Mantelzorg en ouder worden
Mijn zus zorgt niet mee
Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.
Hoofdstuk 1
Mijn zus zorgt niet mee
De sleutel zat aan de binnenkant van het slot. Ik duwde mijn schouder tegen de voordeur en riep opnieuw.
‘Mam. Doe open.’
Achter het melkglas bleef het donker. Haar fiets stond onder het afdak. Naast de deur lagen twee kranten. Ik belde haar mobiel. Binnen hoorde ik het dunne deuntje dat ze nooit had leren veranderen.
Mijn moeder was tweeëntachtig. Ze woonde alleen in een rijtjeshuis in Deventer. Tot die ochtend zei ik dat meestal met enige trots.
Ik heet Eline. Ik was negenenveertig en had precies drieëntwintig minuten voordat ik op mijn werk moest zijn.
Ik liep door het steegje naar de achtertuin. De poort klemde. Met mijn heup kreeg ik hem open. Door het keukenraam zag ik een pantoffel. Daarna haar voet.
‘Mam!’
Ze bewoog.
De achterdeur was niet op slot. Mijn moeder lag tussen de tafel en het aanrecht. Haar nachtjapon was nat. Onder haar hoofd lag een opgevouwen theedoek.
Dat vond ik later het ergste. Dat ze daar had gelegen en nog had geprobeerd het een beetje comfortabel te maken.
‘Niet zo schreeuwen,’ zei ze. ‘De buren horen je.’
Ik knielde naast haar. Haar linkerbeen lag vreemd gedraaid. Ik wilde haar overeind helpen, maar toen ik haar schouder aanraakte, gilde ze.
Ik belde 112.
Terwijl ik wachtte, pakte ik een deken van de bank. Mijn handen trilden zo dat ik een fotolijst omstootte. Mijn vader viel met zijn gezicht naar beneden op het vloerkleed. Hij was al zes jaar dood.
‘Bel Marloes maar niet,’ zei mijn moeder.
Ik belde mijn zus toch.
Ze nam niet op. Ik stuurde: Mam gevallen. Ambulance onderweg. Kom naar het ziekenhuis.
Mijn moeder pakte mijn pols.
‘Ze heeft het druk.’
Daar lag ze. Koud. Met pijn. Toch nam ze mijn zus alvast in bescherming.
In het Deventer Ziekenhuis bleek haar heup gebroken. Een verpleegkundige knipte haar nachtjapon open. Mijn moeder schaamde zich om haar natte ondergoed. Ik keek expres naar het scherm boven het bed.
‘Kan iemand schoon spul halen?’ vroeg de verpleegkundige.
‘Ik,’ zei ik.
Het was het eerste van heel veel keren.
Marloes belde om kwart over elf. Ik stond bij een automaat met koffie die naar verbrand karton rook.
‘Hoe erg is het?’
‘Ze wordt vanmiddag geopereerd. Ben je onderweg?’
‘Eline, ik zit midden in een training.’
Mijn zus was zesenvijftig en woonde in Amersfoort. Ze werkte vier dagen bij een verzekeraar. Haar kinderen waren volwassen. De mijne ook, al woonde mijn zoon Daan nog thuis.
‘Je kunt toch weg?’
‘Niet zomaar. Jij bent er nu toch?’
Ik keek naar mijn beker. Een druppel liep over mijn vingers. Ik voelde pas laat dat hij heet was.
‘Ik moet ook werken.’
‘Maar jij zit om de hoek.’
Ik werkte op de administratie van een installatiebedrijf. Geen werk waarmee je levens redt. Blijkbaar betekende dat dat het vanzelf kon wachten.
‘Kom je vanavond?’ vroeg ik.
‘Ik kijk wat lukt.’
Ze kwam niet.
Ik haalde een tas met nachthemden, haar bril en haar gebitsbakje. Op de keukenvloer lag nog de theedoek. Ik stopte hem in de wasmachine. Daarna maakte ik de vloer schoon. Niemand had me dat gevraagd.
Onder de tafel vond ik haar telefoon. Die was leeg. Mijn moeder vertelde later dat ze hem had willen pakken toen ze viel. Het toestel was uit haar hand gegleden.
Ze had bijna zeven uur op de grond gelegen.
Die avond zat ik naast haar bed. Haar mond stond een beetje open. De operatie was goed gegaan, had de chirurg gezegd. Toch bleef ik kijken of haar borst omhoogkwam.
Mijn man Peter stuurde een bericht. Of ik nog at.
