Werk en maatschappij
Ontslagen via een videogesprek
Hoofdstuk 1
Ontslagen via een videogesprek
Om negen uur twaalf verdween mijn naam uit het rooster. Ik zat aan de keukentafel met een boterham in mijn hand. Op het scherm stonden de namen van mijn collega’s nog wel. Naast mijn dossiers verschenen ineens andere initialen.
Toen kwam de uitnodiging.
‘Even bijpraten.’ Tien minuten. Van mijn manager, Mark. Personeelszaken stond erbij.
Ik legde mijn boterham terug. Mijn dochter Noor had er voor haar vertrek naar school een hoek uit gegeten. Haar gymtas stond nog onder de stoel. Buiten reed een vuilniswagen door onze straat in Amersfoort. De mannen riepen iets naar elkaar. Ik hoorde het allemaal veel te scherp.
Ik heette op dat moment nog gewoon Eva van Dijk, senior planner bij Velders Service. Tweeënveertig jaar. Negen jaar in dienst. Vast contract. Ik wist welke monteur op dinsdag zijn kinderen ophaalde en welke woningcorporatie na drie minuten wachten al begon te bellen.
Om tien uur was ik boventallig.
Mark zat in een vergaderruimte op kantoor in Utrecht. Achter hem hing het bord waarop we vorige maand onze nieuwe werkverdeling hadden getekend. Mijn handschrift stond er nog op.
‘Fijn dat je even kon aansluiten, Eva.’
‘Wat is er met mijn rooster gebeurd?’
Hij keek naast zijn camera. Daar zat blijkbaar iemand die ik niet zag.
‘Daar komen we zo op.’
Nienke van personeelszaken verscheen in een tweede vakje. Ze droeg een koptelefoon. Ik kende haar vooral van berichten over fietsregelingen en vitaliteitsweken.
‘We hebben geen prettige boodschap,’ zei ze.
Ik schoof mijn stoel dichter naar de tafel.
Mark vertelde dat de planning voortaan centraal zou worden aangestuurd. Er kwam nieuwe software. Mijn functie verviel. Het besluit stond vast. Hij zei het in zinnen die bij elkaar hoorden, maar die hij duidelijk niet zelf had bedacht.
‘Ben ik ontslagen?’ vroeg ik.
‘We nemen afscheid van jouw rol.’
‘Dat vraag ik niet.’
Nienke nam het over. Ik zou een voorstel ontvangen voor beëindiging met wederzijds goedvinden. Tot die tijd werd ik vrijgesteld van werk, met behoud van salaris. De laptop zou worden opgehaald.
‘Wanneer?’
‘Morgen, als dat schikt.’
Ik keek naar de sticker naast het toetsenbord. Noor had die erop geplakt toen ze acht was. Een scheve groene kikker. Ze was nu elf.
‘En mijn mensen?’
‘Het team wordt straks geïnformeerd,’ zei Mark.
‘Door wie?’
‘Door mij.’
Ik zag een melding oplichten. Mijn verbinding met de werkomgeving werd verbroken. Daarna nog een. Mijn mailbox vroeg opnieuw om een wachtwoord.
‘Mijn toegang is weg.’
Nienke knikte. ‘Dat is de standaardprocedure.’
‘Denken jullie dat ik iets ga stelen?’
‘Nee, natuurlijk niet.’
‘Waarom gebeurt het dan terwijl ik hier nog zit?’
Mark streek met zijn hand over zijn mond. Hij zei niets.
Ik wilde boos worden. In plaats daarvan vroeg ik of de storing aan de ketels in Nieuwegein al was opgelost. Er zaten sinds gisteren achttien bewoners zonder warm water. Een monteur had onderdelen nodig.
‘Dat wordt opgepakt,’ zei hij.
Ik geloofde hem niet. Daar schaamde ik me later voor. Niet omdat ik ongelijk had, maar omdat ik zelfs toen nog probeerde mijn werk goed achter te laten.
Nienke vroeg of er iemand bij mij thuis was.
‘Nee.’
‘Misschien kun je straks iemand bellen.’
Ze zei het vriendelijk. Toch klonk het alsof ik na dit gesprek niet meer alleen vertrouwd kon worden.
Toen de verbinding stopte, zag ik mijn eigen gezicht in het zwarte scherm. Mijn mond stond open. Ik deed hem dicht.
De overeenkomst kwam op mijn privéadres binnen. Acht pagina’s. Onder aan de begeleidende mail stond dat ze graag uiterlijk vrijdag een handtekening ontvingen. Het was dinsdag.
Ik belde mijn zus Sanne. Ze nam op tussen twee afspraken in het ziekenhuis waar ze werkte.
