik vroeger, zodat ik eerder weg kon. Mijn chef, Bert, stemde in met tijdelijke aangepaste uren. Ik zei telkens dat het een paar weken zou duren. Intussen las ik tijdens vergaderingen berichten van de thuiszorg onder tafel.
Mijn dochter Lotte kwam op een zondag helpen. Ze sorteerde oude foto's met haar opa. Ik stond in de keuken te boenen toen ik hem hoorde lachen.
‘Dat is je vader. Kijk die oren.’
Ik keek om de deur. Lotte hield een foto omhoog waarop ik naast een brommer stond. Mijn vader wist nog precies hoeveel die had gekost.
Even dacht ik dat we het te zwaar maakten. Misschien kon dit jaren zo blijven gaan.
Die avond vond ik zijn medicijnen achter de suikerpot. Drie dagen, zorgvuldig uit de zakjes gedrukt.
‘Die rommel maakt me moe,’ zei hij.
Ik belde de thuiszorg. Daarna de huisarts. Daarna Karin, die niet opnam. Mijn eigen avondeten stond onaangeroerd op het aanrecht.
Om halfelf kwam Marieke me halen. Niet omdat ik had gebeld. Ze wist gewoon waar ik was.
‘Je kunt niet alles zelf controleren,’ zei ze buiten.
‘Als ik het niet doe, gebeurt het niet.’
Ze wees naar de sleutel die ik nog in mijn hand had.
‘Je hebt inmiddels meer uren achter zijn voordeur dan achter die van ons.’
Ik wilde zeggen dat ze overdreef. In plaats daarvan keek ik naar zijn slaapkamerraam. Het licht ging aan. Daarna uit. Daarna weer aan.
Ik bleef wachten tot het donker bleef.
Hoofdstuk 3
Om kwart over twee
De politie belde om kwart over twee. Ik zat rechtop voordat de agent zijn naam had genoemd.
‘Uw vader is aangetroffen bij het station in Zutphen. Hij is niet gewond.’
Dat laatste zei hij meteen. Toch voelde ik mijn hart tot in mijn keel.
Mijn vader had een dun vest aan en droeg zijn oude werktas. Het was november. Een taxichauffeur had gezien hoe hij aan de gesloten deur van het stationsgebouw trok.
‘Ik heb vroege dienst,’ zei hij toen ik aankwam.
De agent stond naast hem onder de luifel. Mijn vader hield zijn tas tegen zijn borst. In die tas zaten een handdoek, twee afstandsbedieningen en een appel.
‘Kom, pap. Ik breng je thuis.’
‘Dan kom ik te laat.’
Ik begon uit te leggen dat hij al jaren met pensioen was. Hij verhief zijn stem.
‘Denk je dat ze daar op me wachten?’
De agent keek naar mij. Niet streng. Alleen lang genoeg om me te laten stoppen.
‘Er is vandaag geen dienst,’ zei ik. ‘Ik heb het nagevraagd.’
Dat nam hij aan. Ik vond het naar om te liegen. Nog naarder vond ik zijn blote enkels boven zijn schoenen.
Thuis maakte ik warme melk. Hij dronk de helft op en viel in zijn stoel in slaap. Ik bleef op de bank. Om zes uur ging mijn wekker. Ik belde Bert en zei dat ik niet kwam.
‘Alweer een slechte nacht?’
‘Ja.’
Hij zuchtte. Hij probeerde het zacht te doen.
Die ochtend bespraken Sandra en ik een personenalarm en een deurmelder. Mijn vader wilde geen knop om zijn nek.
‘Ik ben geen hond.’
We vonden een horloge met een alarmfunctie en locatiebepaling. We legden uit wat het deed. Op een heldere middag ging hij akkoord. Hij vond het vooral een degelijk horloge. De week daarna lag het regelmatig in de broodtrommel.
De deurmelder stuurde meldingen naar mijn telefoon. Ook als hij vuilnis buiten zette. Ook als hij wilde voelen of het regende. Elke melding maakte mijn lichaam wakker voordat ik wist wat er was.
Karin kwam een weekend. Ik liet een lijst achter met telefoonnummers en tijden. Ze keek naar de drie volle vellen.
‘Eet hij echt alleen die yoghurt?’
‘Andere zegt hij niet te lusten.’
‘Dan probeer ik iets.’
Ik hoorde kritiek. Misschien bedoelde ze die niet.
Marieke en ik gingen zaterdag naar Arnhem. We hadden afgesproken niet steeds over mijn vader te praten. In een lunchzaak legde ik mijn telefoon naast mijn bord.
