Naar de inhoud
Terug naar het boek

Werk en maatschappij

Nachtdiensten en een gezin

Hoofdstuk 1

Nachtdiensten en een gezin

De fietser sloeg met zijn vlakke hand op mijn motorkap. Ik trapte op de rem. Mijn koffiebeker viel tegen de versnellingspook. De jongen stond schuin voor mijn auto, met één voet op straat. Zijn achterlicht knipperde rood.

‘Kijk dan, man!’

Ik stak mijn hand op. Meer kreeg ik niet voor elkaar. Het verkeerslicht bij de Amsterdamse Poort was rood. Dat zag ik nu pas. Ik wist niet of het al rood was geweest toen ik kwam aanrijden.

De jongen fietste verder. Ik zette mijn auto in een parkeervak en belde mijn vrouw.

‘Kun je me ophalen?’ vroeg ik.

‘Waar ben je?’

‘Vijf minuten van huis.’

‘Is er iets gebeurd?’

Ik keek naar de koffievlek op mijn broek.

‘Bijna.’

Mijn naam is Dennis van Leeuwen. Ik was negenendertig en werkte in een distributiecentrum in de Waarderpolder in Haarlem. Vijf nachten per week verplaatste ik pallets met levensmiddelen. Van half elf ’s avonds tot zeven uur ’s ochtends. Op papier stopte mijn dienst om half zeven. Op papier gingen veel dingen goed.

Sanne kwam op de fiets. Ze werkte die dag pas om tien uur bij de tandartspraktijk. Ze zette haar fiets achter in onze oude stationwagen en nam mijn sleutel aan.

‘Ben je in slaap gevallen?’

‘Ik denk een seconde.’

Ze bleef naast het portier staan.

‘Dennis.’

‘Ik weet het.’

Thuis zat Mila aan de keukentafel. Ze was tien en maakte haar staart opnieuw vast. Haar broer Sem, zes, droeg nog zijn pyjama. Hij had melk over zijn brood gegoten en probeerde het met een vork te redden.

‘Papa brengt ons toch?’ vroeg Mila.

‘Vandaag niet,’ zei Sanne.

Ik trok mijn jas uit. Er zat een zwarte veeg op mijn mouw. Van een kapotte pallet, dacht ik. Of van de auto. Ik kon het me niet herinneren.

Drie jaar eerder had ik zelf om de nachtdienst gevraagd. De toeslag was zevenhonderd euro bruto per maand. Daar kwam bij dat we minder opvang nodig hadden. Ik kon de kinderen naar school brengen. Sanne kon vroeg beginnen. In de middag sliep ik wel even bij, had ik gezegd.

De eerste maanden werkte dat bijna. Ik sliep van negen tot twee. Daarna haalde ik de kinderen. Op woensdag bleef ik wakker tot Sanne thuiskwam. In het weekend draaide ik terug naar hun ritme. Ik noemde het flexibel zijn.

Toen kreeg Sanne minder uren. De praktijk werd overgenomen. Onze huur ging omhoog. De auto had een nieuwe koppeling nodig. De nachten werden geen keuze meer, maar een bedrag onder aan mijn loonstrook.

Ik ging naar bed terwijl beneden een kastdeur dichtklapte. Daarna hoorde ik Sem huilen. Hij wilde zijn blauwe schoenen, niet de groene. Ik lag onder het dekbed en telde de uren. Om kwart voor drie moest ik op het schoolplein staan.

Om elf uur begon de buurman te boren.

Ik drukte een kussen over mijn hoofd. Om twaalf uur ging mijn telefoon. Een onbekend nummer. Misschien school. Ik nam op. Iemand wilde ons een goedkoper energiecontract verkopen.

Daarna sliep ik niet meer.

Toen ik beneden kwam, lag er een briefje op tafel. Sannes handschrift. Groot en hard ingedrukt.

Vanavond praten. Echt.

Ik zette koffie. Naast het apparaat lag een tekening van Sem. Vier mensen bij een voetbalveld. Sanne, Mila, Sem en een lege plek met mijn naam erboven.

Tijdens het eten vertelde Mila over een spreekbeurt. Ik knikte op de verkeerde momenten. Sanne schoof de schaal aardappelen naar me toe.

‘Wat zei ze net?’ vroeg ze.

‘Over school.’

Mila keek naar haar bord.

‘Laat maar.’

Na het eten ging ik even op de bank liggen. Toen ik wakker werd, was het donker. Mijn wekker trilde op mijn buik. Tijd om te vertrekken.

Sanne stond in de deuropening.

