Mantelzorg en ouder worden
Ouder worden zonder kinderen
Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.
Hoofdstuk 1
De sleutel
De sleutel draaide, maar de deur ging niet open. Er lag iets achter.
‘Mam?’
Ik duwde met mijn schouder. Binnen schoof iets over het zeil. Daarna hoorde ik haar kreunen.
‘Niet duwen, Ellen. Mijn been.’
Ik liet de sleutel los. Mijn moeder lag achter de voordeur van haar flat in Zutphen. Het was dinsdag, kwart over acht. Ik had broodjes bij me. Nog warm. Eén viel uit de zak toen ik mijn telefoon pakte.
‘Ben je gevallen?’
‘Nee, ik lig hier voor mijn plezier.’
Zelfs toen wilde ik bijna lachen. Dat maakte het erger.
De vrouw van de meldkamer hield me aan de lijn. Mijn moeder moest blijven liggen. Ik mocht niet verder duwen. De buurman kwam naar buiten in een hemd en vroeg of hij gereedschap moest halen.
‘Een ambulance komt,’ zei ik.
Hij keek naar het broodje op de galerij. Ik ook. Een sesamzaadje zat vast in een natte voeg. Dat beeld weet ik nog precies. Van de rest ontbreken stukken.
Mijn moeder heette Riet. Ze was negenentachtig en woonde alleen sinds mijn vader was overleden. Ik was vijfenzestig. Ook alleen, maar zonder overleden echtgenoot. Mijn huwelijk was twintig jaar eerder geëindigd. Kinderen waren er niet gekomen. Na onderzoeken, behandelingen en steeds kleinere kansen waren we gestopt. Ons huwelijk hield het daarna nog drie jaar vol.
Daar vertelde ik meestal een kortere versie van.
‘Geen kinderen,’ zei ik dan.
Alsof het een keuze op een bestelformulier was.
De ambulancebroeders kregen de deur voorzichtig open. Ik bleef op de galerij tot iemand me riep. Mijn moeder lag half onder haar rollator. Haar nachtjapon was opgekropen. Ze probeerde die omlaag te trekken terwijl een broeder haar vragen stelde.
‘Pak even mijn vest,’ zei ze tegen mij.
‘Je gaat naar het ziekenhuis.’
‘Daar is het ook koud.’
In de ambulance kneep ze in mijn hand. Haar vingers waren koud en hard. Ik dacht aan haar handen vroeger, toen ze mijn fietslamp vastschroefde omdat mijn vader late dienst had.
Op de spoedeisende hulp in Zutphen bleek haar heup gebroken. Er moest een operatie komen. Een verpleegkundige vroeg naar de eerste contactpersoon.
‘Ik,’ zei ik.
‘Zijn er nog andere kinderen?’
‘Mijn broer. Hij woont in Assen.’
‘Dan zetten we u bovenaan.’
Ze tikte iets in. Zo eenvoudig ging dat. Mijn naam bovenaan betekende nog niet dat ik alles moest doen. Toch zou ik me maandenlang gedragen alsof dat wel zo was.
Ik belde mijn broer vanuit het trappenhuis. Ben nam na zeven keer overgaan op.
‘Wat vervelend,’ zei hij. ‘Ik zit midden in een overleg. Houd je me op de hoogte?’
‘Ze wordt vandaag geopereerd.’
‘Laat maar weten hoe laat.’
Ik wilde vragen wat hij met dat tijdstip ging doen. In plaats daarvan zei ik goed.
Mijn moeder werd naar de afdeling gebracht. Ik liep naast het bed met haar tas tegen mijn buik. In die tas zaten haar vest, een kam, haar bril en een pakje pepermunt. Mijn eigen telefoon bleef trillen. De tandarts herinnerde me aan mijn afspraak. Een vriendin vroeg of ik woensdag mee ging zwemmen.
Ik zegde alles af.
Pas tegen de avond reed ik terug naar mijn huis in Deventer. Op de A1 moest ik een parkeerplaats op. Mijn handen trilden zo dat ik het stuur te hard vastgreep.
Ik bleef zitten tot het donker werd.
Thuis zette ik de broodjes op het aanrecht. Ze waren platgedrukt. Ik at er één staand op, met mijn jas nog aan.
Toen keek ik naar de trap.