Na twintig minuten belde Karin.
‘Waar ligt een schone onderbroek?’
‘Tweede la.’
‘Daar liggen kranten.’
Ik sloot mijn ogen.
Toen ze voor de derde keer belde, schoof Marieke haar stoel naar achteren.
‘Neem maar op. Ik ga even lopen.’
Ik zag haar door de winkelstraat verdwijnen. Ik bleef zitten met twee kommen soep.
Zondagavond belde Karin vanuit haar auto. Ze huilde.
Onze vader had haar uitgescholden. Hij had gedacht dat ze zijn portemonnee had gestolen. Toen ze hem wilde helpen met zijn broek, had hij haar arm weggeduwd.
‘Ik wist niet dat het zo was,’ zei ze.
Ik had kunnen zeggen: nu weet je het. De woorden lagen klaar.
‘Ik ook niet,’ zei ik. ‘Steeds pas als er weer iets gebeurt.’
Vanaf dat weekend regelde Karin de administratie en de contacten met de verzekeraar. Ze kwam elke derde zaterdag. Het was niet genoeg om alles op te lossen. Het was wel iets waarop ik kon rekenen.
Sandra stelde dagbesteding voor. Mijn vader zei nee. Ze vroeg of hij ergens wilde helpen met kleine reparaties. Bij een dagcentrum in Warnsveld hadden ze een werkbank.
De eerste ochtend liep hij zonder afscheid naar binnen. Ik bleef bij de bus staan, beledigd en opgelucht tegelijk.
Toen hij thuiskwam, had hij een geschuurd vogelhuisje bij zich.
‘Er zit daar een kerel die geen schroevendraaier vast kan houden.’
‘Ga je donderdag weer?’
‘Als ze me nodig hebben.’
Ik zette die donderdag groot in mijn agenda. Voor het eerst in maanden had ik een middag waarvoor ik niets voor hem hoefde te regelen.
Die ochtend sliep ik tot halfnegen. Daarna zat ik een uur aan mijn eigen keukentafel. Zonder jas. Zonder schoenen. Mijn telefoon lag binnen handbereik, maar hij bleef stil.
Hoofdstuk 4
De badkamerdeur
Het ging drie maanden redelijk. Niet goed. Redelijk. Mijn vader ging twee dagen naar het dagcentrum. De thuiszorg kwam vaker. Karin hield haar zaterdagen vrij. Ik durfde weer afspraken te maken, al zette ik overal ‘onder voorbehoud’ bij.
Toen nam hij op een dinsdag de telefoon niet op.
Ik zat op mijn werk. Op mijn scherm stond een bestelling van zeshonderd koppelingen. Ik bleef dezelfde regel lezen. Na de vierde belpoging pakte ik mijn jas.
‘Ga maar,’ zei Bert.
Bij mijn vader stond de radio hard. Zijn ontbijt lag onaangeroerd op tafel. Ik riep zijn naam.
‘Hier.’
Het kwam van boven.
De badkamerdeur ging maar een stukje open. Zijn lichaam lag erachter. Ik zag een voet, een hand en een donkere streep bloed op de tegels.
‘Pap, kun je iets opschuiven?’
‘Nee.’
Hij klonk boos. Dat stelde me heel even gerust.
Ik belde 112. De centralist vroeg of hij aanspreekbaar was en normaal ademde. Ik ging op mijn knieën zitten en praatte door de kier.
‘De ambulance komt.’
‘Niet nodig.’
‘Je ligt op de grond.’
‘Dat merk ik zelf ook.’
Hij had geen gebroken heup. Wel een diepe wond aan zijn hoofd, kneuzingen en uitdroging. In het ziekenhuis werd hij plots veel verwarder. Hij trok aan het infuus en riep dat hij uit de fabriek moest. Een verpleegkundige legde uit dat er waarschijnlijk een delier boven op zijn dementie speelde.
‘Kan dat weer weggaan?’ vroeg ik.
‘Het kan verbeteren. We behandelen de oorzaken en houden hem goed in de gaten.’
Ze beloofde niet dat hij weer de oude werd.
Ik bleef naast zijn bed tot mijn rug pijn deed. Toen ik even naar het toilet ging, probeerde hij uit bed te klimmen. Bij terugkomst stonden twee verpleegkundigen bij hem.
‘Waar was jij nou?’ vroeg hij.
Alsof ik hem opzettelijk had achtergelaten.