‘We zouden praten.’

‘Morgen. Ik moet nu echt weg.’

‘Dat zei je gisteren ook.’

Ik zocht mijn werkschoenen. Eén lag onder de tafel. De andere had Sem als garage voor zijn speelgoedauto gebruikt.

Buiten rook het naar regen. Ik ging achter het stuur zitten en legde mijn handen op mijn knieën. De jongen bij het verkeerslicht kwam terug. Zijn hand op mijn motorkap. Zijn open mond.

Ik stapte weer uit. Voor het eerst in drie jaar fietste ik naar mijn nachtdienst.

Hoofdstuk 2

Achter de roldeur

Om tien over half elf stond ploegleider René bij het roosterbord. Hij hield een rode stift vast. Twee namen waren doorgestreept.

‘Bilal ziek. Stefan ook. We moeten het samen oplossen.’

Naast mij trok Aisha haar veiligheidshesje recht. Ze werkte er elf jaar. Als zij stil bleef bij zo’n mededeling, wist ik dat het geen zin had om vragen te stellen.

René wees naar mij.

‘Dennis, jij neemt gang twaalf erbij.’

‘Ik heb zeven tot en met tien.’

‘Daarom. Het sluit aan.’

Alsof afstand het probleem was. Gang twaalf stond vol actievoorraad. Grote dozen wasmiddel. Zakken hondenvoer. Alles zwaar, alles haast. Om vier uur moesten de eerste vrachtwagens vertrekken naar supermarkten in Noord-Holland.

Ik pakte mijn scanner. Op het scherm verscheen mijn eerste opdracht. Locatie, artikel, aantal. Bevestigen. Volgende opdracht. Het apparaat piepte ook wanneer ik te lang stilstond. Officieel was dat een herinnering. Niemand noemde het zo.

Om kwart over één dronken we koffie in de kantine. De tl-buis boven de magnetron flikkerde. Aisha schoof een bak rijst naar me toe.

‘Je ziet eruit alsof je moet overgeven.’

‘Slecht geslapen.’

‘Hoeveel?’

‘Een uur of drie.’

‘In één keer?’

Ik schudde mijn hoofd.

Ze liet haar vork zakken.

‘Dat telt niet op zoals geld, Dennis.’

Aan de andere kant van de tafel zat Kevin. Tweeëntwintig, via een uitzendbureau. Hij keek op zijn telefoon naar een kamer in Beverwijk. Zeshonderdvijftig euro. Zonder inschrijving.

‘Dan kan ik tenminste weg bij mijn broer,’ zei hij.

Hij werkte elke extra dienst die beschikbaar kwam. Ik wilde zeggen dat hij moest oppassen. Ik hield mijn mond. Een halfjaar eerder had ik hem juist uitgelegd welke weekenden de hoogste toeslag opleverden.

Na de pauze reed ik met mijn elektrische pallettruck naar gang twaalf. Het stuur voelde plakkerig. Mijn rechteroog bleef trekken. Op een pallet ontbrak een doos. Ik telde opnieuw. Daarna nog eens.

René kwam langs.

‘Je zit onder je aantal.’

‘Deze levering klopt niet.’

Hij keek vluchtig naar de dozen.

‘Meld het en door.’

‘Dat doe ik.’

‘Niet persoonlijk maken.’

Ik had niets persoonlijks gezegd.

Tegen vier uur veranderde het geluid in de hal. Meer motoren. Meer stemmen. De laadploeg riep nummers naar elkaar. Buiten wachtten chauffeurs met hun armen over elkaar. Eén tikte steeds op zijn horloge.

Ik reed achteruit uit een gangpad. Langzaam, dacht ik. Mijn truck raakte iets. Een korte klap. Meteen daarna een schreeuw.

Ik stopte.

Kevin stond naast een rolcontainer. Hij hield zijn hand tegen zijn borst. De container was tegen een stalen paal geschoven. Zijn vingers hadden ertussen gezeten.

‘Laat zien,’ zei ik.

‘Nee. Wacht.’

Aisha was er eerder dan René. Ze stuurde mij naar de bedrijfshulpverlener. Ik liep de verkeerde kant op. Pas bij de nooduitgang besefte ik dat de verbandkast bij kantoor hing.

Kevin kon zijn vingers bewegen. Er zat een diepe scheur in zijn handschoen. Zijn hand werd dik. Een collega reed hem naar de huisartsenpost, na telefonisch overleg.

René nam me mee naar zijn kantoortje.

‘Wat gebeurde er?’

‘Ik zag hem niet.’

‘Keek je?’