Mijn slaapkamer was boven. Mijn badkamer ook. Onder aan de trap stond een wasmand waar ik al drie dagen overheen stapte.
Wie zou mij vinden als ik daar viel?
Ik pakte mijn telefoon. Er stonden twaalf berichten over mijn moeder op. Niemand vroeg of ik thuis was gekomen. Dat konden ze ook niet weten. Ik had niets gezegd.
Ik schoof de wasmand weg. Daarna stuurde ik mijn vriendin Sacha een bericht.
‘Mam heeft haar heup gebroken. Ik ben nogal geschrokken.’
Ze belde meteen.
Bij haar eerste vraag begon ik te huilen.
Hoofdstuk 2
Altijd bereikbaar
Drie weken later zat mijn moeder in een revalidatiecentrum aan de rand van Zutphen. Ze haatte de koffie, het matras en de vrouw aan haar eettafel die door haar gehoorproblemen alles twee keer vroeg.
‘Wanneer mag ik naar huis?’ vroeg ze iedere middag.
‘Als je veilig kunt lopen.’
‘Dan moet jij vaker met me oefenen.’
Dus liep ik. Van haar kamer naar de lift. Van de lift naar het raam. Terug naar haar kamer. Ik hield haar vest vast als ze wankelde, hoewel de fysiotherapeut had gezegd dat ik beter naast haar kon blijven zonder te trekken.
Ik was bang dat ze weer zou vallen. Zij was bang dat ik haar daar zou achterlaten.
Voor mijn pensioen werkte ik bij een woningcorporatie. Lastige telefoontjes, achterstanden, boze huurders. Ik kon overzicht houden. Dat dacht ik tenminste.
Voor mijn moeder maakte ik een map. Medicijnen. Afspraken. Telefoonnummers. Ik kocht tabbladen en een rode pen. Daarna kwam er een schrift bij. Toen een gedeelde agenda die Ben nauwelijks opende.
Hij kwam één zondag langs met bloemen.
‘Je moet jezelf niet voorbijlopen,’ zei hij.
We stonden bij de koffieautomaat. Hij droeg zijn nette jas nog.
‘Kun jij donderdag naar het ontslaggesprek?’ vroeg ik.
‘Donderdag wordt moeilijk.’
‘Vrijdag dan? Ik kan vragen of het anders kan.’
‘Ellen, ik werk gewoon.’
Ik drukte te hard op de knop. Koffie spatte tegen mijn pols.
‘Ik werkte vroeger ook gewoon.’
‘Zo bedoel ik het niet.’
Hij bedoelde het waarschijnlijk inderdaad niet zo. Dat maakte zijn antwoord niet bruikbaarder.
Mijn moeder mocht uiteindelijk naar huis met thuiszorg, een toiletverhoger en een schema voor oefeningen. De wijkverpleegkundige legde uit wanneer haar team kwam. Hulp bij wassen en aankleden. Medicatie, na beoordeling. Geen boodschappen. Geen was. Geen gezelschap op de lange middagen.
‘Wat kunt u zelf blijven doen?’ vroeg ze aan mijn moeder.
Mijn moeder wees naar mij.
‘Ellen regelt het.’
Ik glimlachte. Daar schaam ik me achteraf voor. Niet omdat ik haar wilde helpen, maar omdat ik deed alsof we iets hadden afgesproken.
De eerste week reed ik iedere dag heen en weer. Daarna soms twee keer. Mijn moeder belde omdat de televisie niet werkte. Omdat haar voet dik was. Omdat ze niet wist of de melk nog goed was.
Eén keer belde ze om half twee ’s nachts.
‘Er staat iemand op de galerij.’
Ik was meteen wakker.
‘Doe de deur niet open.’
‘Hij kijkt naar binnen.’
Ik trok mijn broek aan en belde de buurman. Hij ging kijken. Het was een jas die bij de buren aan een haak buiten hing. Door het glas naast de voordeur leek het een schouder.
De volgende ochtend wist mijn moeder nog precies wat ze had gezien.
‘Jullie denken zeker dat ik gek ben.’
‘Nee, mam. Maar het was geen man.’
Ze draaide haar hoofd weg.
Ik maakte een afspraak bij de huisarts. Vermoeidheid, pijn, slecht slapen en medicijnen konden meespelen, zei hij. Hij wilde haar volgen. Niet meteen grote conclusies trekken.