Na een paar dagen was hij lichamelijk stabieler. Er kwam een gesprek met de transferverpleegkundige. Ze vroeg wat er thuis mogelijk was.
Ik begon automatisch mijn rooster uit te leggen.
Maandag kon ik eerder weg. Dinsdag werkte ik misschien thuis. Karin kon mogelijk een extra weekend komen. Marieke kon op woensdag eten brengen.
‘Nee,’ zei Marieke.
Ze zat naast mij. Haar handen lagen plat op tafel.
Ik keek haar aan.
‘Niet omdat ik je vader niet wil helpen,’ zei ze. ‘Maar dit plan bestaat uit mensen die nog minder gaan slapen.’
Ik voelde me verraden. Daar, tegenover vreemden.
De transferverpleegkundige vroeg hoeveel nachten ik de afgelopen maand bij hem had doorgebracht.
‘Een stuk of tien.’
Marieke keek me aan.
‘Veertien,’ zei ik.
Daarna was het stil.
Mijn vader kon tijdelijk terecht op een plek voor herstel en observatie. Geen definitief verpleeghuis, benadrukte ik tegenover hem. Ik gebruikte het woord tijdelijk zo vaak dat hij het wantrouwde.
‘Je hebt het mooi voor elkaar,’ zei hij.
Ik reed die avond alleen naar zijn huis om kleding te halen. In de badkamer lag nog een bebloede handdoek. Ik stopte hem in de wasmachine. Daarna ging ik op de gesloten wc zitten.
Ik huilde niet. Ik telde de voegen tussen de tegels. Zeven tot aan het bad. Vier onder het raam.
Thuis zei ik tegen Marieke dat ik niet begreep waarom ze me in dat gesprek had tegengesproken.
‘Omdat je thuis niet meer hoort wat ik zeg.’
‘Mijn vader heeft hulp nodig.’
‘Jij ook. En ik wil mijn man soms zien zonder dat hij op het punt staat weer te vertrekken.’
Ik sliep die nacht in de logeerkamer. Niet omdat zij dat wilde. Ik kon haar redelijkheid niet verdragen.
De volgende ochtend belde Sandra. Ze vroeg niet hoe het met mijn vader ging.
‘Hoe gaat het met u?’
Ik zei eerst: goed.
Ze wachtte.
‘Ik hoopte gisteren dat ze hem langer in het ziekenhuis zouden houden,’ zei ik. ‘Omdat ik dan niet verantwoordelijk was.’
‘Dat hoor ik vaker.’
‘Dat maakt het niet fraai.’
‘Nee. Het maakt wel duidelijk hoe moe u bent.’
Ik keek naar mijn onopgemaakte bed. Voor het eerst vroeg ik niet wat ik nog meer kon doen.
Ik vroeg wat ik mocht laten.
Hoofdstuk 5
Niet meer thuis
Op de tijdelijke afdeling vroeg mijn vader elke dag wanneer ik hem kwam halen. Soms terwijl ik naast hem zat.
‘Je jas hangt daar,’ zei hij. ‘We kunnen gaan.’
Zijn hoofdwond genas. De verwardheid werd minder, maar niet zoals voor de val. Hij vond het toilet niet. Hij vergat zijn rollator en stond zonder hulp op. ’s Nachts ging hij kamers binnen om te zoeken naar mijn moeder.
Ik bleef denken dat zijn eigen huis alles zou herstellen. Zijn stoel. Zijn klok. De kast met de scheve deur die alleen hij goed kon sluiten.
Tijdens een zorgbespreking vertelde verzorgende Anneke wat er in één nacht gebeurde. Ze las geen dramatisch verslag voor. Gewoon tijden.
Halféén: uit bed, op zoek naar de uitgang.
Tien over één: hulp bij het toilet.
Twee uur: gevallen naast het bed, geen letsel.
Kwart voor vier: aangekleed, overtuigd dat hij naar zijn werk moest.
‘Thuis zou iemand steeds beschikbaar moeten zijn,’ zei ze.
‘Er is toch nachtzorg?’ vroeg ik.
Sandra legde uit wat er plaatselijk mogelijk was. Geplande bezoeken waren iets anders dan iemand die meteen kon komen als hij opstond. Een alarm hielp alleen als hij het gebruikte of als iemand de melding op tijd kon opvolgen.
Karin zat naast me. Ze had vrij genomen.
‘Ik kan niet bij hem gaan wonen,’ zei ze.
Niemand had het gevraagd. Toch was ik blij dat ze het uitsprak.
‘Ik ook niet,’ zei ik.