‘Ja. Niet goed genoeg.’

Hij begon op zijn toetsenbord te tikken.

‘Onoplettendheid bij achteruitrijden.’

‘Zet erbij dat we twee man tekortkwamen.’

Hij stopte.

‘Dat heeft hier niets mee te maken.’

‘En dat ik drie uur heb geslapen.’

‘Jouw slaap kan ik niet regelen.’

Dat was waar. Het was alleen niet het hele verhaal.

Aisha klopte niet. Ze kwam binnen met haar jas over haar arm.

‘Er komt een incidentmelding,’ zei ze. ‘Met de bezetting erbij. En een foto van die versleten belijning.’

René keek naar haar. Daarna naar mij.

‘We maken het niet groter dan het is.’

Ik zag Kevins gescheurde handschoen weer.

‘Ook niet kleiner,’ zei ik.

Het was geen stoere zin. Mijn stem kraakte.

Om zeven uur stond ik buiten bij mijn fiets. Mijn telefoon trilde. Sanne vroeg of ik brood kon meenemen.

Ik belde haar.

‘Er is iets gebeurd op het werk.’

Ze zei niets. Ik hoorde water lopen. Toen werd het stil.

‘Ik heb iemand geraakt,’ zei ik. ‘Niet expres. Maar wel door mij.’

Dit keer zei ik niet dat we morgen zouden praten.

Hoofdstuk 3

De keukentafel

Sanne zat tegenover me met haar werkjas nog aan. Het brood lag tussen ons. Ik had het onderweg toch gekocht. Een heel volkoren, precies zoals altijd. Dat gewone ding maakte me misselijk.

‘Hoe gaat het met die jongen?’ vroeg ze.

‘Gekneusde vingers. Ze denken niets gebroken.’

‘En met jou?’

Ik haalde mijn schouders op.

Ze trok de broodzak naar zich toe en legde hem op het aanrecht.

‘Niet weer dat.’

Boven viel iets op de grond. Sem riep dat hij het niet was. Mila riep dat hij het wel was. Sanne sloot haar ogen.

‘Ik kan dit er niet bij hebben,’ zei ze.

Ik hoorde alleen die laatste woorden.

‘O, dus dit is lastig voor jou?’

‘Ja. Ook voor mij.’

Ik schoof mijn stoel achteruit.

‘Ik werk die nachten voor ons.’

‘Dat weet ik. En ik leef overdag om jouw slaap heen. De kinderen moeten stil. De wasmachine mag niet aan. Afspraken mogen niet te vroeg en niet te laat. En als ik vraag of je iets kunt doen, ben ik degene die je wakker houdt.’

Ik wilde antwoorden. Er kwam niets dat ik hardop durfde te zeggen.

Sanne veegde met haar hand over de tafel. Er lagen geen kruimels.

‘Ik ben bang als je naar je werk rijdt,’ zei ze. ‘Ik ben boos als je hier bent. Dat wil ik allebei niet.’

We zwegen tot Sem beneden kwam. Hij droeg twee verschillende sokken.

‘Gaan jullie scheiden?’

‘Nee,’ zei ik meteen.

Sanne keek naar me.

‘We hebben ruzie omdat het niet goed gaat,’ zei ze tegen hem. ‘Dat is niet jouw schuld.’

Hij kwam naast haar staan. Niet naast mij. Ik wist dat ik daar geen wedstrijd van mocht maken. Toch deed het pijn.

Die ochtend belde ik mijn werk. René nam op.

‘Ik meld me ziek.’

‘Vanwege gisteren?’

‘Ik ben niet in staat veilig te werken.’

Hij ademde hoorbaar uit.

‘We zitten al krap.’

Ik keek naar Sanne. Zij zei niets. Ze bleef zitten.

‘Ik meld me ziek,’ herhaalde ik.

Daarna belde ik de huisarts. De assistente vroeg of het kon wachten tot maandag. Het was donderdag. Ik vertelde over het verkeerslicht en over Kevin. Er kwam die middag een plek vrij.

Huisarts Vermeer had haar praktijk aan de Rijksstraatweg. Ik zat er tussen een man met een verbonden voet en een moeder met een peuter. Op het scherm stond dat wandelen gezond was. Ik wilde het scherm uitzetten.

Vermeer vroeg naar mijn slaap. Naar alcohol. Naar somberheid. Of ik nog plezier had in dingen. Of ik soms dacht dat het niet meer hoefde.

‘Ik wil niet dood,’ zei ik. ‘Ik wil dat iedereen even niets van me nodig heeft.’