‘Kun je praten?’ vroeg ik.
‘Twee minuten. Wat is er?’
‘Ik ben mijn baan kwijt.’
Ze zei eerst niets. Toen hoorde ik een deur dichtgaan.
‘Vertel.’
Ik vertelde over Mark, de verdwenen namen, de laptop. Halverwege begon ik te huilen. Niet hard. Het was vervelender dan dat. Ik kon steeds geen lucht vinden voor het volgende woord.
‘Teken vandaag niets,’ zei Sanne.
‘Ze willen het vrijdag hebben.’
‘Dan willen ze dat maar.’
Om kwart over drie hoorde ik Noors sleutel. Ik had de hele middag aan tafel gezeten. De boterham lag er nog.
‘Ben je vroeg klaar?’ vroeg ze.
Ik klapte de laptop dicht.
‘Nee,’ zei ik. ‘Er is iets gebeurd op mijn werk.’
Hoofdstuk 2
Niet tekenen
Noor bleef met haar jas aan staan. Ze keek naar mijn gezicht en daarna naar de tafel.
‘Heb je ruzie gehad?’
‘Nee. Mijn baan verdwijnt.’
‘Maar je moet morgen toch werken?’
‘Morgen niet.’
Ze trok langzaam haar jas uit. Ik vertelde dat mijn salaris voorlopig doorging. Dat zij gewoon naar school kon. Dat haar vader en ik nog steeds dezelfde afspraken hadden. Ik gaf antwoord op vragen die ze nog niet had gesteld.
‘Gaan we verhuizen?’ vroeg ze.
‘Dat weet ik niet. Niet nu.’
Ik wilde nee zeggen. Het woord lag klaar. Maar ik had haar na de scheiding beloofd dat ik geen geruststellende dingen zou zeggen die ik niet zeker wist.
Die avond kwam Sanne met een pan nasi. Ze schoof de overeenkomst naast haar bord en las. Ik ruimde ondertussen drie keer hetzelfde stuk aanrecht op.
‘Hier staat dat jij verklaart voldoende gelegenheid te hebben gehad om advies in te winnen,’ zei ze.
‘Dat heb ik niet.’
‘Precies.’
Ook stond erin dat ik afzag van verdere aanspraken. Mijn concurrentiebeding bleef gelden. De voorgestelde einddatum was over zes weken. Ik had geen idee of dat klopte.
‘Ik wil geen rechtszaak,’ zei ik.
‘Advies vragen is geen rechtszaak.’
Via mijn rechtsbijstandsverzekering kreeg ik een jurist. Ze heette Farah El Idrissi. Donderdagochtend belde ze. Ik zat alweer aan de keukentafel, nu met een schrift voor me.
‘Eerst iets belangrijks,’ zei ze. ‘Dat gesprek heeft je arbeidsovereenkomst niet beëindigd. Je bent nog in dienst.’
Ik schreef het letterlijk op.
‘Maar mijn toegang is weg.’
‘Dat voelt definitief. Juridisch is dat iets anders.’
Ze vroeg naar mijn contract, loonstroken en beoordelingen. Mijn contract lag in een map boven. De beoordelingen stonden in het systeem waar ik niet meer in kon. Op mijn telefoon vond ik nog een mail van Mark. Drie maanden oud. Hij bedankte me voor mijn inzet tijdens de winterdrukte.
Ik stuurde alleen stukken die over mijn eigen dienstverband gingen. Farah vroeg om een tijdlijn. Geen vermoedens. Data, gesprekken, documenten.
Toen we ophingen, belde de koerier aan voor de laptop.
Hij was jong en droeg een oranje regenjas. Hij keek op zijn scanner.
‘Eén computer, één oplader.’
‘Ik moet nog een sticker eraf halen.’
Hij wachtte terwijl ik met mijn nagel onder de kikker peuterde. Het papier scheurde. Er bleef een groen pootje zitten.
‘Laat maar,’ zei ik.
Hij gaf me een ontvangstbewijs. Voor hem was het een gewone donderdag. Dat vond ik even ondraaglijk.
Later belde mijn collega Bas. Zijn stem klonk zacht.
‘Ik zit in de auto.’
‘Mag je niet bellen?’
‘Jawel. Denk ik.’
Het team had gehoord dat ik vertrok vanwege een verschil in toekomstvisie. Ik ging rechtop zitten.
‘Dat hebben ze gezegd?’
‘Mark zei dat jullie er samen uit gingen komen.’
‘Ik heb nergens mee ingestemd.’
Bas vloekte. Daarna vertelde hij dat mijn taken verdeeld waren over drie planners. De software was nog niet klaar. Een uitzendkracht zou voorlopig blijven.