Ik sliep intussen met mijn telefoon onder mijn kussen.
Sacha zag het tijdens een lunch in Deventer. We zaten bij het raam van een broodjeszaak. Om de paar minuten lichtte mijn scherm op.
‘Zet dat ding eens weg.’
‘Dat kan niet.’
‘Een halfuur?’
‘Er kan iets gebeuren.’
Ze legde haar broodje neer.
‘Bij jou gebeurt al iets.’
Ik werd boos. Zij had twee volwassen dochters. Voor mijn gevoel stond er achter haar altijd iemand klaar. Dat was niet eerlijk. Haar oudste woonde in Berlijn. Met de jongste had ze geregeld ruzie. Toch dacht ik het.
‘Jij snapt dit niet,’ zei ik.
Sacha keek me aan.
‘Leg het dan uit. Maar doe niet alsof ik je aanval.’
Die avond vergat ik mijn eigen maaltijd in de magnetron. Om elf uur vond ik het bord terug toen ik melk wilde opwarmen.
De volgende ochtend belde mijn moeder zes keer terwijl ik douchte. Er lag een brief van de gemeente. Ze had de envelop nog niet geopend.
Ik ging op de badrand zitten, met shampoo in mijn haar.
‘Ik kom vanmiddag,’ zei ik.
‘Waarom niet nu?’
Daar had ik ineens geen antwoord op dat ik hardop durfde te geven.
Hoofdstuk 3
Onder aan de trap
Ik viel op een donderdag. Niet tijdens iets heldhaftigs. Ik droeg een wasmand naar beneden en probeerde tegelijk mijn telefoon uit mijn vestzak te pakken.
Mijn moeder belde.
Mijn voet miste de onderste twee treden. Ik kwam met mijn zij tegen de kapstok en sloeg mijn pols op de tegelvloer.
De pijn kwam meteen. Fel genoeg om me misselijk te maken.
Mijn telefoon lag onder het kastje bij de voordeur. Hij bleef rinkelen. Daarna werd het stil.
Ik zat op de vloer en keek naar mijn hand. Mijn pols werd dik. Op mijn pantoffel zat een sok uit de wasmand.
Ik weet niet hoelang ik daar zat. Misschien vijf minuten. Het voelde langer.
Toen schoof ik op mijn billen naar het kastje. Met mijn goede hand trok ik de telefoon naar me toe.
Ik belde niet mijn moeder. Ook niet Ben.
Ik belde Sacha.
‘Kun je komen?’
Ze vroeg mijn adres niet. Ze zei alleen dat ik moest blijven zitten.
Bij de huisartsenpost werden we doorgestuurd voor een foto. Mijn pols was gebroken. Terwijl iemand het gips aanlegde, legde ik uit dat ik mijn moeder moest verzorgen.
‘Met deze arm gaat dat voorlopig niet,’ zei hij.
‘Ik moet haar steunkousen soms—’
‘Nee.’
Hij zei het zonder ergernis. Ik had behoefte aan zo’n stem. Iemand die niet onderhandelde met mijn schuldgevoel.
Sacha bracht me thuis en maakte soep. Ze zette mijn medicijnen op tafel en schreef op wanneer ik wat mocht nemen.
‘Wie blijft er vannacht?’ vroeg ze.
‘Niemand. Ik ben niet stervende.’
‘Dat vroeg ik niet.’
Ze bleef op de bank. Ik lag boven wakker. Als ze zich omdraaide, kraakten de veren. Dat gewone geluid stelde me meer gerust dan ik wilde toegeven.
De volgende ochtend belde ik Ben.
‘Ik heb mijn pols gebroken. Jij moet het nu overnemen.’
‘Alles?’
‘De boodschappen. De afspraken. De telefoontjes. Alles wat ik deed.’
Hij zweeg.
‘Ik kan niet elke dag vanuit Assen komen.’
‘Ik kan niet autorijden.’
‘Kun je een taxi—’
‘Nee, Ben.’
Ik hoorde hem ademhalen. Voor het eerst liet ik de stilte staan.
