Identiteit en zelfacceptatie
Opgegroeid tussen twee werelden
Hoofdstuk 1
De verkeerde envelop
Mijn vader hield de envelop vast alsof er iets uit kon vallen dat de vloer zou beschadigen.
‘Wie is Daan Vermeer?’
Ik stond nog met mijn jas aan in de keuken. Mijn moeder sneed wortels aan het aanrecht. Het mes stopte. Buiten reed een tram over de Schiedamseweg. Dat geluid hoorde ik al mijn hele leven. Nu leek het van veel verder weg te komen.
‘Een vriend.’
Mijn vader keek weer naar het papier.
‘Jullie willen samen een huis huren.’
Het was geen vraag.
Ik heet Sami El Amrani. Ik was zevenentwintig en woonde officieel nog bij mijn ouders in Rotterdam-West. Vier nachten per week sliep ik bij Daan in Rotterdam-Noord. Mijn werkkleding lag daar. Mijn tandenborstel ook. Toch stopte ik die in een toilettas als zijn moeder langskwam. Alsof ik ieder moment weer kon vertrekken.
De makelaar had de bevestiging van onze inschrijving naar mijn oude adres gestuurd. Ik had alle andere gegevens aangepast. Deze niet.
‘Waarom maak je mijn post open?’ vroeg ik.
Mijn vader wees naar de envelop. Alleen onze achternaam stond op het vensterstrookje. Het papier was naar beneden geschoven.
Mijn moeder legde het mes neer.
‘Sami. Geef gewoon antwoord.’
Ik had dit gesprek vaak geoefend. In de auto. Onder de douche. Soms met Daan, die dan mijn vader speelde en veel te redelijke vragen stelde. In geen enkele versie lag er een half geschilde wortel tussen ons in.
‘Daan is mijn vriend,’ zei ik.
Mijn vader knikte ongeduldig.
‘Dat zei je.’
‘Nee. Mijn partner. We zijn samen.’
Hij keek me aan. Mijn moeder trok de kraan open en draaide hem meteen weer dicht.
‘Hoelang?’ vroeg ze.
‘Bijna twee jaar.’
Dat deed iets met haar gezicht. Niet alleen schrik. Ook boosheid.
‘Twee jaar?’
Ik knikte.
Mijn vader schoof de brief over tafel. Heel precies. Hij zorgde dat de rand gelijkliep met het tafelblad.
‘Niet hier,’ zei hij.
‘Wat niet hier?’
‘Dit gesprek.’
‘Jij begint erover.’
Zijn hand sloeg plat op tafel. Mijn moeder deinsde achteruit. Ik ook, en daar schaamde ik me direct voor.
‘Niet zo tegen mij.’
Ik voelde de sleutel in mijn jaszak. De metalen tanden drukten in mijn vingers. Ik had hem zo stevig vast dat het pijn deed.
Mijn jongere broer Younes kwam de keuken in. Zijn koptelefoon hing om zijn nek.
‘Wat gebeurt er?’
Niemand antwoordde.
Mijn vader stond op. Hij was kleiner dan ik. Dat vergat ik altijd wanneer hij boos werd.
‘Ga even weg, Sami.’
Mijn moeder keek naar de wortels.
Dat was het ergste. Niet zijn stem. Haar ogen die me niet vonden.
Ik liep naar mijn oude slaapkamer. Het bed was opgemaakt met het blauwe dekbed van toen ik zestien was. Onder het bureau stonden twee dozen met studieboeken. Ik werkte inmiddels als radiodiagnostisch laborant, maar hier leek ik nog steeds iemand die toestemming moest vragen om laat thuis te komen.
Ik pakte mijn paspoort, mijn laptop en drie schone shirts. Daarna stond ik een tijd met een sok in mijn hand.
Younes verscheen in de deuropening.
‘Is Daan echt je vriend?’
‘Ja.’
Hij knikte langzaam.
‘Oké.’
‘Alleen oké?’
‘Ik weet niet wat ik verder moet zeggen.’
Dat klonk tenminste eerlijk.
Beneden hoorde ik mijn vader praten. Zacht nu. Mijn moeder zei iets wat ik niet verstond.
‘Zal ik meegaan?’ vroeg Younes.
Ik schudde mijn hoofd. Hij was negentien. Ik wilde niet dat hij meteen een kant moest kiezen.
Bij de voordeur trok hij toch mijn tas uit mijn hand. Hij droeg hem naar mijn auto en legde hem op de achterbank.
‘App als je er bent.’
Ik reed drie straten en zette de auto stil naast een gesloten wasserette. Pas toen belde ik Daan.