Ik antwoordde niet.
Om halfnegen verscheen er een hartje van Marloes op mijn telefoon. Daaronder: Geef mam een kus. Morgen bel ik haar.
Ik typte: Een kus haalt haar niet uit bed.
Ik wiste het weer.
Mijn moeder werd wakker toen ik mijn jas aantrok.
‘Je komt morgen wel?’
‘Natuurlijk.’
‘Voor de dokter zijn ronde doet?’
‘Ik probeer het.’
Ze kneep in mijn hand.
‘Op jou kan ik rekenen.’
Vroeger vond ik dat een compliment. Die avond voelde ik vooral hoe laat het was. Ik moest nog naar huis, mijn leidinggevende bellen en iets eten. Toch ging ik weer zitten toen ze haar ogen sloot. Mijn jas hield ik aan.
Hoofdstuk 2
Alles komt bij mij
Drie weken later schoof ik de salontafel tegen de muur. De rollator moest erlangs kunnen. Mijn moeder keek vanuit haar stoel toe.
‘Die tafel staat daar niet voor niets.’
‘Je moet naar de keuken kunnen.’
‘Ik kan best een stukje lopen.’
In het revalidatiecentrum had ze keurig geoefend. Zodra ze thuis was, liet ze de rollator bij de deur staan en greep ze naar stoelruggen.
De wijkverpleegkundige heette Fatima. Ze kwam die eerste middag de zorg bespreken. Mijn moeder zou voorlopig hulp krijgen bij wassen en aankleden. Haar medicijnen kwamen in zakjes per innamemoment.
‘En verder?’ vroeg ik.
Fatima keek naar mijn lijst. Boodschappen. Was. Maaltijden. Fysiotherapie. Apotheek. Post. Tuin. Afspraken.
‘Wat kunt u zelf doen, mevrouw?’ vroeg ze aan mijn moeder.
‘Alles, als zij me niet steeds commandeert.’
Ik lachte. Zo’n kort lachje waarmee je een nare opmerking kleiner maakt.
Fatima lachte niet mee.
‘En wat kunt ú doen?’ vroeg ze aan mij.
Ik begon mijn werkdagen op te noemen. Ze onderbrak me.
‘Ik bedoel wat haalbaar is. Niet waar nog een gaatje zit.’
Dat verschil begreep ik toen wel. Ik deed er alleen niets mee.
Binnen een week had ik een sleutelkluisje geregeld, haar koelkast gevuld en het losse kleed weggehaald. Ik plakte grote stickers op de afstandsbediening. Ik bracht haar naar de fysiotherapeut en vroeg bij de gemeente huishoudelijke hulp aan. Er zou eerst een gesprek komen.
Mijn moeder belde intussen over alles.
De televisie deed het niet. De broodkorst was te hard. Er stond een onbekende afschrijving op haar bankrekening. Het bleek de krant.
Op dinsdag belde ze terwijl ik een factuur controleerde.
‘Ik heb mijn pillen nog niet gehad.’
‘Het zakje hangt aan de rol, mam.’
‘Er staat woensdag op.’
Ik reed naar haar toe. Ze had het zakje van dinsdag al genomen en weggegooid. Ik viste het uit de afvalbak, tussen koffiedik en aardappelschillen.
Mijn leidinggevende, Arjan, wachtte toen ik terugkwam.
‘We moeten weten wanneer je er bent, Eline.’
‘Mijn moeder—’
‘Dat begrijp ik. Maar dit is de vierde keer.’
Hij zei het rustig. Dat maakte het niet minder pijnlijk.
Die avond maakte ik een groepsapp. Mam zorg. Alleen Marloes en ik.
Ik zette er een overzicht in. Geen verwijten. Gewoon dagen en taken. Ik had er bijna een uur aan gewerkt.
Kun jij zaterdag boodschappen doen en woensdag mee naar de controle?
De blauwe vinkjes verschenen meteen.
Het antwoord kwam de volgende ochtend.
Woensdag lukt echt niet. Zaterdag misschien eind van de middag. Kun je online bestellen?
Ik belde haar tijdens mijn lunchpauze.
‘Ik vraag niet hoe ik het slimmer kan doen. Ik vraag of jij iets doet.’
‘Ik denk alleen mee.’
‘Ik heb handen nodig, Marloes.’
Ze zuchtte.
‘Jij hebt dit hele systeem opgezet. Ik weet niet eens waar haar boodschappenlijst ligt.’
‘Op het aanrecht.’
‘Dat bedoel ik niet.’