Ze knikte zonder te glimlachen.

‘Hoe lang al?’

Daar liep ik vast. Weken? Maanden? Ik wist wanneer de koppeling was vervangen. Ik wist wanneer Sem zwemdiploma A had gehaald. Ik wist niet wanneer ik was opgehouden normaal te functioneren.

Ze zei dat we mijn klachten serieus moesten nemen. Niet alles onder één etiket schuiven. Eerst veiligheid, slaap en verder onderzoek. Ze wilde me een week later terugzien. Voor de relatie tussen werk en gezondheid moest ik ook bij de bedrijfsarts zijn.

‘Ga je me niet gewoon iets geven om te slapen?’ vroeg ik.

‘Daarmee lossen we je rooster en je thuissituatie niet op.’

Buiten belde ik het nummer van de arbodienst. Ik kreeg een afspraak voor de week erop. Het voelde tegelijk snel en veel te laat.

Thuis opende ik onze bankapp. Huur. Energie. Zorgverzekering. Boodschappen. Ik rekende mijn loon zonder toeslag uit. Daarna rekende ik opnieuw, alsof een andere volgorde meer geld zou opleveren.

Sanne kwam naast me staan.

‘We moeten weten wat kan,’ zei ze.

‘Zonder nachten redden we het niet.’

‘Met deze nachten ook niet.’

We maakten een lijst. Geen vakantie. Het sportabonnement dat ik nauwelijks gebruikte stopzetten. Kijken naar toeslagen. Niet meteen de zwemles van Sem schrappen. Daar zette Sanne een streep onder.

Om acht uur bracht ik hem naar bed. Hij schoof op, zodat ik op de rand kon zitten.

‘Ben je morgen wakker?’ vroeg hij.

‘Bij het ontbijt wel.’

Hij dacht even na.

‘Dan zal ik je melk niet op je brood doen.’

Ik lachte. Daarna huilde ik. Zacht, met mijn hand voor mijn gezicht.

Sem legde zijn knuffel tegen mijn arm. Ik zei dat hij niets hoefde op te lossen. Ik bleef zitten tot hij sliep.

Hoofdstuk 4

Zwart op wit

De bedrijfsarts heette Lotte Smit. Haar spreekkamer lag in een kantoorgebouw naast station Haarlem Spaarnwoude. Ik had verwacht dat ze meteen naar mijn werkgever zou bellen. In plaats daarvan vroeg ze wat er gebeurde tussen zeven uur ’s ochtends en het begin van mijn volgende dienst.

Ik beschreef de kinderen, het schoolplein, de boodschappen en de middagen op de bank. Ze tekende een tijdlijn.

‘Waar zit je ononderbroken slaap?’

Ik wees naar een vak van drie uur. Daarna naar nog een klein vak.

Ze legde haar pen neer.

‘Je houdt dit niet veilig vol.’

Dat wist ik. Toch was het anders als iemand zonder boosheid hetzelfde zei.

We spraken lang. Over de vermoeidheid, mijn concentratie en de onrust zodra ik naar bed ging. Ze adviseerde voorlopig geen nachtdiensten en geen werk met rijdend materieel. Eerst herstel. Daarna voorzichtig opbouwen met passende taken overdag.

‘Krijgt René alles te lezen?’ vroeg ik.

‘Niet je medische verhaal. Wel mijn advies over wat je kunt en wat je nodig hebt voor je werk.’

Ik vroeg wat er met mijn toeslag gebeurde. Dat kon ze niet beantwoorden. Daarvoor moest ik mijn contract en de cao laten bekijken.

Bij de fietsenstalling belde ik Aisha. Zij gaf me het nummer van Farid, een vakbondsbestuurder die vaker op onze locatie kwam.

‘En Kevin?’ vroeg ik.

‘Nog thuis. Zijn hand is bont en blauw.’

‘Heeft hij mijn bericht gezien?’

‘Ja. Geef hem even tijd.’

Farid vroeg of ik mijn contract, loonstroken en roosters kon mailen. Ook de roosters die later waren aangepast.

‘Maak geen toezeggingen over geld voordat duidelijk is hoe het zit,’ zei hij. ‘En bewaar berichten over extra diensten.’

Ik had altijd gedacht dat een vakbond iets was voor mensen die graag vergaderden. Nu zat ik op de vloer naast de printer, op zoek naar de juiste kabel.

Twee dagen later had ik een gesprek met René en personeelsadviseur Judith. Ik nam een schrift mee. Sanne had op de eerste bladzijde drie vragen geschreven. Wat is passend werk? Hoe wordt het loon berekend? Wanneer kijken we opnieuw?