Uiteindelijk nam hij twee dagen vrij. Hij regelde boodschappenbezorging en belde de thuiszorg. Sommige dingen konden worden aangepast. Andere niet. Mijn moeder kreeg haar koffie voortaan uit een kleinere kan die ze zelf kon tillen. De was ging tijdelijk naar een wasserij.
Dat had blijkbaar eerder gekund.
Die gedachte deed meer pijn dan ik verwachtte.
Mijn moeder was boos toen ik vertelde dat ik niet kwam.
‘En ik dan?’
Ik keek naar mijn paarse vingers.
‘Ik ben ook gevallen, mam.’
‘Dat weet ik toch.’
‘Maar je vraagt niet hoe het gaat.’
Ze zei niets. Ik hoorde haar televisie.
‘Hoe gaat het dan?’ vroeg ze uiteindelijk, stroef.
‘Slecht. Ik heb pijn. En ik ben moe.’
Na dat gesprek huilde ik niet. Ik voelde vooral opluchting, en daarna schaamte over die opluchting.
Een week later zat ik bij mijn huisarts. Ik kwam voor mijn aanhoudende slapeloosheid, maar vertelde over de galerij, de brieven en mijn telefoon onder het kussen.
‘Wat vreest u als u niet opneemt?’ vroeg ze.
‘Dat ze doodgaat terwijl ze mij nodig heeft.’
De huisarts schoof haar toetsenbord opzij.
‘Dat is een zware verantwoordelijkheid om uzelf te geven.’
Ik keek naar een scheurtje in de armleuning.
‘En straks ben ik oud. Dan is er niemand die zich zelfs maar verantwoordelijk voelt.’
Ze begon niet over buren die vanzelf familie zouden worden. Ze zei ook niet dat er overal hulp was. Ze vroeg wie er nu in mijn leven waren en wat ik met hen besprak.
Mijn lijst was kort. Mijn antwoorden ook.
Via haar kwam ik bij een mantelzorgconsulent, Farida. Die kwam aan mijn keukentafel zitten met een leeg vel papier.
‘We gaan niet beginnen met wat uw moeder nodig heeft,’ zei ze.
Ik schoof de map al naar haar toe.
Ze liet hem dicht.
‘Eerst wil ik weten wat u nog kunt geven.’
Hoofdstuk 4
Niet vanzelfsprekend
Farida tekende drie kolommen. Wat ik wilde doen. Wat ik kon doen. Wat er door anderen geregeld moest worden.
‘Dat is toch bijna hetzelfde?’ vroeg ik.
‘Vul ze maar eens in.’
Ik wilde mijn moeder zien zonder telkens op de klok te kijken. Ik wilde samen koffie drinken. Ik kon twee middagen per week komen zodra mijn pols voldoende hersteld was. Ik kon niet iedere nacht bereikbaar blijven.
Dat laatste schreef ik klein op.
Farida draaide het papier naar zich toe.
‘Weet uw broer dit?’
‘Die vindt dat ik meer tijd heb.’
‘Dat is geen antwoord.’
Een week later zaten Ben en ik bij mijn moeder aan tafel. Farida was erbij. Mijn moeder had koekjes neergelegd die niemand pakte.
‘Er wordt hier nogal veel over mij vergaderd,’ zei ze.
‘Daarom zitten we hier,’ zei Farida. ‘Met u.’
We spraken over de personenalarmering die mijn moeder steeds afdeed. Over de vergeten medicijnen. Over hulp bij het huishouden, waarvoor een aanvraag liep. Over nachten die ik niet langer kon opvangen.
Ben bladerde door mijn schrift.
‘Ik wist niet dat het zoveel was.’
‘Je vroeg het ook niet.’
Hij keek op, klaar om iets terug te zeggen. Toen sloot hij zijn mond.
Mijn moeder schoof haar kopje weg.
‘Ellen heeft geen gezin. Ik dacht dat ze het wel fijn vond om nodig te zijn.’
Het werd stil.
Ik had die zin eerder gehoord, in andere vormen. Dat ik tenminste vrij was. Dat ik gelukkig geen kinderopvang hoefde te regelen. Dat ik een extra dienst kon draaien. Meestal had ik geknikt.
‘Ik ben graag je dochter,’ zei ik. ‘Maar ik ben niet beschikbaar omdat ik geen kinderen heb.’
Mijn moeder trok aan haar mouw.
‘Zo bedoelde ik het niet.’