Ik wist best wat ze bedoelde. Ik regelde alles en verwachtte dat zij ertussen stapte. Maar als ik niets regelde, at mijn moeder beschuit als avondeten.
Zaterdag kwam Marloes met tulpen. Ik stond in de badkamer en trok een nat onderlaken uit de wasmand.
‘Wat ruikt het hier fris,’ hoorde ik mijn moeder zeggen.
‘Ik heb je lievelingskleur meegenomen.’
Toen ik beneden kwam, zaten ze aan de koffie. Voor mij stond geen kopje klaar.
‘Er ligt nog een boodschappenlijst,’ zei ik.
Marloes keek op haar horloge.
‘O, ik moet om vier uur bij vrienden zijn.’
‘Je zou boodschappen doen.’
‘Ik zei misschien. Doe nou niet zo.’
Mijn moeder tikte met haar lepel tegen haar kopje.
‘Wees blij dat ze er is.’
Ik pakte de lijst en mijn jas.
In de supermarkt bleef ik bij het brood staan. Ik kon niet meer bedenken of mijn moeder volkoren wilde of bruin zonder pitten. Ik belde haar. Ze nam niet op. Waarschijnlijk zat ze gezellig met Marloes.
Ik kocht allebei.
Thuis zette ik mijn eigen boodschappen in de koelkast. Peter haalde er een pak melk uit.
‘Deze is voor je moeder. Jij drinkt die niet.’
‘Dan breng ik hem morgen.’
‘Je zou morgen met mij wandelen.’
Ik trok mijn jas nog niet uit. Op mijn telefoon stond alweer haar naam. Peter keek naar het scherm en liep naar de woonkamer. Ik nam op.
Hoofdstuk 3
De lege stoel
Het familiegesprek was op een donderdag. Ik had die ochtend vrij genomen. Fatima kwam om tien uur. Marloes had beloofd erbij te zijn.
Om vijf voor tien stuurde ze een bericht.
Lukt toch niet. Gedoe op werk. Bel me daarna even.
Ik zette mijn telefoon met het scherm naar beneden.
Mijn moeder had koekjes gekocht via de buurvrouw. Voor Fatima gebruikte ze de goede kopjes. Ze wilde niet dat iemand dacht dat ze zichzelf niet meer kon redden.
‘Waar is je zus?’ vroeg ze.
‘Op haar werk.’
‘Ach ja.’
Ik trok de lege stoel iets van tafel.
Fatima legde haar map neer. Ze vroeg hoe de nachten gingen.
‘Prima,’ zei mijn moeder.
‘Ze belt mij bijna iedere nacht,’ zei ik.
Mijn moeder keek kwaad op.
‘Dat is helemaal niet waar.’
Ik opende mijn belgeschiedenis. Dinsdag, twee uur veertien. Woensdag, vier uur zes. Die nacht, kwart over drie.
‘Je hoeft me niet voor schut te zetten.’
‘Ik wil gewoon antwoord geven.’
Fatima vroeg waarom ze belde.
Mijn moeder streek met haar duim over het oor van haar kopje.
‘Dan weet ik even niet waar ik ben.’
Het was de eerste keer dat ze dat zei.
Tot dan toe waren het vreemde geluiden geweest. Een deur die zogenaamd openstond. Mijn vader die nog niet thuis was. Als ik kwam, zei ze dat ze had gedroomd.
Fatima stelde voor de huisarts erbij te betrekken. Verwardheid kon verschillende oorzaken hebben. Er moest naar gekeken worden.
Daarna schoof ze mijn lijst naar me toe.
‘Wat gebeurt er als jij een week ziek bent?’
‘Dan komt Marloes,’ zei mijn moeder.
Niemand zei iets.
Mijn moeder keek naar de lege stoel.
‘Dan zal ze wel moeten.’
‘Dat heeft ze nog nooit gedaan,’ zei ik.
Mijn stem klonk harder dan ik wilde.
We maakten afspraken over medicatietoezicht en een personenalarm. Fatima zou bekijken welke extra thuiszorg nodig was. Ik zou de huisarts bellen. Weer ik, maar deze keer had het tenminste een duidelijke grens.
Na het gesprek belde ik Marloes vanuit mijn auto.
‘Mam is ’s nachts soms de weg kwijt. De huisarts moet haar zien.’
‘Misschien komt het door de narcose.’
‘Misschien. Daarom moet er iemand kijken.’
‘Oké.’
‘Ik wil dat jij haar volgende week naar die afspraak brengt.’