‘Ze weten het,’ zei ik.
‘Waar ben je?’
Ik las het straatnaambord voor. Mijn stem klonk rustig. Daar schrok ik van.
‘Kun je rijden?’ vroeg hij.
‘Ja.’
‘Kom dan hierheen.’
Ik bleef nog even zitten. In mijn handpalm stonden vier rode afdrukken van mijn sleutel.
Ik had jarenlang gedacht dat de waarheid één groot moment zou zijn. Een zin. Een klap. Daarna zou alles anders worden.
Maar de motor draaide nog. Iemand fietste langs met een boodschappentas aan het stuur. Mijn moeder moest nog steeds eten koken.
En ik wist niet of ik morgen naar huis mocht.
Hoofdstuk 2
Twee stemmen
Daan deed open voordat ik kon aanbellen. Hij woonde boven een fietsenwinkel aan de Bergweg. Zijn trap rook naar rubber en het eten van de onderburen.
Hij pakte mijn tas niet aan. Eerst legde hij zijn handen op mijn schouders.
‘Hebben ze je iets gedaan?’
‘Nee.’
‘Zeker?’
‘Mijn vader sloeg op tafel. Niet op mij.’
Hij knikte en liet me binnen.
Op het aanrecht stonden twee borden pasta. De kaas was aan de saus vastgeplakt. Ik had een uur eerder beloofd dat ik onderweg zou zijn.
‘Sorry,’ zei ik.
‘Waarvoor?’
Ik wist het niet precies. Voor het eten. Voor mijn tas. Voor het feit dat mijn leven zijn keuken binnenkwam zonder afspraak.
Mijn moeder belde om kwart over tien. Ik keek naar haar naam tot het scherm donker werd. Daarna kwam er een bericht.
Je vader bedoelde dat je even moest afkoelen. Waar slaap je?
Ik typte: Bij Daan.
Ik verwijderde het. Typte het opnieuw. Verstuurde het.
Er verschenen drie stippen. Toen niets meer.
Als kind had ik al verschillende versies van mezelf. Niet omdat iemand dat letterlijk van me vroeg. Ik merkte gewoon welke versie minder gedoe gaf.
Op de basisschool heette ik soms Sam. Een invaller had dat bedacht omdat er ook een Sem in de klas zat. Ik vond het onlogisch, maar verbeterde haar niet. Toen een jongen zei dat Sami een meisjesnaam was, bleef ik Sam gebruiken.
Thuis praatte ik harder. Op school maakte ik mijn stem vlakker. Bij mijn oma sprak ik het beetje Darija dat ik kende. Als ze om mijn uitspraak lachte, lachte ik mee. Daarna zei ik minder.
Mijn vader was als kind naar Nederland gekomen. Hij reed bus bij de RET en kende straten die ik nog nooit had gezien. Mijn moeder was geboren in Schiedam. Ze werkte in de thuiszorg en verbeterde mijn sollicitatiebrieven met een rode pen.
Toch vroegen mensen vaak waar ik echt vandaan kwam.
Een docent zei ooit dat mijn Nederlands verrassend goed was. Ik was veertien en had net een boekbespreking over een Nederlandse roman gehouden. Ik bedankte hem. Thuis vertelde ik het niet. Ik wilde niet dat mijn ouders weer boos moesten worden om iets wat ik zelf had laten gebeuren.
Op mijn zestiende werd ik verliefd op Niels uit mijn natuurkundeklas. Hij beet op zijn pen en tekende schoenen in zijn schrift. Meer was er niet nodig.
Ik bad toen langer. Niet omdat ik dacht dat één gebed alles zou veranderen. Ik hoopte vooral dat ik mezelf beter zou kunnen sturen.
Niels kreeg verkering met een meisje uit Vlaardingen. Ik hielp hem een verjaardagscadeau uitzoeken. Daarna fietste ik naar huis en schopte onderweg tegen een leeg blikje tot mijn schoen beschadigd was.
‘Waar zit je?’ vroeg Daan.
We zaten inmiddels op zijn bank. De televisie stond aan zonder geluid.
‘Op de middelbare school.’
Hij wachtte.
‘Ik vraag me af wanneer ik hier eerder iets over had kunnen zeggen.’
‘Misschien kon dat toen niet.’
‘Misschien was ik gewoon bang.’
‘Dat kan toch allebei?’
Ik trok mijn voeten onder me. Daan kende de losse verhalen. De invaller. Niels. Mijn eerste stiekeme afspraak in een café in Delft. Maar ik had nooit uitgelegd hoe vermoeiend het was om voortdurend te bedenken wat iemand al wist.