Ik wilde hem meteen vragen alles op papier te zetten. Maar ik hoorde hoe hij ademhaalde. Hij had net een huis gekocht in Leusden. Zijn vrouw was zwanger.
‘Je hoeft niets voor me te riskeren,’ zei ik.
‘Ik wil wel helpen.’
‘Denk eerst na over wat je kunt bevestigen.’
Farah bleef voorzichtig toen ik haar belde. Dat mijn taken bleven bestaan, betekende niet automatisch dat mijn functie niet kon vervallen. Wel wilde ze weten hoe de werkgever tot de keuze was gekomen. En of er serieus naar ander werk binnen het bedrijf was gekeken.
Ze stuurde een brief. Daarin stond dat ik beschikbaar bleef voor werk en nog niet instemde met beëindiging. Ze vroeg om onderbouwing. Ook meldde ze dat de gestelde termijn te kort was voor zorgvuldig overleg.
Vrijdag om vier uur belde Mark.
‘Ik vind het jammer dat dit nu juridisch wordt.’
Ik liep naar de woonkamer. Noor zat boven huiswerk te maken.
‘Jullie hebben mij een juridisch document gestuurd.’
‘We wilden het netjes oplossen.’
‘Daarom laat ik het controleren.’
Hij zuchtte. Vroeger zou ik die zucht hebben proberen weg te nemen. Ik zou iets vriendelijks hebben gezegd. Dat ik begreep hoe lastig het voor hem was.
Nu bleef ik stil.
Na een paar seconden zei hij dat verdere communicatie via personeelszaken zou lopen.
‘Dat lijkt me goed,’ zei ik.
Mijn hand trilde toen ik ophing. Maar ik had niets toegezegd.
Hoofdstuk 3
De lege uren
Op maandag zette ik de wekker om half zeven. Er was geen reden voor. Toch stond ik op, douchte en trok de blauwe blouse aan die ik meestal op kantoor droeg.
Noor keek op van haar ontbijt.
‘Moet je toch werken?’
‘Nee. Ik ga dingen regelen.’
Dat klonk beter dan: ik weet niet hoe ik deze dag doorkom.
Na haar vertrek opende ik mijn bankrekening. Ik maakte drie kolommen op papier. Huur. Vaste lasten. Overig. Mijn salaris was die maand normaal gestort, maar ik rekende alsof het al verdwenen was.
De huur was negenhonderdtachtig euro. Daar kwamen energie, verzekeringen en boodschappen bij. Noors vader Jeroen betaalde zijn afgesproken bijdrage. We waren geen vijanden, maar we hadden allebei weinig ruimte.
Ik belde hem toch.
‘Waarom hoor ik dit nu pas?’ vroeg hij.
‘Omdat ik het eerst zelf moest begrijpen.’
‘Kan ik Noor een paar dagen extra nemen?’
‘Ze is geen kostenpost die je tijdelijk overneemt.’
Het werd stil.
‘Zo bedoelde ik het niet, Eva.’
Ik kneep mijn ogen dicht. ‘Dat weet ik. Sorry.’
Hij bood aan de volgende rekening van de orthodontist voor te schieten. Ik zei dat ik erover zou nadenken. Daarna schaamde ik me dat ik geen dankjewel had gezegd.
Mijn dagen kregen vreemde vormen. Een uur kon verdwijnen terwijl ik vacatures bekeek. Daarna duurden tien minuten tot de wasmachine klaar was eindeloos. Ik miste zelfs de berichten waar ik vroeger van zuchtte.
Bij de bakker vroeg de vrouw achter de toonbank of ik een vrije dag had.
‘Ja,’ zei ik.
Buiten bleef ik staan met twee broden in een zak. Ik had negen jaar complexe storingsroosters gemaakt, maar ik durfde niet te zeggen dat ik zonder werk zat.
Op woensdag ging ik naar de bibliotheek aan het Eemplein. Thuis hoorde ik alleen de koelkast. Ik nam mijn eigen oude laptop mee. Het ding blies hard zodra ik meer dan drie tabbladen opende.
Naast mij zat een man met een map diploma’s. Hij drukte steeds opnieuw op dezelfde toets.
‘Weet jij hoe je dit kleiner krijgt?’ vroeg hij.
Zijn cv was vier pagina’s lang. Hij heette Henk en had bij een drukkerij gewerkt. We kregen het teruggebracht tot twee pagina’s. Daarna vroeg hij wat ik zocht.
‘Planning. Bedrijfsvoering. Iets met organiseren.’
‘Waarom ben je weg?’
Ik voelde mijn gezicht warm worden.
‘Reorganisatie.’
Hij knikte. Geen medelijden. Geen vraag naar wat ik verkeerd had gedaan.