René schoof een rooster over tafel.

‘We hebben avondwerk. Van zes tot twee.’

Ik keek naar Judith.

‘Twee uur ’s nachts.’

‘Een stuk minder nacht,’ zei René.

‘Maar nog steeds nacht.’

Judith pakte het rooster terug. Ze las het advies van de bedrijfsarts nog eens.

‘Dit past daar nu niet bij.’

René tikte met zijn duim tegen zijn mok.

‘Overdag heb ik geen volledige plek.’

‘Ik vraag nu geen volledige plek,’ zei ik. ‘Ik vraag wat ik veilig kan doen.’

Mijn stem bleef overeind. Dat verbaasde me.

Er kwam een voorstel voor voorraadcontrole. Eerst enkele korte ochtenden, zodra de bedrijfsarts dat verantwoord vond. Administratie, tellijsten en retourbonnen. Geen pallettruck. Judith zou de loonberekening schriftelijk toelichten.

Daarna begon René over het ongeval.

‘Je moet wel verantwoordelijkheid nemen.’

Ik voelde mijn nek warm worden.

‘Dat doe ik. Daarom zit ik hier.’

Ik schoof een kopie van mijn eigen verslag naar hem toe. De ontbrekende collega’s stonden erin. Mijn vermoeidheid ook. En dat ik Kevin niet had gezien. Ik had niets weggelaten wat mij slecht uitkwam.

‘Ik wil dat dit bij de melding komt.’

Judith nam het aan.

Thuis vond ik een brief van school. Mila speelde mee in een voorstelling. Donderdag om half twee. Ik zette het in mijn telefoon. Meteen daarna voelde ik de oude rekensom beginnen. Hoeveel slaap kostte dat? Kon ik nog een uur eerder liggen?

Ik hoefde donderdag niet te werken.

Toch bleef ik naar de tijd kijken.

Herstellen bleek niet hetzelfde als vrij zijn. Ik schrok van de deurbel. Ik werd om twee uur ’s nachts wakker met het gevoel dat ik te laat was. Overdag was ik moe en tegelijk te onrustig om stil te zitten.

Sanne vond me op een middag in de schuur. Ik sorteerde schroeven in jampotten.

‘Moet dat nu?’

‘Dan doe ik tenminste iets.’

Ze ging op de omgekeerde verfemmer zitten.

‘Je hoeft je aanwezigheid niet te verdienen.’

Ik draaide een schroef tussen mijn vingers. Ik vond het een mooie gedachte. Ik geloofde haar nog niet.

Die avond kwam er een bericht van Kevin.

Geen breuk. Wel gedoe. Kunnen we koffie drinken?

Ik las het drie keer voordat ik antwoordde.

Hoofdstuk 5

De rekening

Kevin koos een snackbar aan de Generaal Cronjéstraat. Hij bestelde koffie en een broodje kroket. Zijn hand zat niet meer in verband. Twee vingers waren nog dik.

‘Ik kan mijn controller weer vasthouden,’ zei hij. ‘Dus het belangrijkste werkt.’

Ik lachte niet. Hij trok zijn wenkbrauwen op.

‘Je mag best lachen.’

Ik keek naar zijn hand.

‘Het spijt me.’

‘Dat had je al geappt.’

‘Ik wil het ook zeggen.’

Hij legde zijn gezonde hand om zijn beker.

‘Ik was kwaad. Ben ik soms nog. Ik stond daar gewoon te werken.’

‘Weet ik.’

‘Nee, laat me even.’

Ik hield mijn mond.

Hij vertelde over de pijn, het wachten op telefoontjes en zijn angst dat het uitzendbureau hem niet meer zou inzetten. Er waren diensten weggevallen. Hij wist nog niet hoe die betaald werden. De kamer in Beverwijk was inmiddels vergeven.

Ik had gehoopt op vergiffenis. Hij had duidelijkheid over zijn inkomen nodig.

‘Ik heb iemand van de vakbond gesproken,’ zei ik. ‘Zal ik je zijn nummer sturen?’

‘Ja. Maar geen gedoe namens mij zonder dat ik het weet.’

‘Beloofd.’

Toen we opstonden, zei hij dat ik hem niet steeds moest vragen of alles goed was. Hij zou het zelf vertellen.

Buiten fietste hij voorzichtig weg. Ik bleef staan tot hij de hoek om was. Daarna voelde ik me betrapt op iets wat hij net had verboden.