Op mijn werk vroeg ik collega’s naar hun weekend en zorgde ik dat ze geen tijd hadden voor de wedervraag. Bij mijn ouders zei ik dat ik bij een studievriend at. Bij Daan zei ik dat mijn ouders me nodig hadden.
Dat laatste was soms waar. Vaak niet.
‘Je hoeft hier vannacht niets op te lossen,’ zei Daan.
Ik knikte.
Even later vroeg ik of hij het vervelend vond dat ik mijn tandenborstel steeds wegstopte.
Hij keek naar de televisie.
‘Ja.’
Het antwoord kwam zonder aarzeling.
‘Waarom zeg je dat nu pas?’
‘Ik heb het eerder gezegd, Sami.’
Ik wilde protesteren. Toen herinnerde ik me zijn hand op de toilettas. Zijn vraag waarom die weer dicht moest.
Ik had gezegd dat hij het te persoonlijk nam.
Die nacht lag ik wakker naast hem. Ik hoorde zijn ademhaling en het verkeer buiten.
Om drie uur stond ik op. Ik haalde mijn tandenborstel uit mijn tas en zette hem naast die van hem.
Het was een klein gebaar. Het maakte de afgelopen twee jaar niet goed.
Maar ik liet hem staan.
Hoofdstuk 3
Geen tussenpersoon
Op maandag maakte ik een fout op mijn werk. Geen gevaarlijke fout, maar wel een die ik normaal niet maakte. Ik had het verkeerde protocol geopend voor een knieonderzoek.
Mijn collega Marieke wees naar het scherm.
‘Deze patiënt komt voor de andere kant.’
‘Ja. Ik zie het.’
Ik sloot het venster te snel en moest opnieuw inloggen.
Na het onderzoek zette ze twee bekers koffie in de personeelskamer.
‘Je hoeft niet te vertellen wat er is. Maar zeg het als je je niet kunt concentreren.’
Ik keek naar het rooster aan de muur.
‘Gedoe thuis.’
‘Wil je dat ik het volgende onderzoek overneem?’
Ik wilde automatisch nee zeggen. In plaats daarvan knikte ik.
Tijdens mijn pauze belde Younes.
‘Mam heeft bijna niet geslapen.’
Ik ging op een bankje achter het ziekenhuis zitten. De zitting was nat.
‘Dat vind ik rot.’
‘Ze wil dat je zondag komt eten.’
‘Heeft papa dat ook gezegd?’
‘Ze wil gewoon dat je komt.’
‘Dat vroeg ik niet.’
Hij zuchtte. Ik hoorde een deur dichtgaan.
‘Ik probeer alleen te helpen.’
‘Ik weet het. Maar ik wil niet dat jij onze berichten moet overbrengen.’
‘Doe ik toch al jaren.’
Dat maakte me stil.
Hij had gelijk. Als mijn vader boos op me was om studievertraging, belde Younes. Als ik geen zin had in een familiebezoek, liet ik hem een reden verzinnen. Ik had hem beschermd willen houden en hem tegelijk steeds gebruikt als zachte ingang.
‘Daar moet ik mee stoppen,’ zei ik.
‘Graag.’
Zijn directe antwoord deed pijn. Het luchtte ook op.
Die avond belde ik mijn moeder zelf. Ze nam direct op.
‘Kom je zondag?’
‘Wil papa me zien?’
‘Je bent zijn zoon.’
‘Dat is geen antwoord.’
Ze zweeg even.
‘Hij weet niet hoe hij hierover moet praten.’
‘Ik ook niet. Toch moet ik het doen.’
Op de achtergrond hoorde ik een kastdeurtje sluiten.
‘Kunnen we zondag gewoon eten?’ vroeg ze. ‘Zonder alles meteen te bespreken?’
Ik keek naar Daan, die aan de keukentafel werkte. Hij had zijn koptelefoon op.
‘Ik kom. Maar als iemand zegt dat ik ziek ben of hulp moet zoeken om anders te worden, ga ik weg.’
Mijn moeder ademde hoorbaar in.
‘Waarom denk je meteen zo slecht over ons?’
Ik wilde zeggen dat ik niet slecht over hen dacht. Dat ik juist jarenlang had geprobeerd hen te sparen. Maar sparen klonk ineens alsof zij zwak waren en ik de enige die iets droeg.
‘Omdat ik bang ben,’ zei ik.
Daar had ze geen snel antwoord op.