‘Bij mij ook.’
We dronken koffie uit kartonnen bekers. Henk vertelde dat hij thuis deed alsof hij veel sollicitatiegesprekken had. Hij zat vaak gewoon hier.
‘Mijn vrouw wordt anders bezorgd.’
‘Ze is waarschijnlijk al bezorgd,’ zei ik.
‘Ja. Dat zal wel.’
Voor het eerst sinds het videogesprek lachte ik zonder moeite.
Die middag kwam de onderbouwing van Velders Service. Farah belde me erover. Er waren volgens het bedrijf kostenbesparingen nodig. Mijn functie werd samengevoegd met werkzaamheden van de teamleider. Andere functies zouden niet passend zijn.
‘Hebben ze die andere functies met je besproken?’ vroeg Farah.
‘Nee.’
‘Heb je ooit een aanbod voor scholing gekregen?’
‘Alleen een verplichte cursus over gegevensbescherming.’
Ze zei dat er vragen overbleven. Ze zei niet dat we zouden winnen. Dat vond ik irritant en prettig tegelijk.
Een paar dagen later maakte ik een fout. Ik opende ’s avonds de website van het bedrijf. Ik wilde alleen kijken of mijn foto nog op de teampagina stond.
Die was weg.
Daarna klikte ik op vacatures.
‘Coördinator servicestromen.’ Standplaats Utrecht. Tweeëndertig tot veertig uur. Ervaring met monteursplanning. Contact met woningcorporaties. Bewaken van spoedmeldingen.
Ik las de tekst drie keer.
Onder ‘jouw werkzaamheden’ stond een zin die ik zelf ooit had geschreven voor onze interne werkinstructie.
Ik maakte een schermafbeelding met de datum zichtbaar en stuurde de link naar Farah. Daarna liep ik naar boven. Noor sliep met een boek naast haar hoofd.
Ik deed haar lamp uit en bleef in de deuropening staan.
Beneden lag mijn schrift open. Tot dan toe had ik vooral opgeschreven wat anderen zeiden. Ik pakte een pen en schreef voor het eerst een eigen vraag op.
Waarom is dit werk wel nodig, maar ik niet?
Hoofdstuk 4
Aan dezelfde tafel
Farah vergeleek de vacature met mijn functieomschrijving. Ze markeerde overeenkomsten en verschillen. De nieuwe coördinator moest ook gegevens analyseren en rapporteren aan het management.
‘Dat deed ik al,’ zei ik.
‘Kun je dat aantonen?’
Ik vond twee presentaties in mijn persoonlijke opleidingsmap. Geen klantenlijsten, geen bedrijfsbestanden die ik nog snel had meegenomen. Gewoon opdrachten van een cursus die mijn werkgever had betaald. Mijn eindproject ging over terugkerende storingen en personeelsbezetting.
Farah stuurde aanvullende vragen. Een week later nodigde het bedrijf ons uit voor overleg. Dit keer op kantoor.
Ik sliep de nacht ervoor nauwelijks. Om vijf uur ging ik naar beneden en streek mijn blouse. Daarna hing ik hem terug. Ik trok een trui aan. Ik hoefde niet te solliciteren naar mijn eigen fatsoen.
Bij de ingang in Utrecht werkte mijn pas niet meer. Ik had hem uit gewoonte tegen de lezer gehouden. De receptioniste, Esther, zag het.
‘Ik doe wel open.’
Ze kwam achter haar balie vandaan en raakte even mijn arm aan.
‘Koffie?’
‘Graag.’
Mijn stem klonk normaal. Daar was ik blij mee.
Farah kwam met de trein en liep even later binnen. Ze had een dunne map bij zich. Ik had een tas vol papieren. Zij keek naar mijn tas.
‘We hoeven niet alles vandaag te bewijzen,’ zei ze zacht.
In de vergaderruimte zaten Mark en Nienke. Aan de muur hing nog hetzelfde bord. Mijn aantekeningen waren uitgeveegd.
Nienke begon over een zorgvuldig proces. Farah vroeg wanneer ik betrokken was geweest bij onderzoek naar ander passend werk. Nienke keek naar haar laptop.
‘Er is intern een beoordeling gemaakt.’
‘Door wie?’
‘Door het management.’
‘Zonder gesprek met mevrouw Van Dijk?’
Mark schoof naar voren.
‘Eva is uitstekend in de dagelijkse operatie. De nieuwe richting vraagt iets anders.’
‘Wat dan?’ vroeg ik.
‘Meer afstand. Meer overzicht.’
Ik voelde de bekende neiging om harder mijn best te doen. Om snel drie voorbeelden te geven waarmee hij tevreden zou zijn. Ik legde mijn handen plat op tafel.