Ze bleef stil.
‘Marloes?’
‘Ik kan niet steeds vrij nemen.’
Ik keek naar het kantoor van de tandarts aan de overkant. Een jongen zette zijn fiets op slot. Zijn vader trok zijn capuchon recht. Alles buiten mijn auto ging gewoon door.
‘Ik heb ook een baan.’
‘Jij hebt minder uren.’
‘En die uren zijn dus beschikbaar voor mam?’
‘Dat zeg ik niet.’
‘Je gebruikt ze wel.’
Ze zei dat ze op moest hangen. Ik drukte eerder weg.
Een week later zat ik alsnog bij de huisarts. Mijn moeder scoorde niet goed op een korte geheugentest. Er volgden bloedonderzoek en een verwijzing naar de geheugenpoli. De huisarts vroeg ook naar haar stemming, haar slaap en haar medicijnen.
Buiten hield mijn moeder mijn arm vast.
‘Je gaat me toch niet ergens stoppen?’
‘We gaan uitzoeken wat er aan de hand is.’
‘Dat is geen antwoord.’
Ik kon haar niet beloven wat ze wilde horen. Dus zei ik niets.
Die avond was Daan jarig. Tweeëntwintig. Hij had pasta gemaakt voor zes mensen. Zijn vriendin had een taart meegenomen.
Halverwege het eten belde mijn moeder. Ze kon het alarm niet vinden.
‘Het hangt om je nek,’ zei ik.
‘Nee.’
‘Kijk eens onder je vest.’
Ik hoorde geritsel. Toen boos gemompel.
‘Kom nou gewoon even.’
Daan legde zijn vork neer.
Ik zei dat ik over een halfuur kwam.
‘Je hoeft niet,’ zei hij toen ik ophing.
‘Ze raakt in paniek.’
‘Ik bedoel: je hoeft niet meer te doen alsof je hier bent.’
Niemand at verder.
Ik keek naar de kaarsjes die nog naast de taart lagen. Hij had gewacht met aansteken tot na het eten.
Ik bleef tot de taart. Maar ik proefde niets. Bij iedere trilling van mijn telefoon keek ik omlaag.
Later vond ik het alarm onder mijn moeders vest. Precies waar ik had gezegd. Ze vroeg of ik koffie wilde.
Ik zei nee. Voor het eerst klonk dat woord niet vriendelijk.
Hoofdstuk 4
Wat Marloes wist
Ik sprak met Marloes af in een café bij station Amersfoort Centraal. Niet bij mijn moeder. Niet met een boodschappenlijst tussen ons in.
Ze zat er al. Haar jas hing nog over haar schouders. Naast haar koffie lag een werktelefoon die steeds oplichtte.
‘Zet die uit,’ zei ik.
Ze keek naar mijn gezicht en draaide het toestel om.
Ik had drie dingen op papier gezet. Een vaste middag. Een deel van de administratie. Vervanging tijdens mijn vakantie.
‘Ik wil geen overleg meer over hoe druk we het allebei hebben,’ zei ik. ‘Ik wil afspraken.’
Marloes las het papier niet.
‘Ik ga niet iedere week naar mam.’
De serveerster kwam vragen wat ik wilde. Ik bestelde thee, terwijl ik koffie wilde. Daarna wachtte ik tot ze weg was.
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik dat niet wil.’
Het was zo kaal dat ik even niets kon zeggen.
‘Ze is onze moeder.’
‘Dat weet ik.’
‘Ze heeft haar heup gebroken. Ze vergeet dingen. Ze is bang.’
‘Dat weet ik ook.’
Ik schoof het papier dichter naar haar toe.
‘En ik ben op.’
Marloes keek naar buiten. Bij de fietsenstalling probeerde iemand een veel te grote tas op een bagagedrager vast te zetten.
‘Toen jij naar Groningen ging,’ zei ze, ‘kwam ik al drie keer per week.’
‘Dat is bijna dertig jaar geleden.’
‘Ja.’
Onze vader had toen een zware depressie. Ik wist dat. Ik wist ook dat Marloes vaak thuis was. In mijn herinnering dronken zij en mijn moeder eindeloos koffie aan de keukentafel.
‘Ik bracht pap naar afspraken. Ik ging mee naar de bedrijfsarts. Ik controleerde of hij gegeten had. Mam belde als hij de hele dag in bed lag.’
‘Waarom heb je nooit iets gezegd?’
‘Omdat jij studeerde. Omdat mam zei dat we jou erbuiten moesten houden.’