Daarna keek ik naar mijn handen. Mijn nagels waren kort afgebeten. Dat had ik sinds mijn schooltijd niet meer gedaan.
Er werd een aanvraag voor langdurige zorg voorbereid. De benodigde beoordeling volgde. Sandra hielp ons met formulieren, gesprekken en het zoeken naar een passende woonplek. Het ging niet snel en ook niet vanzelf.
We bezochten twee verpleeghuizen. In het eerste stond de televisie hard. Een bewoner riep voortdurend om hulp. De medewerker die ons rondleidde liep twee keer weg omdat ze nodig was.
‘Personeelstekort,’ zei Karin buiten.
Ik knikte. Ik wilde niet binnen vijf minuten oordelen. Toch kon ik mijn vader daar niet zien zitten.
In het tweede huis, in Warnsveld, rook het naar gebakken uien. Zes bewoners zaten aan een lange tafel. Een man schilde aardappels met een dunschiller. Een vrouw vertelde hem dat hij te veel weghaalde.
De teamleider liet ons een lege kamer zien. Geen luxe. Een raam met uitzicht op een binnentuin. Een badkamer. Ruimte voor zijn eigen stoel.
‘Krijgt hij hier altijd meteen hulp?’ vroeg ik.
‘Niet altijd meteen,’ zei ze. ‘Soms moeten mensen wachten. Maar er is dag en nacht personeel aanwezig.’
Haar antwoord beviel me meer dan een geruststelling die niet kon kloppen.
Mijn vader wilde niet mee om te kijken.
‘Ik heb een huis.’
‘Je hebt meer hulp nodig dan we daar kunnen regelen.’
‘Dan kom jij toch?’
Ik voelde Karin naast me verstijven.
‘Ik kan niet altijd komen, pap.’
Hij keek me recht aan.
‘Je hebt het beloofd.’
Daar was het. Die ene zin uit zijn keuken.
‘Ja,’ zei ik. ‘Dat heb ik beloofd.’
‘Dus.’
‘Ik wist toen niet hoeveel hulp je nodig zou krijgen. Ik kan die belofte niet houden.’
Hij draaide zijn hoofd weg. Het gesprek was voor hem afgelopen.
Omdat hij zich verzette, konden we niet simpelweg namens hem een verhuizing afspreken. De betrokken professionals legden uit welke zorgvuldige procedure nodig was. Een onafhankelijke arts sprak met hem. Er werd beoordeeld wat hij nog kon overzien, welke risico’s er waren en of minder ingrijpende oplossingen mogelijk waren.
Ik vond elk gesprek zwaar. Toch was ik blij dat mijn uitputting niet genoeg was om over zijn leven te beslissen.
Een paar dagen later bezocht ik hem alleen. Hij zat bij het raam met een krant van vorige week.
‘Ben je nog boos?’ vroeg ik.
‘Waarover?’
Ik vertelde het niet opnieuw. Ik ging naast hem zitten.
Na een tijdje schoof hij de krant naar mij toe.
‘Lees jij eens. Die letters zijn beroerd klein.’
Ik las een bericht over werkzaamheden aan de IJsselbrug. Halverwege onderbrak hij me.
‘Daar hebben ze altijd gedonder mee.’
Ik las verder. Voor dat kwartier hoefden we niets te beslissen.
Hoofdstuk 6
Zijn eigen stoel
Op de verhuisdag regende het. Karin en ik brachten zijn spullen eerst naar de kamer in Warnsveld. Zijn bruine stoel. Een lage kast. De foto van mijn moeder op het strand bij Egmond. Geen foto waarop ze ziek was. Die had hij zelf jaren eerder opgeborgen.
Ik hing de wandklok op. Karin zette zijn sokken in de kast, in plaats van ze op te rollen.
‘Zo deed mam het,’ zei ze.
We stonden allebei even stil. Daarna ging ik zoeken naar het snoer van zijn schemerlamp.
De noodzakelijke besluiten waren genomen. De plek was beschikbaar. Het papierwerk was rond. Dat maakte de autorit niet makkelijker.
Mijn vader zat naast mij. Op zijn knieën hield hij een plant die op de tijdelijke afdeling had gestaan. Hij had erop gestaan die mee te nemen.
‘Welke kant ga je op?’ vroeg hij bij de rotonde.
‘Naar je nieuwe kamer.’
‘Ik wil naar huis.’
‘Ik weet het.’
‘Dan rijd je verkeerd.’
Ik kneep in het stuur. Karin reed achter ons. In mijn spiegel zag ik haar voorruitwissers bewegen.