‘In december vroeg je mij de achterstanden te analyseren. Mijn voorstel heeft de zaterdagdiensten verminderd. Dat noemde je toen overzicht.’
‘Dat staat niet ter discussie.’
‘Nu wel.’
Farah schoof de vacature naar het midden. Ze vroeg of ik voor die functie was beoordeeld. Het antwoord bleef lang genoeg uit om duidelijk te zijn.
Toen zei Nienke dat de vacature mogelijk te vroeg was gepubliceerd.
‘Maar de functie bestaat?’ vroeg Farah.
‘Die is nog in ontwikkeling.’
We namen een pauze. Buiten bij de fietsenstalling at ik een mueslireep die ik niet proefde.
‘Ik wil terug,’ zei ik.
Farah wachtte.
‘Ik wil dat ze toegeven dat dit niet klopt.’
‘Dat is niet precies hetzelfde.’
Een bus reed voorbij. Ik keek naar de ramen van de tweede verdieping. Achter één daarvan zat Bas waarschijnlijk mijn oude dossiers af te handelen.
‘Als terugkeer je doel is, houden we dat vast,’ zei Farah. ‘Maar bedenk ook onder welke omstandigheden je dan weer zou werken.’
Ik had daar steeds omheen gedacht. Ik zag mezelf al bij Mark zitten voor een beoordeling. Ik zag mezelf toestemming vragen voor een vrije middag. Ik zag hoe ik elk stil gesprek bij het koffieapparaat zou bekijken.
Na de pauze zei ik dat ik niet instemde met de manier waarop mijn vertrek was gebracht. Dat ik een fatsoenlijke regeling wilde bespreken, zonder te doen alsof het mijn eigen keuze was geweest.
Er volgden geen excuses. Wel kwam er beweging.
De onderhandelingen duurden daarna nog drie weken. Farah bewaakte de einddatum en de formulering rond het initiatief van de werkgever. Ze controleerde de opzegtermijn en legde uit dat UWV zelf over een eventuele uitkering zou beslissen. Het concurrentiebeding verviel. Er kwam een vergoeding, hoger dan het eerste voorstel, en een bijdrage voor juridisch advies.
Ook spraken we een neutrale referentie en een bericht aan het team af. Geen verschil in toekomstvisie. Mijn functie verviel door een reorganisatie. Ik had mij jarenlang ingezet voor de organisatie.
Ik tekende op een donderdagochtend. Farah had ook de wettelijke bedenktijd met me doorgenomen.
Daarna zette ik thee. Ik verwachtte opluchting. Die kwam maar gedeeltelijk.
Bas stuurde later een foto van een kaart met handtekeningen. Mijn collega’s hadden hem buiten de officiële route om rond laten gaan.
Onder zijn naam stond: ‘Nieuwegein is opgelost. Je had de juiste onderdelen besteld.’
Toen huilde ik wel hard.
Hoofdstuk 5
Weer beschikbaar
Mijn laatste officiële werkdag viel op een vrijdag. Niemand belde. Ik had daar zelf om gevraagd en was er toch boos over.
Op maandag begon een ander soort werk. Ik controleerde mijn aanvraag bij UWV, zette afspraken in mijn agenda en maakte een overzicht van sollicitaties. De ontslagvergoeding zette ik op een aparte spaarrekening. Niet aanraken zonder reden. Ik kende mezelf. Een volle rekening kon heel even op veiligheid lijken.
Mijn cv begon met ‘ervaren en betrokken professional’. Henk las het in de bibliotheek en trok een gezicht.
‘Wat betekent dat?’
‘Dat ik werk zoek.’
‘Zet dan wat je kunt.’
We schrapten de eerste alinea. Daarvoor in de plaats kwamen aantallen. Een planning voor zevenentwintig monteurs. Contact met zes woningcorporaties. Ervaring met spoed, bezetting en klachten.
Ik hielp hem daarna een brief korter te maken. We hadden ieder onze eigen tafel, maar meestal schoven we na een uur bij elkaar.
Mijn eerste sollicitatiegesprek was bij een technisch groothandelsbedrijf in Nijkerk. Ik kwam twintig minuten te vroeg. In de auto controleerde ik mijn kraag in de achteruitkijkspiegel.
De manager keek naar mijn cv.
‘Waarom ben je na negen jaar vertrokken?’
‘Mijn functie verviel bij een reorganisatie.’
‘En waarom juist jouw functie?’
Daar was de vraag waar ik bang voor was.
Ik vertelde te veel. Over de videogesprekken, de vacature, de jurist. Ik hoorde mezelf steeds sneller praten. De manager keek naar de klok.