Zondag stond ik met een pak muntthee voor de deur. Een belachelijk cadeau. Mijn moeder had genoeg thee om een kleine winkel te bevoorraden.
Ze pakte het aan en hield mijn arm even vast.
Mijn vader zat in de woonkamer. De televisie stond op een voetbalwedstrijd. Hij knikte naar me.
‘Alles goed op werk?’
‘Ja.’
Ik ging zitten. We keken tien minuten naar mannen die over een veld renden. Toen vroeg hij of de auto nog die ratel maakte bij het starten.
Ik had bijna gehuild van opluchting. En daar werd ik boos om. Een vraag over mijn auto voelde ineens als een groot geschenk.
Aan tafel vertelde Younes over een docent die zijn eigen presentatie kwijt was. Mijn moeder lachte te hard. Ik at te snel.
Pas toen de borden leeg waren, legde mijn vader zijn vork neer.
‘Je hoeft niet alles vast te leggen. Met dat huis.’
‘We hebben alleen gereageerd.’
‘Neem tijd. Misschien denk je straks anders.’
‘Over een verhuizing kan ik anders denken. Niet over wie Daan voor me is.’
Mijn moeder begon de borden op te stapelen.
Mijn vader keek naar mijn handen.
‘Moet iedereen dit weten?’
‘Niet iedereen. Maar ik ga niet meer liegen als iemand het vraagt.’
‘En je oma?’
‘Dat bespreek ik zelf met haar.’
Hij schoof zijn stoel achteruit.
Ik voelde de oude neiging. Een grap maken. Toegeven. Zeggen dat het allemaal wel meeviel.
In plaats daarvan bleef ik zitten.
‘Ik kom graag eten,’ zei ik. ‘Maar niet als ik hier moet doen alsof Daan niet bestaat.’
Mijn moeder liet een lepel vallen. Younes bukte om hem op te rapen.
Niemand beloofde iets.
Toen ik later vertrok, gaf mijn moeder me eten mee in twee bakjes.
‘Eén is voor morgen,’ zei ze snel.
Ik vroeg niet voor wie het andere was.
Hoofdstuk 4
De vrije stoel
Drie weken later zat ik in een buurthuis in Rotterdam-Centrum met een plastic beker water tussen mijn knieën. De bijeenkomst was voor queer mensen met een biculturele achtergrond. Die woorden stonden op de website. Ik had de pagina zes keer geopend voordat ik me aanmeldde.
Bij de deur had ik bijna gedaan alsof ik verkeerd was.
Een vrouw met kort haar wees naar een vrije stoel.
‘Ik ben Nadia. Wil je koffie?’
‘Water is goed.’
Ze vroeg niet waarom ik kwam. Dat hielp.
We waren met acht mensen. Iemand werkte bij een gemeente. Iemand studeerde nog. Een man van begin veertig vertelde dat hij pas sinds kort zijn ex-vrouw durfde te bellen zonder eerst ieder woord uit te schrijven.
Ik had verwacht dat iedereen zekerder zou zijn dan ik. Vrijer. Luidruchtiger misschien. In plaats daarvan zag ik iemand aan een losse draad van zijn trui trekken terwijl hij vertelde over zijn moeder.
Toen ik aan de beurt was, zei ik mijn naam.
Daarna niets.
Nadia wachtte.
‘Mijn ouders weten sinds kort dat ik een vriend heb.’
‘Hoe gaat dat?’
‘Niet goed. Maar ook niet zo slecht als het had kunnen gaan.’
Een paar mensen knikten. Niemand zei dat ik dus dankbaar moest zijn.
Ik vertelde over de envelop. Over mijn vader die de auto wel besprak en Daan niet. Over de twee bakjes eten.
‘Ik weet niet of ik geduldig ben of laf,’ zei ik.
De man met de losse draad keek op.
‘Je mag tijd nodig hebben. Zij ook. Maar jij hoeft ondertussen niet stil te staan.’
Na afloop liep ik met Nadia naar de tramhalte. Ze was vierendertig, buschauffeur en opgegroeid in Dordrecht. Haar vriendin woonde nog apart.
‘Niet omdat onze families dat willen,’ zei ze. ‘Omdat zij een rommelkont is en ik vroeg moet slapen.’
Ik lachte. Het was de eerste keer die week dat ik niet meteen controleerde hoe hard.
‘Daan wil dat alles sneller gaat,’ zei ik.
‘Zegt hij dat?’
‘Niet letterlijk.’
‘Vraag het hem dan.’
Ik vond dat irritant advies. Vooral omdat het bruikbaar was.