Bij de ingang stond Anneke, die inmiddels met het nieuwe team had afgestemd hoe de overdracht zou gaan. Zijn vaste contactpersoon daar heette Jeroen. Hij hurkte niet voor mijn vader neer en sprak niet overdreven langzaam.
‘Meneer De Vries, ik ben Jeroen. Zal ik die plant dragen?’
‘Die kunt u laten vallen.’
‘Dan houdt u hem vast. Ik pak de tas.’
In zijn kamer herkende mijn vader zijn stoel. Hij voelde aan de armleuning.
‘Wie heeft die hier gebracht?’
‘Karin en ik.’
‘Zonder te vragen.’
‘Ja.’
Ik probeerde niets mooi te praten. Dat lukte me nog geen vijf minuten, maar ik probeerde het.
We dronken koffie. Mijn vader hield zijn jas aan. Toen ik opstond om naar het toilet te gaan, stond hij ook op.
‘Gaan we?’
‘Nog niet.’
Toen ik echt vertrok, begon hij te roepen.
‘Erik. Erik, kom terug.’
Ik draaide me om. Jeroen stond bij hem. Niet tussen ons in, maar naast hem.
‘U mag afscheid nemen zoals u wilt,’ zei hij tegen mij. ‘We blijven bij uw vader.’
Ik liep terug en legde mijn hand op zijn schouder.
‘Ik ga nu naar huis. Morgen kom ik na de lunch.’
‘Laat me hier niet.’
Ik had geen antwoord dat hem zou helpen. Ik zei opnieuw wanneer ik terugkwam. Daarna liep ik weg terwijl hij mijn naam bleef roepen.
Op de parkeerplaats moest ik overgeven naast mijn auto.
Die avond belde ik drie keer. De eerste keer liep hij door de gang. De tweede keer had hij een boterham gegeten. De derde keer zat hij met Jeroen naar voetbal te kijken.
‘Hij vraagt nog naar u,’ zei Jeroen. ‘Maar er zijn ook rustige momenten.’
Ik had liever gehoord dat hij het geweldig vond. Tegelijk wist ik dat ik dat niet zou hebben geloofd.
De eerste weken waren moeilijk. Hij verstopte kleding in een kussensloop. Hij beschuldigde een medebewoner van diefstal. Zijn bril raakte zoek en kwam terug uit een plantenbak.
Er gingen ook dingen mis die niets met zijn dementie te maken hadden. Een trui verdween in de was. Een afspraak met de kapper werd vergeten. Op een zondag vond ik zijn kunstgebit nog in het bakje terwijl de lunch al was begonnen.
Ik sprak het team erop aan. Eerst te fel. Daarna opnieuw, rustiger. We spraken af wie mijn aanspreekpunt was en hoe bijzonderheden werden doorgegeven.
‘U hoeft niet elk gemis op te lossen door hier langer te blijven,’ zei Sandra toen ik haar vertelde dat ik dagelijks kwam.
Ik ging van zeven bezoeken per week naar vijf. Daarna naar vier. Op mijn eerste vrije woensdag liep ik toch bijna naar de auto.
Marieke vroeg of ik meeging naar de markt.
We kochten peren en een stuk kaas. Halverwege pakte ik mijn telefoon. Geen gemiste oproepen.
‘We kunnen nog koffie drinken,’ zei ze.
‘Ja.’
Het klonk alsof ik toestemming gaf. Ik bedoelde dat ik wilde blijven.
Toen we thuiskwamen, stuurde Jeroen een foto via het afgesproken zorgportaal. Mijn vader zat aan tafel met een doek en een bakje bestek. Hij poetste een lepel.
Onder de foto stond: Hij vindt dat wij dit niet goed doen.
Hoofdstuk 7
Zondag na de koffie
Mijn vader woont nu acht maanden in Warnsveld. Hij noemt het nog steeds geen thuis. Meestal zegt hij ‘hier’. Soms denkt hij dat het een pension is waar hij tijdelijk verblijft voor zijn werk.
Ik verbeter hem niet telkens meer.
Op zondag kom ik na de koffie. Dat tijdstip werkt meestal goed. Hij is dan aangekleed, heeft gegeten en is nog niet moe van de drukte in de huiskamer.
Vandaag staat hij bij de deur van zijn kamer. Zijn overhemd hangt half uit zijn broek.
‘Daar ben je eindelijk,’ zegt hij.
Ik ben drie minuten te vroeg.