Twee dagen later kreeg ik een afwijzing. Er was een kandidaat met een betere aansluiting.
Ik belde Sanne.
‘Ik heb het verpest.’
‘Misschien. Misschien ook niet.’
‘Dat helpt niet.’
‘Wat wil je dan dat ik zeg?’
Ik zweeg. Zij ook. We konden gelukkig steeds beter zwijgen zonder ruzie te krijgen.
Bij een volgend gesprek hield ik mijn antwoord kort. Reorganisatie. Mijn werk veranderde. Ik zocht een plek waar mijn ervaring met planning bruikbaar was. Het voelde eerst alsof ik iets achterhield. Later begreep ik dat een sollicitatiegesprek geen verhoor over mijn ontslag hoefde te zijn.
Toch kreeg ik afwijzingen. Voor een functie was ik te ervaren. Voor een andere miste ik een specifiek systeem. Een recruiter bood me een baan aan met wisselende avonddiensten in Almere. Toen ik vroeg naar vaste uren vanwege Noor, bleef het stil.
Na vijf weken zette ik de verwarming een graad lager. Ik zei twee abonnementen op. Noor vroeg of haar turnlessen moesten stoppen.
‘Die staan nog in de begroting,’ zei ik.
‘Maar als het moet, kan het.’
Ik legde mijn pen neer.
‘Het is lief dat je meedenkt. Maar jij hoeft dit niet op te lossen.’
Die avond belde ik Jeroen terug over de orthodontist. Ik nam zijn aanbod aan en schreef meteen op wat ik later zou terugbetalen. Hulp aannemen ging beter als ik er een bedrag en een datum bij kon zetten. Dat was niet altijd nodig, zei Sanne. Voor mij toen wel.
Via een oud-contact hoorde ik over een tijdelijke functie bij een organisatie voor hulpmiddelen in Soest. Ze leverden onder meer douchestoelen en rolstoelen aan mensen thuis. Hun planner was langdurig ziek. Ze zochten iemand voor zes maanden, vierentwintig uur per week.
Minder uren. Minder salaris. Geen zekerheid daarna.
Ik wilde de mail wegklikken. Toen las ik de werkzaamheden opnieuw. Routes plannen. Leveringen afstemmen. Problemen oplossen tussen magazijn, chauffeurs en cliënten.
Ik belde.
De leidinggevende heette Ilse. Ze stelde geen vraag over mijn ‘passie’. Ze vertelde dat twee chauffeurs niet met elkaar konden werken en dat hun planningssysteem vaak dubbele adressen aanmaakte.
‘Waarom vertel je dat nu al?’ vroeg ik.
‘Omdat je er anders maandag toch achter komt.’
We spraken af in het magazijn. Er stonden dozen, looprekken en koffiekopjes op een werkbank. Een chauffeur liep binnen met een beschadigde handgreep.
‘Weer verkeerd ingeladen,’ zei hij.
Ilse keek naar mij.
‘Hoe zou jij beginnen?’
Ik stelde vragen. Wie controleerde de lading? Wanneer werd een wijziging verwerkt? Kon de chauffeur zien welke versie van de route de laatste was?
Na twintig minuten was ik vergeten hoe mijn blouse zat.
Twee dagen later bood Ilse me het contract aan. Ik vroeg bedenktijd, controleerde de voorwaarden en liet bij UWV uitleggen hoe ik mijn inkomsten moest doorgeven.
Daarna belde ik terug.
‘Ik wil beginnen,’ zei ik.
Hoofdstuk 6
De eerste fout
Mijn nieuwe bureau stond tussen het magazijn en de kantine. Als iemand de deur open liet, rook ik koffie en rubberbanden. Ik kreeg een sleutel, een account en een korte uitleg over de nooduitgang.
‘Vandaag vooral meekijken,’ zei Ilse.
Om half tien keek ik al niet meer alleen mee. Chauffeur Mo had een lekke band bij Baarn. Een tweede chauffeur stond in Bunschoten voor een dichte deur. De cliënt was naar het ziekenhuis en niemand had de afspraak afgezegd.
Ik pakte een vel papier en tekende de routes uit.
‘Dat kan ook in het systeem,’ zei mijn collega Rachid.
‘Vast. Maar nog niet door mij.’
Hij grijnsde en schoof een telefoon naar me toe.
Aan het eind van de dag had ik hoofdpijn. Ik wist weer hoe vermoeidheid na werk voelde. Het was anders dan de vermoeidheid van wachten. Thuis at ik twee borden pasta en viel om negen uur op de bank in slaap.
De eerste weken ging ik te hard. Ik kwam vroeg en bleef laat. Als Ilse iets vroeg, zei ik ja voordat ze was uitgesproken. Ik controleerde mijn werkmail op mijn vrije woensdag.