‘Misschien niet. Maar zo werkt het wel.’
Ben nam voortaan de administratie en de contacten over afspraken op zich. Hij zou om de week een zaterdag komen. We regelden met mijn moeder hoe het alarm opgevolgd werd en wie wanneer bereikbaar was. Niemand mocht mij meer als enige nummer noteren zonder overleg.
Het loste haar problemen niet op. Het maakte wel zichtbaar welke gaten er waren.
Farida wees me ook op een bijeenkomst voor oudere mensen zonder kinderen in een buurthuis in Deventer. Ik wilde niet gaan.
‘Straks zitten we allemaal ons verdriet uit te stallen.’
‘U mag na tien minuten vertrekken.’
Ik bleef twee uur.
Er zaten acht mensen rond een tafel met slechte koffie. Koos, tweeënzeventig, had nooit kinderen gewild. Marjan, achtenzestig, had een zoon die twintig jaar eerder was overleden. Zij vroeg eerst of ze daar wel mocht zitten.
Niemand vond dat een vreemde vraag. Niemand stuurde haar weg.
Naast mij zat Dolf. Hij was drieënzeventig en had net zijn partner begraven. Zijn buurvrouw had drie avonden voor hem gekookt. Daarna had hij haar niet meer durven vragen.
‘Ik wil geen last worden,’ zei hij.
‘Dan moeten anderen steeds raden,’ zei Koos.
Het klonk harder dan hij het bedoelde. Dolf keek boos. Toch vroeg hij later aan Koos hoe je dan wél iets vroeg.
Ik vertelde over mijn pols en mijn moeder. Niet over de vruchtbaarheidsbehandelingen. Dat hoefde daar niet om serieus genomen te worden.
Na afloop liep Marjan met me naar de fietsenstalling.
‘Ik zoek iemand om af en toe mee naar een arts te gaan,’ zei ze. ‘Niet om me te verzorgen. Om mee te luisteren. Ik vergeet de helft.’
Mijn eerste reactie was dat ik er niets bij kon hebben.
Zij zag mijn gezicht.
‘Je hoeft niet meteen ja te zeggen.’
Dat veranderde de vraag.
We wisselden nummers uit. Twee weken later dronken we koffie, zonder ziekenhuisafspraak. Ze vertelde dat ze vroeger buschauffeur was geweest. Ik vertelde over boze huurders. We hadden allebei mensen meegemaakt die dachten dat harder praten een deur sneller open kreeg.
Voor het eerst in maanden lachte ik zonder daarna naar mijn telefoon te grijpen.
Thuis schreef ik op een apart vel wat ik zelf later nodig kon hebben. Geen namen nog. Eerst de dingen. Vervoer. Iemand die mijn wensen kende. Een woning zonder trap.
Bij dat laatste keek ik lang om me heen.
Hoofdstuk 5
De open deur
In november belde de buurman van mijn moeder om zes uur ’s ochtends. Haar voordeur stond open. Haar rollator stond in de gang. Zij was weg.
‘Ik heb op de galerij gekeken,’ zei hij. ‘En beneden.’
Ik zat meteen rechtop.
‘Bel de politie. Ik kom.’
Ik trok mijn jas over mijn slaapshirt. In de auto belde ik Ben via de luidspreker. Deze keer nam hij meteen op.
‘Ik vertrek,’ zei hij.
Meer had ik op dat moment niet nodig.
Het regende hard. De ruitenwissers kregen het water nauwelijks weg. Onderweg dacht ik aan de IJssel, en dwong mezelf daarna naar de achterlichten voor me te kijken.
Bij de flat stond een politiewagen. Een agent vroeg om een recente foto. Ik had tientallen foto’s van haar medicijnetiketten en een wond aan haar hiel. De nieuwste duidelijke foto van haar gezicht was maanden oud.
Terwijl ik zocht, kwam er bericht. Ze was gevonden bij een bushalte, een paar straten verderop. Een bezorger had haar zien zitten in haar nachtjapon en winterjas.
Ze had pantoffels aan. Geen sokken.
Toen ik bij haar kwam, zat ze achter in een ambulance onder een deken.
‘Ik moest naar mijn moeder,’ zei ze.
Mijn oma was al eenendertig jaar dood.
‘Je bent erg koud, mam.’