Mijn eerste ochtend terug begon om negen uur. De hal rook hetzelfde. Karton, diesel bij de laadkuil en schoonmaakmiddel. Toch leek het een ander bedrijf. Er liepen mensen in gewone schoenen. Iemand van kantoor vroeg of ik de koffieautomaat kon aanwijzen.

René was naar huis. Mijn tijdelijke aanspreekpunt was Cora, van voorraadbeheer. Ze gaf me een bureau naast een kast met beschadigde scanners.

‘Je werkt drie uur. Niet drie uur en nog even dit.’

Ze zei het zonder zachtheid. Dat hielp.

Ik controleerde retourbonnen. Een supermarkt in Hoofddorp had twaalf kratten teruggestuurd. In het systeem stonden er eenentwintig. Ik zocht de vrachtbrief, belde de winkel en corrigeerde het aantal. Een klein probleem. Af. Niemand gewond.

Na twee uur trilden mijn handen. Ik schaamde me toen ik om pauze vroeg.

Cora keek op de klok.

‘Je hoeft geen toestemming te vragen voor wat we hebben afgesproken.’

Thuis sliep ik anderhalf uur. Daarna haalde ik de kinderen. Bij het hek stond een vader die ik van gezicht kende.

‘Lekker, overdag thuis,’ zei hij.

‘Ik ben aan het re-integreren.’

Hij knikte, maar vroeg meteen of ik bij de volgende studiedag drie kinderen extra kon opvangen.

Ik zei dat ik erover zou nadenken. Pas op de fiets werd ik boos op mezelf. Thuis stuurde ik een bericht. Het ging niet lukken.

Die middag kwam ook de loonberekening. Judith had uitgelegd welke onderdelen voorlopig doorliepen en wat een definitieve overstap kon betekenen. Farid keek mee. Het directe verlies was kleiner dan ik had gevreesd. Op langere termijn bleef er een flink gat.

Sanne en ik gingen met onze papieren naar het sociaal wijkteam. Ik voelde me oud en onhandig met mijn map op schoot. De medewerker, Rachid, vroeg niet waarom we geen buffer hadden. Hij keek wat er binnenkwam, wat eruit ging en welke regelingen mogelijk waren.

Niet overal kwamen we voor in aanmerking. Dat viel tegen. Wel ontdekten we een fout in een voorschot en konden we een rekening gespreid betalen. Geen redding. Een beetje ruimte.

Sanne vroeg bij haar werk om één vaste extra middag. Dat kon, maar pas na de zomer. We zouden dan opnieuw opvang moeten regelen.

‘Dus jij werkt meer omdat ik minder kan,’ zei ik.

‘Nee. We gaan anders verdelen.’

‘Dat klinkt mooier.’

‘Het is ook iets anders.’

We maakten afspraken die klein genoeg waren om te controleren. Ik kookte op mijn vrije dagen. Zij deed de woensdagmiddag. Zaterdag bespraken we de komende week. Niet ’s avonds als we allebei leeg waren.

De eerste zaterdag vergat ik het. Sanne zat met haar agenda terwijl ik bij de bouwmarkt stond.

Ze belde.

‘Dit bedoel ik dus.’

Ik wilde zeggen dat ik alleen een lamp kwam halen. In plaats daarvan legde ik hem terug.

‘Ik kom naar huis.’

Er was geen applaus toen ik binnenkwam. Ze schoof de agenda naar het midden van de tafel. We begonnen.

Hoofdstuk 6

De stemronde

Na zes weken werkte ik vier ochtenden van vier uur. De opbouw ging langzamer dan ik wilde. Op goede dagen dacht ik dat ik alles weer kon. Op slechte dagen vergat ik waarom ik naar de keuken was gelopen.

De bedrijfsarts vroeg naar beide soorten dagen. Ik vertelde meestal eerst over de goede. Ze wachtte dan even. Inmiddels wist ik waarom.

Op een dinsdag lag er een uitnodiging in mijn werkmail. Overleg over veilig werken, bezetting en roosters. Aisha had samen met een lid van de ondernemingsraad aangedrongen op dat gesprek. Mijn incident was niet het enige. Een chauffeur had een magazijnmedewerker op het laatste moment zien oversteken. Er was ook een pallet gekanteld tijdens een verlengde dienst.

René vroeg of ik wilde aansluiten.

‘Jij hebt er nogal een punt van gemaakt.’

Ik legde mijn pen neer.

‘Wil je dat ik kom of niet?’

Hij keek even weg.

‘Ja. Kom maar.’

De avond voor het overleg kreeg ik buikpijn. Ik zat aan de rand van het bed en las mijn verslag opnieuw. Sanne stond bij de kledingkast.