Sanne zag het meteen.
‘Je hoeft ze niet elke dag te overtuigen dat ze je mogen houden.’
‘Ik heb maar zes maanden.’
‘Juist daarom kun je niet zes maanden op spanning leven.’
Ik zei dat het meeviel. Dat was niet waar.
Op donderdag in mijn vierde week zette ik een levering op het verkeerde adres. Het systeem had twee bijna identieke cliëntnamen. Ik koos de bovenste en controleerde het huisnummer niet.
Een douchestoel ging naar een man in Soesterberg die niets had besteld. De vrouw voor wie de stoel bestemd was, woonde in Soest. Haar dochter belde om kwart voor drie.
‘Mijn moeder komt over een uur thuis uit het ziekenhuis. Waar blijft dat ding?’
Ik zag de fout direct.
‘Ik heb het verkeerde adres geselecteerd,’ zei ik. ‘Ik ga nu regelen dat de stoel bij uw moeder komt.’
Mijn hart sloeg zo hard dat ik de eerste keer het nummer van Mo verkeerd intoetste.
Hij kon omrijden, maar dan zou een andere levering uitvallen. Rachid zocht uit of een collega die kon overnemen. Ik belde beide adressen. Om tien over vier stond de stoel goed.
De dochter bedankte me kort. Ze had haast. Ik vond niet dat ik recht had op meer.
Om kwart over vier kwam er een agenda-uitnodiging van Ilse.
‘Even afstemmen.’
Mijn handen werden koud.
Ik liep naar het toilet en sloot de deur. Op de tegels zat een barst die ik eerder niet had gezien. Ik keek ernaar terwijl ik langzaam probeerde uit te ademen.
Een uitnodiging was niet hetzelfde als ontslag. Ik wist het. Mijn lichaam deed alsof ik niets wist.
Bij Ilse ging ik op het randje van de stoel zitten.
‘Ik heb die fout gemaakt,’ zei ik meteen.
‘Dat weet ik.’
‘Ik kan uitleggen hoe het kwam.’
‘Graag. Dan kijken we hoe we het voorkomen.’
Ik wachtte op de rest. Er kwam geen personeelsadviseur binnen. Ilse draaide haar scherm naar me toe. Ze had de twee namen opgezocht.
‘Dit is vragen om verwarring,’ zei ze. ‘Maar de adrescontrole moet wel gebeuren.’
‘Ja.’
We spraken een extra controle af bij nieuwe aanvragen. Ik maakte een korte instructie. Rachid testte die de volgende ochtend en vond meteen een stap die onhandig was. We pasten hem aan.
Pas toen Ilse vroeg hoe het verder ging, begon ik te huilen. Ik baalde daar enorm van.
‘Ik dacht dat ik weer weg moest,’ zei ik.
Ze schoof de doos tissues niet plechtig naar voren. Ze wees gewoon naar de kast.
‘Daar liggen zakdoekjes.’
Ik pakte er een.
‘Een fout is hier een gesprek,’ zei ze. ‘Als dingen vaker misgaan, bespreken we dat ook. Maar niet via een verrassing met drie mensen in beeld.’
Die avond maakte ik een afspraak bij mijn huisarts. Ik sliep al weken slecht en schrok van elk bericht met weinig tekst. Via de praktijkondersteuner kon ik daarover praten. Niet omdat ik niet kon werken. Omdat ik het anders niet volhield.
Op woensdag zette ik mijn werktelefoon voor het eerst uit. Noor en ik fietsten naar het zwembad.
Bij de ingang controleerde ik mijn jaszak uit gewoonte.
De telefoon lag thuis.
‘Kom je?’ vroeg Noor.
‘Ja,’ zei ik.
Ik liep achter haar naar binnen.
Hoofdstuk 7
Wat ik behoud
Vijf maanden na mijn start vroeg Ilse of ik donderdag tijd had voor een gesprek. Ze zette het onderwerp in de uitnodiging: ‘Vervolg contract, voorstel bespreken.’ Ook schreef ze erbij wie aanwezig zou zijn.
Ik las de mail twee keer. Mijn maag reageerde nog steeds. Minder hevig, maar niet beleefd genoeg om eerst de inhoud af te wachten.
Donderdag lag er een aanbod voor achtentwintig uur per week. Een jaarcontract. De collega die ziek was geweest, zou in een andere rol terugkomen. Door nieuwe afspraken met gemeenten bleef er meer planningswerk over.
‘Ik wil geen verwachtingen wekken die ik niet kan waarmaken,’ zei Ilse. ‘Voor onbepaalde tijd kunnen we nu niet aanbieden.’