‘Ik heb de bus gemist.’
Ik ging naast haar zitten. Haar pantoffels stonden in een plastic zak op de vloer. Uit één ervan liep water.
In het ziekenhuis werd ze onderzocht. Er bleek een infectie te zijn. De arts sprak over een delier: acute verwardheid, mogelijk boven op andere geheugenproblemen. Dat laatste moest later worden uitgezocht.
‘Maar ze kan toch niet terug naar huis?’ vroeg ik.
‘Niet op deze manier,’ zei hij.
Ik voelde mijn schouders zakken. Meteen daarna werd ik bang dat iemand mijn opluchting kon zien.
Mijn moeder knapte lichamelijk op. De verwardheid nam af, maar verdween niet helemaal. Ze wist soms niet waar ze was. Op andere momenten kon ze scherp vertellen dat wij haar achter haar rug om wilden wegstoppen.
Een tijdelijke vervolgplek kwam niet dezelfde dag beschikbaar. Er volgden telefoontjes, beoordelingen en gesprekken. Ben zat nu naast me. Hij schreef namen en afspraken op terwijl ik vragen stelde.
Toen een ontslagdatum ter sprake kwam, zei ik dat ik de nachten niet kon overnemen.
Mijn stem trilde. Ik herhaalde het toch.
De transferverpleegkundige vroeg door over wat thuis gebeurde. Ditmaal vertelde ik ook de dingen die ik eerder had verzwegen: het pannetje op het vuur, de vuile kleren onder haar bed, de keren dat ik haar pillen los op tafel vond.
Ben keek naar me.
‘Waarom heb je dat niet gezegd?’
‘Omdat ik dacht dat ik het dan niet goed deed.’
Hij schoof zijn stoel dichterbij, zonder iets te zeggen.
Na een tijdelijke opname en verdere beoordeling werd duidelijk dat mijn moeder blijvend toezicht en nabijheid van zorg nodig had. Er volgde een indicatie en daarna opnieuw wachten. Uiteindelijk kwam er een kamer vrij in een woonzorgcentrum in Zutphen.
Ze wilde niet verhuizen.
Op de dag zelf stond ze met haar hand om de deurpost van haar flat.
‘Jij hebt makkelijk praten,’ zei ze. ‘Jij mag naar je eigen huis.’
Dat was waar.
Ik kon haar niet overtuigen dat dit goed voelde. Het voelde niet goed. Ik hielp haar jas dichtdoen en liet haar boos zijn.
In haar nieuwe kamer zetten we haar groene stoel bij het raam. Ben hing de foto van mijn vader op. Ik borg haar vesten op in de volgorde die ze thuis ook gebruikte.
‘Blijf je eten?’ vroeg ze.
Ik had willen vertrekken. Ik was leeg.
‘Vandaag wel.’
We aten aardappelpuree met worteltjes. Mijn moeder mopperde dat de jus dun was. Aan de andere tafel liet een man zijn lepel vallen. Een verzorgende raapte hem op en bracht een schone.
Ik merkte dat ik niet hoefde op te staan.
Toen ik later wegging, liep een medewerker met mijn moeder naar de huiskamer. Op de parkeerplaats bleef ik naast mijn auto staan. Mijn telefoon zat in mijn tas.
Voor het eerst in lange tijd hoefde ik die avond nergens meer heen.
Hoofdstuk 6
Mijn eigen adres
Ik schreef me niet pas na de verhuizing van mijn moeder in voor een andere woning. Dat had ik jaren eerder gedaan, bijna gedachteloos. Toch had ik nooit op een appartement gereageerd.
Nu wel.
Mijn huis in Deventer had een smalle trap, een hoge drempel bij de achterdeur en een tuin die ik steeds vaker vanuit de keuken bekeek. Ik hield van dat huis. Ik kon tegelijk zien wat er niet meer paste.
Bij de eerste bezichtiging zei de verhuurmedewerker dat de woning levensloopbestendig was.
‘Kan de douche hier met een rollator in?’ vroeg ik.
Hij keek naar de douchedeur.
‘Dat zou u moeten meten.’
Dat deed ik. Hij keek wat ongemakkelijk toen ik mijn rolmaat pakte.
Het werd die woning niet.