‘Je hoeft niet namens alle nachtwerkers te praten,’ zei ze.

‘Als ik alleen over mezelf praat, zeggen ze dat het thuis fout zat.’

‘Het zat thuis ook fout.’

Ik keek op.

‘Maar niet alleen thuis,’ voegde ze eraan toe.

Dat was precies het lastige. Ik wilde geen excuus maken van mijn gezin. Ik wilde ook niet doen alsof personeelstekort en extra diensten niets hadden betekend.

We zaten met negen mensen in de vergaderruimte. Op tafel lagen voorverpakte koeken. De vestigingsmanager, Peter, begon over betrokkenheid. Daarna verscheen er een grafiek op het scherm. Productiviteit per gewerkt uur.

Aisha stak haar hand op.

‘Kunnen we beginnen met veiligheid? Daarvoor zijn we hier.’

Peter klikte naar de volgende dia.

Ik vertelde over de ochtend bij het verkeerslicht. Over drie uur slaap. Over Kevin. Mijn mond werd droog toen ik zijn naam zei.

‘Ik heb die truck bestuurd,’ zei ik. ‘Ik had me eerder moeten melden. Maar ik wil ook weten waarom we steeds met minder mensen hetzelfde werk moeten afmaken.’

René schoof naar voren.

‘Iedereen kan aangeven dat het niet gaat.’

Aisha keek hem aan.

‘En wat zeg jij dan?’

Hij antwoordde niet meteen.

Ik dacht aan zijn stem aan de telefoon. We zitten al krap. Ik zei het hardop.

‘Dat zei je toen ik me ziekmeldde.’

‘Omdat het zo was.’

‘Dat begrijp ik. Maar daardoor klinkt melden alsof je je collega’s laat vallen.’

De veiligheidsmedewerker schreef iets op. Een man van planning vroeg hoe hij diensten moest vullen als mensen op het laatste moment uitvielen.

‘Dat is een echte vraag,’ zei Aisha. ‘Maar geen reden om vermoeidheid te verbergen.’

Het gesprek duurde bijna twee uur. Niemand beloofde extra personeel voor elke nacht. Daar was volgens Peter geen budget voor. Wel kwamen er afspraken over het melden van vermoeidheid, het registreren van uitloop en het onderzoeken van bijna-ongevallen. De beschadigde belijning zou opnieuw worden aangebracht. Er kwam een proef waarbij gaten niet automatisch met langere diensten werden gevuld.

Ik vroeg wie zou controleren of dat gebeurde.

De man van de ondernemingsraad zette een datum in zijn agenda. Over acht weken zouden we opnieuw bij elkaar zitten.

Buiten gaf Aisha me een koek die ze had meegenomen.

‘Je was duidelijk.’

‘Er zijn nog steeds te weinig mensen.’

‘Ja.’

We bleven even naast de fietsenrekken staan. Dat zij het niet mooier maakte, luchtte op.

Die middag kwam een ander bericht. Er was geen blijvende plek voor mij in voorraadbeheer op de uren die ik nu werkte. Mijn herstelwerk mocht doorgaan, maar daarna moesten we verder kijken.

Ik las de mail in de kleedkamer van Sems zwemles. Om mij heen trokken ouders natte sokken van kindervoeten. Sem kwam met zijn handdoek als cape naar me toe.

‘Heb je gekeken naar mijn duik?’

Ik had naar mijn telefoon gekeken.

‘Nee,’ zei ik. ‘Sorry.’

Zijn gezicht betrok.

Ik stopte de telefoon in mijn tas.

‘Vertel hem eens.’

‘Dat kan niet. Een duik moet je zien.’

Hij had gelijk.

Thuis stuurde ik Cora een bericht. Of ze met me wilde meedenken over ander werk, binnen of buiten het bedrijf. Daarna legde ik mijn telefoon in een la.

Sem liet op het vloerkleed zien hoe zijn armen hadden gestaan. Ik bleef kijken.

Hoofdstuk 7

Een vaste ochtend

Het gesprek bij de technische groothandel in de Cruquius duurde veertig minuten. Ik kende het bedrijf niet. Cora had er ooit gewerkt en wist dat ze iemand zochten voor de balie en voorraadadministratie.

De eigenaar heette Esther. Ze liep met me door het magazijn. Kleiner dan onze hal. Geen laadkuil vol wachtende chauffeurs. Wel telefoons die bleven gaan en een installateur die ongeduldig op een onderdeel tikte.

‘Rustig is het hier niet,’ zei ze.