Ik keek naar het salaris. Nog steeds lager dan bij Velders Service. Wel hoger dan mijn tijdelijke inkomen. Met achtentwintig uur kon ik mijn vaste lasten betalen en voorzichtig weer sparen.
‘Ik wil het thuis rustig lezen.’
‘Natuurlijk.’
Een jaar eerder zou ik meteen ja hebben gezegd. Dankbaar dat iemand mij wilde hebben. Nu vroeg ik naar de werktijden, de pensioenregeling en wat er zou gebeuren als de gemeentelijke opdracht kleiner werd.
Ilse wist niet op alles een antwoord. Ze zocht het uit.
Ik nam het contract mee naar huis. Aan tafel rekende ik opnieuw. Dezelfde tafel. Hetzelfde schrift, inmiddels met losse bladen ertussen. Noor zat tegenover me een tekening af te maken.
‘Is het goed nieuws?’ vroeg ze.
‘Ja. Niet alles is zeker. Maar dit is goed nieuws.’
‘Kunnen we pizza?’
Ik keek nog één keer naar de bedragen.
‘We kunnen pizza.’
We haalden ze zelf op, omdat bezorgen bijna vijf euro extra kostte. Sommige gewoontes bleven. Niet allemaal uit angst. Ik wilde gewoon weten waar mijn geld bleef.
In de weken daarna merkte ik hoeveel er nog niet voorbij was. Een oud-collega plaatste een foto van een bedrijfsuitje. Ik zocht automatisch naar mijn plek aan tafel. Daarna legde ik mijn telefoon weg. Op een dinsdag werd ik wakker uit een droom waarin mijn wachtwoord telkens werd geweigerd.
De praktijkondersteuner vroeg niet wanneer ik er eindelijk klaar mee zou zijn. Ze vroeg wat ik dan deed. Opstaan. Water drinken. Soms opschrijven wat er door mijn hoofd ging. Niet midden in de nacht vacatures openen. Dat laatste kostte oefening.
Met Bas dronk ik koffie bij het station in Amersfoort. Hij was vader geworden. Hij liet foto’s zien van een baby met grote sokken.
Pas na een halfuur hadden we het over werk.
‘Het is nog steeds rommelig,’ zei hij.
Vroeger zou ik alles hebben willen weten. Wie mijn dossiers deed. Of de nieuwe coördinator vastliep. Of Mark mijn vertrek betreurde.
Nu vroeg ik één ding.
‘Gaat het met jou?’
Hij trok zijn schouders op. ‘Ik kijk een beetje rond.’
Ik bood aan zijn cv te lezen. Niet als redding. Gewoon omdat hij mijn vriend was gebleven.
Henk vond ondertussen werk bij een verpakkingsbedrijf in Barneveld. Vroege diensten, vier dagen. We bleven eens per maand afspreken in de bibliotheek. We zaten niet meer met onze rug naar de ingang.
Tijdens zo’n afspraak kwam er een vrouw aan het tafeltje naast ons zitten. Ze had formulieren voor zich en zat al een tijdje naar hetzelfde blad te kijken. Toen ze merkte dat wij het over sollicitaties hadden, vroeg ze waar ze een document kon scannen.
Ik wees haar de plek. Ze vertelde dat ze gisteren haar baan was kwijtgeraakt. Via een videogesprek.
Ik voelde mijn nek aanspannen.
‘Ik ben Eva,’ zei ik. ‘Dat is mij ook gebeurd.’
We gingen niet meteen ons hele verhaal vertellen. Eerst hielp ik haar met de scanner. Daarna vroeg ik of iemand met haar meelas voordat ze iets ondertekende.
Toen ik buiten kwam, regende het. Ik had geen paraplu meegenomen. Mijn werktelefoon ging. Rachid vroeg waar hij de aangepaste controlelijst kon vinden.
‘In de gedeelde map, bij leveringen,’ zei ik. ‘Versie drie.’
‘Gevonden. Tot morgen.’
Dat was alles. Geen compliment. Geen groot moment. Gewoon iemand die iets nodig had wat ik had gemaakt.
Thuis hing Noor haar natte jas over een stoel. Ik zei dat hij aan de kapstok moest. Zij zei dat hij daar niet droog werd. We hadden er twee minuten ruzie over.
Daarna zette ik aardappels op.
Mijn baan was niet mijn hele leven geweest. Dat wist ik nu. Maar het verlies ervan had wel overal aan gezeten. Aan mijn geld, mijn slaap, mijn geduld. Aan de manier waarop ik een kamer binnenliep.
Ik had niet alles terug. Wel genoeg om verder te kunnen.
De volgende ochtend fietste ik naar mijn werk. Om half negen deed ik met mijn eigen sleutel de deur open.