Ik pakte mijn glas vast. Het was te heet.
‘Dat wist ik niet.’
‘Nee.’
Ze vertelde hoe mijn moeder haar dagelijks belde. Ook op haar werk. Hoe ze boos werd als Marloes een weekend wegging. Hoe ze na haar scheiding had gezegd dat Marloes beter wat meer haar best had kunnen doen.
Dat laatste wist ik wel. Ik had toen gezegd dat mam het niet zo bedoelde.
Daar schaamde ik me nu voor.
‘Ik slaap slecht voordat ik naar haar toe moet,’ zei Marloes. ‘Nog steeds. Ik hoor haar al zeggen wat ik verkeerd doe.’
Voor het eerst zag ik iets anders dan onwil. Maar mijn lijst lag er nog.
‘Het spijt me dat ik dat niet heb gezien,’ zei ik. ‘Echt. Maar waarom zeg je dan steeds misschien?’
Ze keek me aan.
‘Omdat nee zeggen tegen jou ook niet makkelijk is.’
‘Dus zeg je ja en laat je mij wachten.’
Ze knikte langzaam.
Ik voelde tranen opkomen. Niet van begrip alleen. Ook van woede. Haar reden veranderde niets aan mijn nachten, mijn werk, Daans verjaardag.
‘Je mag afstand houden,’ zei ik. ‘Maar je kunt niet doen alsof we dit samen dragen.’
‘Dat is eerlijk.’
Ik had gewild dat ze protesteerde. Dat ze ineens begreep wat er moest gebeuren en haar agenda opende. Ze deed het niet.
We bespraken wat ze wel wilde doen. Ze wilde de financiële post uitzoeken, als mam toestemming gaf. Ze wilde ook offertes vergelijken voor betaalde hulp. Geen lichamelijke zorg. Geen vaste bezoeken. Geen nachtdiensten.
‘En mijn vakantie?’
‘Daar kan ik niet voor inspringen.’
‘Niet kunnen of niet willen?’
‘Niet willen.’
Ik vouwde mijn papier dubbel.
Dat gesprek loste weinig op. Toch reed ik terug met iets wat ik eerder niet had gehad: een antwoord waarop ik kon rekenen.
Thuis vertelde ik Peter wat Marloes had gezegd. Hij zette twee borden op tafel.
‘Dan moet je plannen zonder haar.’
‘Dat voelt alsof ze ermee wegkomt.’
Hij ging zitten.
‘Je moeder heeft zorg nodig. Jij hebt rust nodig. Dat zijn twee problemen. Je zus straffen lost geen van beide op.’
Ik vond hem op dat moment hard. Later schreef ik zijn woorden achter op mijn lijst.
Daaronder zette ik een nieuwe vraag.
Wat doe ik als Marloes niets overneemt?
Het blad bleef lang leeg. Toen schreef ik mijn eigen werkdagen op. Niet de gaatjes ertussen.
Hoofdstuk 5
Tot hier
De fout op mijn werk ging over achttienduizend euro. Ik had een factuur dubbel klaargezet voor betaling. Een collega zag het op tijd.
Arjan vroeg me in zijn kamer.
‘Hoeveel slaap krijg jij?’
Ik begon te huilen voordat ik antwoord kon geven. Niet netjes. Ik kreeg nauwelijks lucht en veegde mijn neus af met een papieren handdoekje.
Hij schoof de doos tissues naar me toe.
‘We gaan dit niet oplossen met nog wat losse uurtjes vrij.’
We maakten afspraken over mijn werk. Ik kreeg tijdelijk minder ingewikkelde taken en een gesprek met de bedrijfsarts. Daarna belde ik mijn eigen huisarts.
Die vroeg niet eerst naar mijn moeder.
‘Hoe gaat het met jou?’
Ik zei dat ik alleen moe was.
‘Je zit hier te trillen.’
Ik keek naar mijn handen. Hij had gelijk.
Via het lokale mantelzorgsteunpunt sprak ik later met een consulent, Anja. Ze vroeg me een week lang alles op te schrijven. Ook telefoontjes. Ook zoeken naar informatie. Ook wachten bij de apotheek.
Ik kwam op zesentwintig uur. De nachten had ik niet volledig meegeteld.
‘Dat is geen beetje helpen,’ zei Anja.
Ze hielp me een overleg organiseren. De wijkverpleging, de huisarts en de gemeentelijke ondersteuning hadden ieder een eigen rol. Niemand kon ineens alles overnemen. Er waren wachttijden en formulieren. Maar ik hoefde niet langer zelf uit te zoeken wie waarover ging.