‘Dat zoek ik ook niet. Ik zoek vaste uren.’

De functie begon om acht uur. Vier dagen per week. Soms een zaterdagmorgen, vooraf ingeroosterd. Het salaris lag lager dan mijn oude loon met nachten. Niet een beetje lager. Dat rekende ik thuis nog eens na.

Ik vertelde dat ik terugkwam na een periode van uitval. Niet ieder detail. Wel dat ik mijn belastbaarheid zorgvuldig opbouwde en geen nachten meer wilde werken.

Esther vroeg wat ik nodig had om goed te beginnen.

Niemand had die vraag bij mijn eerste baan gesteld.

We bespraken een meeloopmoment en daarna een mogelijke start. Ik liet de afspraken eerst bekijken. Ook het vertrek bij mijn oude werkgever regelde ik niet met een snelle handtekening. Farid las mee. De bedrijfsarts keek naar de overgang en mijn opbouw.

Het duurde langer dan ik hoopte. In die weken werd ik soms weer kortaf. Eén avond riep ik tegen Mila omdat haar sporttas voor de deur lag. Veel te hard. Ze schrok en liep naar boven.

Vroeger had ik gewacht tot het vanzelf overwaaide. Nu klopte ik op haar deur.

‘Die tas moet weg. Maar ik had niet zo tegen je mogen doen.’

Ze bleef naar haar schrift kijken.

‘Je zegt vaak sorry.’

‘Weet ik.’

‘Doe dan minder.’

Ik knikte. Daar was weinig tegenin te brengen.

Aan het eind van de zomer begon ik bij Esther. De eerste maand sliep ik na een werkdag nog geregeld een halfuur. Ik zette een wekker. Niet omdat een halfuur alles oploste, maar omdat ik anders de avond weer kwijt was. Bij de huisarts besprak ik hoe het ging. Ik bleef mijn grenzen soms pas voelen nadat ik eroverheen was gegaan.

Sanne kreeg haar extra middag. Mijn moeder haalde op die dag de kinderen van school. Dat ging niet elke week vanzelf. Ze had haar eigen afspraken. We hielden daarom wat geld apart voor opvang. Minder dan vroeger, maar wel bewust.

We verkochten de stationwagen. De opbrengst was lager dan ik wilde. Toch scheelde het vaste lasten. Ik fietste naar mijn werk. Bij harde regen vervloekte ik die keuze. Dan kwam ik met natte sokken binnen en hing Esther een oude handdoek over mijn stoel.

We gingen dat jaar niet op vakantie. De kinderen vonden dat stom. Ik probeerde het niet te verkopen als een avontuur in eigen land. Het was gewoon jammer. We gingen een dag naar IJmuiden en namen broodjes mee. Mila wilde friet. We kochten twee grote porties om te delen.

Op een vrijdag kwam Kevin langs bij de groothandel. Hij werkte inmiddels bij een installatiebedrijf. Via via was hij daar binnengekomen. Hij had een lijst onderdelen en wist precies waar hij het over had.

‘Hand?’ vroeg ik.

Hij bewoog zijn vingers.

‘Soms stijf. Gaat.’

Ik knikte. Ik vroeg niet verder.

Toen ik zijn bestelling op de balie zette, zei hij: ‘Je ziet er minder beroerd uit.’

‘Bedankt, denk ik.’

Deze keer lachte ik wel.

Aisha stuurde af en toe nieuws. De nieuwe belijning lag er. Uitloop werd beter bijgehouden. De proef met de roosters was deels aangepast, deels doorgezet. Het personeelstekort was niet verdwenen. René werkte nog steeds te veel uren. Ik was blij met wat veranderd was en boos over wat bleef liggen.

Op een zaterdagmorgen stond ik langs Sems voetbalveld in Haarlem-Noord. Hij rende achter de bal aan, miste hem en viel op zijn knieën. Hij keek meteen naar de zijlijn.

Ik stak mijn duim op. Hij stond zelf weer op.

Sanne kwam naast me staan met twee bekers koffie. Ze vroeg of ik vanmiddag de boodschappen kon doen. Ik zei ja en vroeg wanneer zij tijd voor zichzelf wilde. Ze dacht even na. Dat nadenken mocht er nu zijn.

Mila stuurde een bericht. Of een vriendin kon blijven eten. Ik antwoordde dat het goed was, als ze samen de tafel dekten.

De wedstrijd ging verder. Ik was moe van de week. Niet kapot. Niet bang om naar huis te rijden. Gewoon moe.

Toen Sem scoorde, zag ik het.