Thuis zat Daan tussen verhuisdozen. We hadden de woning niet gekregen, maar hij wilde toch alvast spullen uitzoeken. Hij hield een kapotte bureaulamp omhoog.
‘Waarom heb ik deze nog?’
‘Omdat jij denkt dat je dingen repareert.’
Hij zette de lamp bij het vuilnis.
Tijdens het eten vertelde ik over de groep. Daarna vroeg ik of hij vond dat ik te langzaam ging.
Hij legde zijn lepel neer.
‘Soms.’
Ik verstijfde.
‘Maar ik wil niet dat je morgen met een spandoek bij je ouders staat,’ zei hij. ‘Ik wil weten of we plannen kunnen maken zonder dat jij ze daarna weer terugtrekt.’
‘Welke plannen trek ik terug?’
Hij keek me aan.
‘Mijn verjaardag. Kerst bij mijn zus. Dat weekend in Utrecht.’
Voor alle drie had ik een reden gehad. Samen klonken ze anders.
‘Jij snapt niet wat ik kan kwijtraken,’ zei ik.
Daan schoof zijn stoel naar achteren.
‘Dat klopt. Niet helemaal. Maar dat betekent niet dat ik niets kwijtraak.’
Hij liep naar het raam. Beneden trok iemand het rolluik van de fietsenwinkel dicht.
‘Ik word moe van wachten tot ik echt in je leven mag bestaan.’
Ik stond op, maar hij hief zijn hand.
‘Laat me even.’
Die nacht sliep ik op de bank. Niet omdat hij dat eiste. Omdat ik geen sorry wilde gebruiken om het gesprek snel af te sluiten.
De volgende ochtend schreef ik drie afspraken op een vel papier. Geen afzeggingen met verzonnen redenen. Geen familiebezoek dat ik geheimhield. Geen beloftes namens mijn ouders.
Daan las ze terwijl de koffie doorliep.
‘En ik moet ophouden te doen alsof jouw familie een probleem is dat je met genoeg lef oplost,’ zei hij.
Ik knikte.
Een week later ging ik mee naar zijn zus in Gouda. Ik stond op de foto die ze na het eten maakte. Toen ze vroeg of ze die mocht delen, voelde ik de schrik meteen.
‘Ja,’ zei ik.
Onderweg naar huis keek ik drie keer op mijn telefoon.
Niemand had iets gestuurd.
Dat was geen overwinning met gejuich. Ik was nog steeds bang.
Maar ik had een leuke avond gehad en hem niet ongedaan gemaakt.
Hoofdstuk 5
Nacht op de gang
Younes belde op een donderdag om kwart voor elf.
‘Papa is in het ziekenhuis.’
Ik stond in de badkamer en hield de dop van mijn tandpasta vast.
‘Wat is er gebeurd?’
‘Pijn op zijn borst. Hij werd op zijn werk niet goed. Mam is bij hem.’
‘Welk ziekenhuis?’
Hij zei Franciscus Gasthuis. Daarna vroeg hij of ik kwam, met een stem alsof ik misschien zou weigeren.
‘Natuurlijk.’
Daan trok zijn schoenen al aan toen ik de slaapkamer binnenkwam.
‘Ik rijd,’ zei hij.
In de auto belde ik mijn moeder. Ze wist nog weinig. Er waren onderzoeken gedaan. Een arts had gezegd dat mijn vader moest blijven.
‘Rijd voorzichtig,’ zei ze.
Bij de ingang pakte ik de deurklink vast.
Daan zette de motor uit.
‘Wil je dat ik meega?’
Daar was de keuze. Klein genoeg om later weg te redeneren. Ik kon zeggen dat het ingewikkeld was. Dat mijn moeder al genoeg had.
‘Ja,’ zei ik. ‘Als jij dat wilt.’
‘Anders vroeg ik het niet.’
Mijn moeder zat op de gang met haar jas nog aan. Ze stond op toen ze me zag. Ik sloeg mijn armen om haar heen. Haar handen waren koud.
Daarna keek ze naar Daan.
‘Goedenavond,’ zei hij. ‘Ik ben Daan.’
Ze knikte.
‘Fatima.’
Hij vroeg of ze iets wilde drinken. Ze zei nee. Een halve minuut later vroeg ze toch om water.
Younes liep met hem mee naar de automaat.
Mijn moeder ging weer zitten.
‘Je vader vroeg naar je.’
Ik keek naar de gesloten deur aan het einde van de gang.
‘Weet hij dat ik er ben?’
‘Nog niet.’