Uit het onderzoek bij de geheugenpoli bleek dat mijn moeder waarschijnlijk beginnende dementie had. De arts legde uit wat nog onzeker was. Er zouden controles volgen. Mijn moeder hoorde vooral het woord dementie.
In de auto zei ze: ‘Je had me daar nooit mee naartoe moeten nemen.’
Ik zette haar thuis af en bleef niet voor koffie.
Een paar dagen later bespraken we de nieuwe afspraken. Mijn moeder zat rechtop in haar stoel. Fatima zat naast me.
‘Ik kom dinsdag en zaterdag,’ zei ik. ‘Op andere dagen alleen als we iets hebben afgesproken.’
‘En als ik val?’
‘Dan druk je op het alarm. We spreken af wie er gebeld wordt en welke hulp er komt.’
‘Ik wil jou.’
Ik duwde mijn voeten tegen de vloer.
‘Ik kan niet altijd komen.’
Ze keek naar Fatima.
‘Hoor je hoe ze tegen me praat?’
Fatima bleef rustig.
‘Ik hoor dat Eline vertelt wat ze kan volhouden.’
Er kwam extra toezicht op de medicijnen. De huishoudelijke hulp zou starten zodra er iemand beschikbaar was. Tot die tijd betaalde mijn moeder met haar toestemming tijdelijk een particuliere hulp. Maaltijden werden bezorgd. Voor de avonden schreven we een eenvoudig schema op.
Niet alles ging goed. De eerste maaltijd vond ze vies. De particuliere hulp mocht niet aan haar slaapkamerkast komen. Het alarm legde ze soms in een la.
Op een vrijdag belde ze negen keer tijdens mijn avondeten. De tiende keer nam ik op.
‘Het lampje in de gang is kapot.’
‘Ik vervang het morgen.’
‘Dan breek ik vannacht mijn nek.’
Ik vroeg haar het andere licht aan te doen en de gangdeur open te laten. Ze zei dat ik vroeger liever was.
Na het gesprek stond ik al met mijn jas in mijn hand.
Peter zei niets.
Ik hing hem terug.
Die nacht sliep ik slecht. Ik zag mijn moeder vallen in een donkere gang. De volgende ochtend zat ze aangekleed aan tafel. Het ganglampje brandde. Ze had de verkeerde schakelaar gebruikt.
‘Je had best even kunnen komen,’ zei ze.
‘Nee,’ zei ik. ‘Gisteren niet.’
Mijn hart bonsde. Toch ging ik zitten en schonk koffie in.
Marloes begon intussen aan de bankafschriften. Mijn moeder had toestemming gegeven, al mopperde ze dat haar dochters op haar geld pasten alsof ze dood was.
Mijn zus vond twee overbodige abonnementen. Ze zette de vaste lasten in een overzicht en regelde de betalingen voor de tijdelijke hulp.
Het was nuttig. Het was geen gedeelde mantelzorg zoals ik die had gewenst.
Toen Marloes vroeg of het zo een beetje beter ging, schreef ik: Met de administratie wel. Met mij nog niet.
Ze antwoordde: Duidelijk.
Voor één keer hoefde ik mijn antwoord niet zachter te maken.
Hoofdstuk 6
Buiten in de regen
De politie belde op een zondag om zes uur ’s morgens. Mijn moeder was gevonden bij een bushalte aan de Ceintuurbaan. Ze droeg haar winterjas over haar nachthemd. Aan één voet zat een schoen. Aan de andere een pantoffel.
‘Ze zegt dat ze naar haar werk moet,’ zei de agent.
Mijn moeder had vroeger in een wasserij gewerkt. Daar was ze al ruim twintig jaar weg.
Ik ging rechtop zitten.
‘Is ze gewond?’
‘Voor zover we zien niet. Ze is wel erg koud en verward.’
Peter kwam meteen uit bed. Ik wilde zeggen dat hij kon blijven liggen, maar de woorden kwamen niet.
Bij de bushalte zat mijn moeder achter in de politieauto. Een jonge agent hield haar handtas vast. Op straat glom het van de regen.
‘Daar ben je eindelijk,’ zei ze toen ze mij zag. ‘Ik kom te laat.’
Ik hurkte naast de open deur.
‘Je hoeft niet te werken, mam.’
‘Jij weet ook alles beter.’
Ze rook naar natte wol. Haar blote enkel was rood van de kou.