Een paar maanden later kreeg ik een appartement in Keizerslanden aangeboden. Twee slaapkamers. Een lift. Winkels op loopafstand. Geen gezamenlijke eetzaal of verplicht koffiemoment. Wel een bankje bij de ingang waar meestal iemand zat.
Ben hielp met de verhuizing. In een doos vond hij een houten trein die van ons als kinderen was geweest.
‘Bewaar jij die nog?’
‘Blijkbaar.’
Ik had hem ooit bewaard voor een kind dat niet kwam. Daarna was de doos gewoon meeverhuisd.
‘Wil je hem hebben?’ vroeg ik.
Zijn kleinzoon was bijna drie.
‘Weet je het zeker?’
Ik pakte het rode locomotiefje op. Eén wiel zat scheef.
‘Ja. Maar maak dat wiel eerst vast.’
Ik was die avond verdrietig. Ook blij dat de trein uit de doos zou komen. Het ene maakte het andere niet onwaar.
Naast mijn nieuwe voordeur woonde Henk, eenenzeventig, voormalig elektricien. Hij kwam een schroevendraaier lenen terwijl mijn verhuisdozen nog in de gang stonden.
‘Goed begin,’ zei ik.
‘Als ik zelf alles heb, leer ik niemand kennen.’
Hij bracht hem binnen een uur terug. Dat vond ik een prettig detail.
Met Marjan, Koos en later Henk besprak ik of we iets praktisch konden afspreken. Geen vervangende familie. Niemand wilde een rooster voor de rest van zijn leven.
We begonnen klein. Een bericht als iemand onverwacht naar het ziekenhuis moest. Een reservesleutel bij twee mensen, met toestemming. Contactgegevens op papier. Vragen mocht. Nee zeggen ook.
Koos wilde niet in een dagelijkse meldgroep.
‘Dan moet ik op mijn vakantie bewijzen dat ik nog leef.’
Dus deden we dat niet.
Met Marjan sprak ik wel af dat we elkaar na een onderzoek even belden. Ik ging een keer mee naar haar cardioloog. Zij ging mee toen ik vanwege mijn botbreuk mijn botdichtheid liet onderzoeken.
In de spreekkamer haalde ze haar schrift tevoorschijn.
‘Wat wilde je ook alweer vragen over die medicijnen?’
Ik was het inderdaad vergeten.
Ook maakte ik een afspraak bij een notaris. Ik wilde weten wie financiële zaken kon regelen als ik dat zelf niet meer kon, en hoe ik dat zorgvuldig vastlegde. Met mijn huisarts besprak ik wie namens mij kon spreken als ik niet meer in staat was medische beslissingen te nemen.
Dat werden geen snelle handtekeningen. Ik praatte eerst met Ben en Sacha over wat zo’n rol werkelijk inhield. Sacha vroeg tijd om erover na te denken.
Vroeger zou ik dat als afwijzing hebben gevoeld. Nu was ik blij dat ze niet achteloos ja zei.
Mijn moeder bezocht ik twee keer per week. Soms vaker omdat ik zin had. Niet omdat ik ieder gat moest vullen.
Ze kende niet altijd de dag, maar meestal wel mijn gezicht. Eén middag kneep ze in mijn arm.
‘Je ziet er beter uit.’
‘Ik slaap weer.’
‘Dat werd tijd.’
Ik lachte. Ze vroeg niet waarom ik zo lang slecht had geslapen. Ik besloot die middag niet alsnog een erkenning uit haar te trekken die ze misschien niet kon geven.
We aten samen een mandarijn. Ik legde de partjes op haar schoteltje. Buiten reed iemand met een bladblazer langs het raam.
‘Wat een rotherrie,’ zei ze.
‘Ja,’ zei ik.
We zaten nog een halfuur. Daarna ging ik naar huis, waar Henk mijn gordijnrail zou komen ophangen.
Hoofdstuk 7
Wat er wel is
Mijn moeder stierf in februari, ruim een jaar na haar val. Ze had een longontsteking en werd snel zwakker. Met de arts hadden we eerder besproken welke behandelingen nog bij haar pasten. Nu ging het vooral om haar comfort.
Ben en ik zaten om beurten bij haar. De laatste nacht waren we er allebei.
Hij sliep in een stoel met zijn mond open. Ik hield haar hand vast. Om kwart over vier veranderde haar ademhaling. Ik drukte op de bel en maakte Ben wakker.