Een verpleegkundige kwam ons halen. Mijn vader lag met plakkers op zijn borst in bed. Op een scherm liep zijn hartslag voorbij. Ik kende die apparatuur. Dat hielp minder dan ik had verwacht.
‘Je hoeft niet met zo’n gezicht te kijken,’ zei hij.
Ik ging naast hem zitten.
‘Dan moet jij niet midden in de nacht hier gaan liggen.’
Hij glimlachte even. Daarna wreef hij over zijn kin.
De arts legde later uit dat het om een klein hartinfarct ging. Mijn vader bleef opgenomen en kreeg verder onderzoek en behandeling. Ze sprak rustig. Ik stelde vragen die ik op mijn werk vanzelfsprekend vond, maar nu moest ik ze van mijn telefoon lezen.
Toen ze weg was, vroeg mijn vader waar mijn auto stond.
‘Daan heeft gereden.’
Zijn blik verschoof naar de deur.
‘Is hij hier?’
‘Op de gang.’
Hij zei niets.
Ik wachtte. Mijn moeder vouwde haar sjaal op en weer open.
‘Zal ik hem halen?’ vroeg ik.
Mijn vader sloot zijn ogen.
‘Niet nu.’
Dat deed pijn. Ook hier. Ook terwijl ik bang was hem kwijt te raken.
Ik knikte.
‘Goed. Maar ik ga straks wel met hem naar huis.’
‘Je hoeft niet alles nu te bespreken,’ zei mijn moeder.
‘Dat doe ik ook niet.’
Op de gang zat Daan naast Younes. Ze keken naar een filmpje op Younes’ telefoon. Toen ik dichterbij kwam, stopten ze allebei.
‘Hij wil nu geen bezoek meer,’ zei ik.
Daan keek me even aan. Hij wist dat het niet de hele waarheid was.
Ik ging naast hem zitten.
‘Hij wil jou nu niet zien,’ zei ik zachter.
‘Oké.’
‘Het is niet oké.’
‘Nee. Maar hij ligt daar en we hoeven vannacht niet alles uit te vechten.’
Hij pakte mijn hand. Ik liet hem liggen, ook toen mijn moeder de gang op kwam.
Tegen vieren gingen we weg. Younes bleef bij haar. In de lift begon ik te trillen. Eerst mijn benen. Daarna mijn handen.
Daan drukte op de knop om de liftdeur open te houden toen we beneden waren.
‘We hebben tijd,’ zei hij.
Ik huilde met mijn voorhoofd tegen zijn schouder. Om mijn vader. Om zijn dichte ogen toen ik Daans naam noemde. Om mijn moeder, die de hele avond had gedaan alsof haar handen niet beefden.
Twee dagen later kreeg ik een bericht van haar.
Papa vraagt of Daan de parkeerkosten heeft betaald. Hij wil ze teruggeven.
Ik liet het Daan zien.
‘Dat hoeft niet,’ zei hij.
Ik typte dat niet meteen terug.
Mijn vader kon nog geen welkom zeggen. Hij kon wel een bedrag overmaken.
Ik besloot het niet groter te maken dan het was. Maar ook niet kleiner.
Hoofdstuk 6
Aan mijn tafel
Mijn vader kwam na zijn opname thuis met medicijnen, afspraken en een boosheid die nergens goed terechtkon. Hij mocht nog niet werken. Hij vond de oefeningen bij de hartrevalidatie kinderachtig. Mijn moeder zei dat hij dan maar kinderachtig beter moest worden.
Ik ging op woensdag langs. Eerst wekelijks, later om de week. Daan ging niet mee. We hadden afgesproken dat ik hem pas zou vragen als er een echte uitnodiging kwam.
Ondertussen vonden we een appartement in Schiedam. Twee kamers, een smal balkon en een badkamer met bruine tegels. Het lag vlak bij station Schiedam Centrum. De huur was hoger dan we wilden, maar betaalbaar als we niet ieder probleem met eten bestellen oplosten.
Bij het tekenen van het contract schreef ik mijn volledige naam zonder aarzeling naast die van Daan.
Daarna stonden we in de lege woonkamer. Er zat een rechthoek op de muur waar een kast had gestaan.
‘Hier een tafel?’ vroeg hij.
‘Een grote.’
‘We kennen geen twintig mensen.’
‘Zes is groot genoeg.’
Younes hielp verhuizen. Hij droeg dozen alsof hij iets goed te maken had, terwijl hij niets had gedaan. Mijn moeder gaf hem een tas schoonmaakspullen mee.
Mijn vader kwam niet.
Ik had hem wel verteld wanneer we verhuisden. Hij had gevraagd of er een lift was. Meer niet.