De agent vroeg of er thuis iemand bij haar kon blijven. Ik hoorde mezelf al ja zeggen. Peter legde zijn hand op mijn rug.
‘We moeten eerst medische hulp inschakelen,’ zei hij.
De huisartsenpost beoordeelde haar. Vanwege de plotseling sterk toegenomen verwardheid en haar lichamelijke toestand moest ze naar het ziekenhuis. Daar bleek ze ook koorts te hebben. De arts sprak over een delier, waarschijnlijk uitgelokt door een infectie, boven op haar geheugenproblemen.
Mijn moeder probeerde het infuus uit haar arm te trekken.
‘Ze sluiten me op,’ fluisterde ze.
Ik bleef naast haar zitten tot ze rustiger werd. Daarna liep ik de gang op en belde Marloes.
Ze nam slaperig op.
‘Mam ligt weer in het ziekenhuis.’
Ik vertelde wat er was gebeurd.
‘Wat moet ik doen?’ vroeg ze.
Het was de eerste keer dat ze dat vroeg zonder eerst haar agenda te noemen.
‘Een tas halen. Schone kleding. Haar bril. En komen.’
Ze was er tegen tienen.
Toen ze de kamer binnenkwam, begon mijn moeder te huilen. Marloes bleef even bij de deur staan. Daarna zette ze de tas neer en ging aan de andere kant van het bed zitten.
Ik keek weg. Ik wilde geen wedstrijd maken van wie mijn moeder het hardst nodig had. Toch voelde het even zo.
Na drie dagen was de koorts weg. De verwardheid nam af, maar verdween niet helemaal. Mijn moeder kon niet goed uitleggen hoe ze buiten was gekomen. Ze wist niet meer hoe het alarm werkte.
Bij het ontslaggesprek zat een transferverpleegkundige. Ze vroeg naar de thuissituatie.
Ik beschreef de zorg. De nachten. De telefoontjes. Het weglopen.
‘Kan familie tijdelijk extra toezicht bieden?’ vroeg ze.
Ik voelde Marloes naast me bewegen.
‘Ik kan niet bij haar wonen,’ zei ik. ‘En ik kan de nachten niet overnemen.’
Mijn stem brak bij het laatste woord.
De verpleegkundige knikte en schreef het op.
Ze zei niet dat ik een slechte dochter was. Ze vroeg welke mogelijkheden al onderzocht waren.
Mijn moeder kon naar een tijdelijke herstelplek waar ook verder naar haar zorgbehoefte gekeken zou worden. Niet dezelfde middag. Er moesten telefoontjes worden gepleegd en gegevens gedeeld. Ondertussen bleef ze in het ziekenhuis omdat veilig ontslag nog niet geregeld was.
Later stonden Marloes en ik bij de lift.
‘Je zei het duidelijk,’ zei ze.
‘Ik voelde me verschrikkelijk.’
‘Dat zag ik.’
Ik wilde haar vragen waarom zij dat dan zo makkelijk kon. Maar ik had haar handen gezien tijdens het gesprek. Ze had de dop van haar pen kapotgedrukt.
Op de tijdelijke plek kreeg mijn moeder een kamer aan het eind van een gang. Er stond een smal bed en een tafel met een plastic kan water. Ze keek naar de tas op haar stoel.
‘Wanneer ga ik naar huis?’
‘Dat weten we nog niet.’
‘Jij hebt dit geregeld.’
‘Samen met de mensen van het ziekenhuis.’
‘Je wilt van me af.’
Ik ging naast haar zitten.
‘Ik wil dat je hulp krijgt als je die nodig hebt. Ook als ik slaap.’
Ze draaide haar gezicht naar het raam. Ik bleef nog een halfuur. Toen ging ik naar huis.
Hoofdstuk 7
Weer haar dochter
Mijn moeder ging niet meer terug naar haar rijtjeshuis. Dat besluit viel niet tijdens één groot gesprek. Het kwam in stukken.
Eerst zagen de medewerkers dat ze ook overdag veel sturing nodig had. Ze vergat te drinken. Ze zocht het toilet in een voorraadkast. Op goede momenten kon ze precies vertellen wat er mis was met de koffie. Een uur later wist ze niet waar ze woonde.
Er volgden gesprekken en een aanvraag voor langdurige zorg. Na de beoordeling kreeg ze een indicatie. Daarna moesten we wachten op een passende plek. Ik leerde opnieuw namen, telefoonnummers en afkortingen. Maar deze keer deed een zorgmedewerker het grootste deel van de afstemming.