De verpleegkundige bleef bij ons.
Het was stiller dan ik had verwacht. Geen laatste zin die alles op zijn plaats zette. Mijn moeder ademde uit. We wachtten op de volgende keer.
Die kwam niet.
Na de uitvaart wist ik dagenlang niet wat ik met de middagen moest. Ik had mijn vaste bezoeken nog in de agenda staan. Op dinsdag om twee uur kreeg ik een herinnering terwijl ik in de supermarkt voor de yoghurt stond.
Ik liet mijn mandje staan en liep naar buiten.
Sacha nam haar telefoon op.
‘Ze is er echt niet meer,’ zei ik.
‘Waar ben je?’
Ze kwam niet meteen aanrennen. Ze was aan het werk. We spraken af dat ik naar huis ging en dat zij die avond zou bellen. Dat deed ze. Ook dat was hulp.
Naast verdriet voelde ik opluchting. Geen schrik meer bij onbekende nummers. Geen afweging of ik wel genoeg kwam. Ik vertelde het eerst aan Marjan, tijdens een wandeling langs de IJssel.
‘Ik mis haar,’ zei ik. ‘Maar ik mis het zorgen niet.’
Marjan knikte.
We liepen verder zonder er een betere zin van te maken.
Het voorjaar daarna werd ik zevenenzestig. Ik gaf voor het eerst in jaren een etentje. Ben kwam met zijn vrouw. Sacha bracht brood mee. Marjan hielp snijden. Henk schoof later aan, nadat hij eerst had gevraagd of dat niet alleen voor familie was.
‘Nee,’ zei ik. ‘Wel zelf je stoel pakken.’
Tijdens het eten belde Bens dochter. Zijn kleinzoon wilde iets laten zien. Op het scherm reed de oude houten trein over een tafel.
Even moest ik wegkijken.
Daarna vroeg ik of het wiel goed bleef zitten.
Mijn kinderloosheid was niet opgelost door een verhuizing, vrienden of een notariële akte. Op sommige dagen zat het gemis nog scherp in mijn lijf. Vooral bij gewone dingen. Een vrouw in de bus die tegen haar dochter zei dat ze dezelfde handen hadden. Foto’s van drie generaties aan een keukentafel.
Ik hoefde daar niet meer iedere keer tegenin te denken dat ik ook een goed leven had. Ik kon verdrietig zijn en later diezelfde dag plezier hebben.
Onze afspraken in de buurt werkten niet altijd soepel. Henk ging onverwacht drie weken naar zijn zus. Marjan had zelf een periode meer hulp nodig. Koos vergat een keer dat hij mij naar een controle zou brengen.
Ik nam een taxi. Later belde ik hem.
‘Ik was kwaad,’ zei ik.
‘Terecht. Het stond op het verkeerde briefje.’
We spraken af dat ritten voortaan de dag ervoor bevestigd werden. Ik hield ook geld apart voor vervoer. Vriendschap moest niet de enige oplossing zijn.
In juni kreeg ik griep. Geen ramp, maar genoeg om slap en duizelig te worden. Op de tweede ochtend stond ik onder de douche toen ik merkte dat ik moest gaan zitten.
Ik draaide het water uit en ging op het douchekrukje zitten dat ik eerst overdreven had gevonden.
Daarna belde ik Marjan.
‘Wil je vanmiddag boodschappen voor me doen?’
‘Vanmiddag lukt niet. Vanavond wel.’
‘Graag.’
Ik kroop terug in bed. Later stuurde Henk dat hij toch naar de winkel ging en de boodschappen eerder kon brengen. Ik gaf hem mijn lijstje en maakte het geld over.
Toen hij de tas in de keuken zette, vroeg hij of er nog iets was.
Ik wilde automatisch nee zeggen.
‘Wil je de vuilniszak meenemen?’
‘Zet maar bij de deur.’
Hij vertrok. Ik at een boterham en hoorde buiten kinderen op het plein spelen. Daarna stuurde ik Marjan dat het geregeld was, maar dat ik haar die avond graag even sprak.
Ze antwoordde met een tijd.
Ik legde mijn telefoon op het nachtkastje, binnen bereik. Niet onder mijn kussen.
Toen sliep ik.