Een week later nodigde ik mijn ouders uit voor koffie. In een bericht aan hen allebei. Niet via Younes.
Mijn moeder antwoordde dat ze zondag kon. Mijn vader reageerde niet.
Zondagochtend schrobde ik de gootsteen voor de derde keer.
Daan leunde tegen de koelkast.
‘Het is een gootsteen, Sami.’
‘Er zitten vlekken op.’
‘Die zaten er al voordat wij geboren waren.’
Ik gooide het sponsje neer.
‘Ik weet niet hoe dit moet.’
Hij kwam naast me staan.
‘Koffie zetten. Deur opendoen. Niet doen alsof ik de monteur ben.’
Om twee uur ging de bel. Op het scherm zag ik alleen mijn moeder. Toen ik de voordeur opende, stond mijn vader een stap achter haar met een gereedschapskoffer.
‘Younes zegt dat er een plank loszit.’
Ik deed de deur verder open.
Daan kwam uit de keuken.
‘Fijn dat jullie er zijn.’
Mijn vader stak zijn hand uit. Kort. Formeel. Daan schudde hem.
Mijn moeder had koekjes meegenomen en een plant waarvan ze de naam niet wist. Ze keek door de woonkamer. Haar blik bleef even hangen bij een foto van Daan en mij op het strand van Hoek van Holland.
Ze keek niet weg toen ik het zag.
De eerste twintig minuten gingen over parkeren, vochtplekken en mijn werk. Mijn vader dronk zijn koffie zonder zijn jas uit te trekken.
Daarna stond hij op om de plank te bekijken. Daan liep mee. Ik hoorde hen in de gang praten over pluggen.
Mijn moeder streek met haar hand over het tafelblad.
‘Mooi hout.’
‘Tweedehands.’
Ze knikte.
‘Ik ben nog steeds boos dat je zo lang niets zei.’
Ik ging tegenover haar zitten.
‘Ik weet het.’
‘Dacht je dat ik niet van je hield?’
Ik keek naar haar vingers. Er zat een pleister om haar duim.
‘Ik wist dat je van me hield. Ik wist niet wat je zou doen.’
Haar ogen werden nat. Ze veegde er meteen overheen.
‘Dat vind ik moeilijk om te horen.’
‘Voor mij was het moeilijk om niet te weten.’
Uit de gang klonk de boormachine. We moesten wachten tot het geluid stopte.
‘Ik had je die avond moeten aankijken,’ zei ze toen.
Ik slikte.
‘Ja.’
Ze pakte mijn hand. Geen lange omhelzing. Geen belofte dat alles nu goed was. Alleen haar hand, warm deze keer.
Toen mijn vader terugkwam, trok hij eindelijk zijn jas uit.
Bij de tweede kop koffie zei hij dat hij het nog steeds moeilijk vond.
Daan bleef naast me zitten.
‘Dat mag je zeggen,’ antwoordde ik. ‘Maar ik wil niet steeds moeten uitleggen waarom dit mijn leven is.’
Mijn vader wreef over zijn knie.
‘Ik heb geen goede woorden.’
‘Begin dan met mijn naam gebruiken als je vraagt hoe het met me gaat,’ zei Daan.
Het werd stil.
Mijn vader knikte uiteindelijk.
Bij vertrek draaide hij zich in de deuropening om.
‘Bedankt voor de koffie, Daan.’
Na afloop waren we allebei uitgeput. We aten brood boven het aanrecht.
De plank hing recht. Niemand had gevraagd of een van ons in de logeerkamer sliep.
Voor die dag was dat genoeg.
Hoofdstuk 7
Mijn eigen naam
Een jaar na de envelop liep ik op een zaterdag naar de bakker in Schiedam. Ik had nat haar en twee verschillende sokken aan. Daan had ontbijt besteld alsof ik roomservice was: broodjes, iets zoets en geen droge croissant van gisteren.
Onderweg belde mijn moeder.
‘Eet je morgen mee?’
‘Ik vraag het even aan Daan.’
‘Daarom bel ik vandaag.’
Ik bleef midden op de stoep staan.
‘Bedoel je ons allebei?’
Ze zuchtte.
‘Ja, Sami. Jullie allebei. En zeg dat hij niet weer bloemen hoeft mee te nemen.’
Na het gesprek stopte ik mijn telefoon weg. Ik wilde Daan meteen bellen. Toch liep ik eerst naar de bakker. Ik wilde even alleen zijn met iets wat niet ingewikkeld hoefde te worden.
Het afgelopen jaar was niet één lange vooruitgang geweest.