Mijn moeder verhuisde uiteindelijk naar een woonzorglocatie in Deventer. Niet mijn eerste keuze. Wel een plek waar ik op de fiets naartoe kon en waar er dag en nacht mensen aanwezig waren.
Ik zette haar blauwe stoel bij het raam. Marloes hing foto’s op. We hadden afgesproken dat we niet zouden overleggen over iedere spijker.
‘Die van pap hoger,’ zei mijn moeder.
Marloes verplaatste hem zonder iets te zeggen.
Het huis leeghalen duurde vier zaterdagen. Achter in de linnenkast vond ik de andere helft van het servies waarvan mijn moeder altijd zei dat het voor bijzondere gelegenheden was. Sommige bordjes zaten nog in papier.
Marloes zat op de vloer tussen dozen met foto’s.
‘Wil jij die hebben?’ vroeg ze.
‘Nee.’
‘Ik ook niet.’
We brachten het naar de kringloop. Niemand hoefde te doen alsof het servies ons dierbaar was.
Bij de laatste opruimdag bleef Marloes staan op de plek waar vroeger de keukentafel stond.
‘Hier zat ik altijd met pap,’ zei ze.
Ik zette mijn doos neer.
‘Wil je erover vertellen?’
‘Nu niet.’
‘Goed.’
Dat was nieuw voor ons. Een vraag zonder duwen. Een antwoord zonder smoes.
Mijn zus en ik werden geen hecht zorgteam. Ze bleef de administratie doen. Af en toe bezocht ze mijn moeder. Soms kwam ze twee weken niet. Ik hield het niet meer bij in mijn agenda.
Eén keer vroeg ze of ik haar bezoek kon overnemen omdat ze een weekend weg wilde.
‘Nee,’ zei ik. ‘Mijn bezoek is dinsdag.’
‘Oké.’
Het gesprek duurde minder dan een minuut. Daarna heb ik nog lang naar mijn telefoon gekeken.
Met mijn moeder ging het wisselend. Ze vroeg vaak naar huis. Soms bedoelde ze haar rijtjeshuis. Soms het huis waar ze als kind had gewoond. Ik leerde doorvragen zonder haar telkens te verbeteren.
‘Wat mis je?’ vroeg ik dan.
Een keer zei ze: ‘Mijn eigen handdoeken.’
Die kon ik brengen.
Een andere keer zei ze: ‘Dat niemand ziet dat ik oud ben.’
Daar had ik geen antwoord op. Ik ging naast haar zitten en liet haar hand op mijn arm liggen.
Ik bezocht haar nu twee keer per week. Niet omdat dat een perfecte hoeveelheid was. Het paste naast mijn werk en mijn leven. Als ze ziek was, kwam ik vaker. Als ik weg was, belde ik de afdeling.
De eerste vakantie met Peter duurde vier dagen. We gingen naar Vlieland. Ik had mijn telefoon aan, maar legde hem tijdens wandelingen in mijn rugzak.
Op de tweede ochtend belde de zorglocatie. Mijn moeder had slecht geslapen en was verdrietig. De medewerker vertelde wat ze deden en vroeg of haar oude radio misschien rust gaf.
Ik beschreef waar die stond.
‘Gaat u maar verder met uw dag,’ zei ze.
Ik bleef nog een tijdje op het duinpad staan. Toen liep ik achter Peter aan.
Daan kwam op zondag weer eens eten. Hij vertelde over een sollicitatie. Halverwege merkte ik dat ik het hele verhaal had gevolgd. Ik wist bij welk bedrijf. Ik wist waarom hij twijfelde.
‘Zit je nou te glimlachen om mijn ellende?’ vroeg hij.
‘Nee. Vertel verder.’
Vorige dinsdag nam ik mijn moeder mee naar buiten. Een klein rondje door de tuin. Ze hield mijn arm vast en mopperde dat ik te snel liep.
Bij een bankje gingen we zitten. Ik haalde twee mandarijnen uit mijn tas. Ik pelde de hare en gaf de partjes één voor één aan.
‘Moet jij geen boodschappen doen?’ vroeg ze.
‘Vandaag niet.’
‘Geen was?’
‘Ook niet.’
Ze keek naar mijn lege handen.
‘Dan kun je nog even blijven.’
Ik keek op mijn horloge. Over een uur moest ik weg. Er was niets wat ik eerst nog moest schoonmaken, regelen of ophalen.
‘Ja,’ zei ik. ‘Nog even wel.’