‘Zullen we naar buiten?’
‘Moet jij niet werken?’
‘Vandaag niet.’
Hij wijst naar mijn schoenen.
‘Daar zit geen profiel meer onder.’
Ik til één voet op. Hij heeft gelijk.
We lopen door de binnentuin. Met zijn rollator gaat het langzaam. Bij een bankje stoppen we. Een medewerker heeft bakken met kruiden neergezet. Mijn vader wrijft een blaadje tussen zijn vingers.
‘Dat deed je moeder door de aardappels.’
Het is rozemarijn. Mijn moeder gebruikte meestal peterselie. Ik zeg dat niet.
‘Lekker was dat,’ zeg ik.
Hij knikt.
Zijn dementie gaat verder. Er zijn dagen waarop hij me voor zijn broer houdt. Soms weet hij mijn naam, maar niet wat ik voor werk doe. Laatst vroeg hij of ik nog bij mijn ouders woonde.
Daar kan ik nog steeds slecht tegen. Ik geef antwoord, rijd naar huis en huil soms pas bij het stoplicht aan de rand van Zutphen.
Er zijn ook bezoeken waarop we alleen samen televisie kijken. Geen bijzonder gesprek. Geen herinnering die onverwacht terugkomt. Hij dommelt, ik drink slappe koffie en om vier uur ga ik weg. Ook die bezoeken tellen voor mij.
Ik werk weer mijn gewone uren. Mijn chef heeft niets gezegd toen ik voor het eerst een hele week op tijd was. Hij schoof vrijdag een lastige bestelling naar me toe.
‘Kun jij deze klant bellen? Jij kent hem.’
Ik was blij met een probleem dat over koppelingen ging.
Marieke en ik zijn drie nachten naar Texel geweest. Karin was in die dagen het eerste aanspreekpunt. Ik had de telefoonnummers twee keer gecontroleerd. Op de boot wilde ik alweer vragen of alles goed ging.
Marieke zag het.
‘Je mag bellen,’ zei ze. ‘Maar je hoeft niet te bellen omdat je even niets hoort.’
Ik stopte mijn telefoon weg. Later die avond belde ik wel. Niet vijf keer. Eén keer.
Het huis van mijn vader hebben we inmiddels verkocht. Dat was een afzonderlijk verdriet. In de schuur vond ik potten met schroeven, op maat gesorteerd. Aan een haak hing mijn oude fietssleutel. Hij had hem zeker dertig jaar bewaard.
Karin en ik kregen ruzie over de eettafel. Niet echt over die tafel, denk ik. Maar dat was het voorwerp waar we allebei tegenover stonden toen we begonnen te schreeuwen.
We hebben de volgende dag opnieuw gepraat. Zij nam de tafel. Ik hield de werkbank. Die staat nu in mijn garage. Er ligt meestal rommel op. Mijn vader zou daar iets van vinden.
In de tuin vraagt hij vandaag of zijn huis ver weg is.
Ik kijk naar zijn handen op de rollator.
‘Je woont nu hier, pap.’
‘Dat weet ik wel.’
Hij klinkt geïrriteerd. Ik heb te veel uitgelegd.
Even later vraagt hij: ‘Kom jij nog terug?’
‘Dinsdag. Na mijn werk.’
‘Neem dan die kleine mee.’
Hij bedoelt Lotte. Ze is langer dan ik.
‘Ik zal het haar vragen.’
Binnen staat Jeroen brood te smeren. Mijn vader gaat aan tafel zitten naast de man met wie hij geregeld ruzie maakt over de afstandsbediening. Vandaag schuift hij de boter naar hem toe.
Ik buig voorover om afscheid te nemen.
‘Je hoeft niet meteen weg,’ zegt mijn vader.
Ik kijk op de klok. Marieke en ik willen straks wandelen langs de IJssel. Er is nog tijd.
‘Ik blijf tot je brood klaar is.’
Hij knikt en wijst naar de stoel naast hem.
Ik ga zitten. Niet om medicijnen te tellen. Niet om te controleren of het gas uit is. Er hoeft geen was mee en ik hoef vannacht nergens op te letten.
Mijn vader wil kaas. Ik geef het bord door.
Hij is hier niet altijd gelukkig. Ik ben niet altijd gerust. Maar hij zit niet meer alleen op de badkamervloer. En ik kan weer naast hem zitten zonder voortdurend te bedenken wat ik daarna nog moet doen.
‘Dinsdag dus,’ zegt hij, met zijn mond vol.
‘Dinsdag,’ zeg ik.