Een oom had op een verjaardag gevraagd of ik mijn ouders dit echt moest aandoen. Ik was naar buiten gelopen voordat ik antwoord gaf. Mijn moeder kwam me achterna en zei dat hij uit bezorgdheid sprak.
‘Dan mag hij bezorgd zijn zonder mij te beledigen,’ had ik gezegd.
Ze was teruggegaan. Ik wist niet wat ze tegen hem had gezegd. Hij had me later niet gebeld. Ik hem ook niet.
Mijn vader vroeg nog steeds vaker naar de auto dan naar Daan. Soms verbeterde hij zichzelf.
‘En thuis? Met jullie?’
Dat klonk stroef. Ik gaf toch antwoord.
Mijn oma wist inmiddels dat Daan mijn partner was. Ik had het haar zelf verteld, in haar flat in Delfshaven. Ze vroeg twee keer of ik zeker wist wat ik zei. Daarna vroeg ze of hij behoorlijk at.
Een week later vroeg ze waarom ik geen vrouw wilde. Het vorige gesprek was dus geen afgerond hoofdstuk geweest. Ik legde het nog eens uit. Daarna vroeg ik haar naar haar pijnlijke knie.
Ik bleef naar de groep in het buurthuis gaan. Niet iedere keer. Soms wilde ik gewoon naar huis en televisie kijken. Nadia stuurde dan een bericht zonder druk.
Ook begon ik gesprekken met een psycholoog. De eerste keer zei ik dat het eigenlijk best goed ging. Vervolgens zat ik tien minuten te huilen over een formulier waarop ik een contactpersoon moest invullen.
Ik had Daan opgeschreven. Daarna had ik me schuldig gevoeld tegenover mijn moeder.
We oefenden niet op een nieuw karakter. Ik leerde vooral eerder merken wanneer ik alweer bezig was iedereen tevreden te houden. Soms lukte dat pas nadat ik ja had gezegd. Dan belde ik terug.
Op mijn werk zei een nieuwe collega Sam tegen me. Ik keek op van mijn scherm.
‘Sami,’ zei ik.
‘Sorry. Sami.’
Dat was alles. Geen discussie. Geen uitleg over mijn afkomst. Ik had mezelf jarenlang voorbereid op verzet dat niet altijd kwam.
Er kwam ook nog genoeg verzet dat ik niet had bedacht. Een patiënt vroeg om iemand die wel uit Nederland kwam. Mijn leidinggevende nam het gesprek over en zei later dat ik het niet zelf hoefde op te lossen.
Vroeger had ik er een grap over gemaakt. Nu zei ik dat het me raakte. Daarna deed ik mijn volgende onderzoek, samen met Marieke.
Thuis had Daan inmiddels ook minder geduld met mijn automatische excuses.
‘Je mag de muziek gewoon zachter willen,’ zei hij laatst. ‘Je hoeft niet eerst te bewijzen dat je hoofdpijn hebt.’
We maakten ruzie over geld, over zijn natte handdoeken en over mijn neiging om afspraken in mijn hoofd te bewaren. Gewone ruzies. Soms namen we oude angst mee naar een nieuw onderwerp. Dan duurde het langer voor we doorhadden waar we werkelijk boos om waren.
Bij de bakker bestelde ik vier broodjes en twee verse croissants. Op de terugweg stuurde ik Younes een bericht. Hij kwam die middag langs om een kast in elkaar te zetten. Inmiddels vroeg hij ook om hulp als hij zelf iets nodig had.
Daan zat op het balkon toen ik thuiskwam.
‘Je moeder heeft me geappt,’ zei hij.
‘Over de bloemen?’
Hij knikte en liet zijn telefoon zien.
Neem liever dat brood mee van vorige keer.
Ik lachte en schoof een stoel bij.
Er zijn nog plekken waar ik eerst kijk wie er naast ons loopt voordat ik Daans hand pak. Soms stel ik een antwoord uit omdat ik weet dat er vragen volgen. Daar ben ik niet trots op. Ik straf mezelf er ook niet meer de hele avond voor.
Ik ben Sami. Zoon van Fatima en Hassan. Broer van Younes. Partner van Daan. Ik spreek mijn oma soms met de verkeerde woorden toe en bel haar toch.
Morgen zouden we bij mijn ouders eten.
Die ochtend bleef ik nog even op ons balkon zitten. Mijn koffie werd koud. Daan brak een croissant boven zijn bord en vroeg of ik de krant al uit had.
‘Bijna,’ zei ik.
Ik hoefde nergens anders te zijn.