Naar de inhoud
Terug naar het boek

Identiteit en zelfacceptatie

Pleaser in herstel

Hoofdstuk 1

Pleaser in herstel — Mijn handtekening

Om kwart over vijf schoof Bas een verklaring over mijn bureau.

‘Alleen nog jouw handtekening, Noor. Dan kunnen we naar huis.’

Buiten sloeg regen tegen de ramen. Op de parkeerplaats van ons kantoor in Amersfoort stond alleen mijn fiets nog. Mijn telefoon trilde. Mijn moeder. Daaronder twee berichten van mijn broer Daan. Of ik zaterdag toch kon komen helpen met haar verhuizing. Hij had iets anders.

Ik las de verklaring.

Bewoner stemt in met tijdelijke verhuizing. Vervangende woonruimte is besproken en passend bevonden.

Onder aan het formulier stond de naam van mevrouw De Wit. Tweeënzeventig. Derde verdieping. Rollator. Ik had haar die ochtend bezocht vanwege de renovatie van haar flat in Schuilenburg. Ze had niet ingestemd. Ze had gehuild toen ik vertelde dat ze zes weken ergens anders moest wonen.

‘Dit klopt niet,’ zei ik.

Bas trok zijn jas aan. ‘Ze heeft mondeling akkoord gegeven. Aan mij.’

‘Wanneer?’

Hij keek naar de klok boven de deur.

‘Noor. Ik heb straks een ouderavond. Het gaat om de administratie. Niet om een rechtbank.’

Ik was vierendertig en bewonersbegeleider bij een stichting die huurders ondersteunde tijdens renovaties. Mijn werk was luisteren, uitleggen, afspraken vastleggen. Ik was er goed in. Dat zeiden anderen tenminste. Vooral als ik hun werk overnam.

‘Maar hier staat dat ík het besproken heb.’

Bas liet zijn schouders zakken. Niet boos. Teleurgesteld. Dat werkte beter.

‘Je bent toch bij haar geweest? We hebben vandaag twintig dossiers dichtgezet. Ga jij nou op het laatste formulier moeilijk doen?’

Mijn nek werd warm. Ik zag de ochtend voor me. Mevrouw De Wit aan haar keukentafel. Haar blauwe pillendoos. De lift in de aangeboden logeerflat die al weken niet werkte. Ze had gevraagd hoe ze daar met haar rollator moest komen.

Ik pakte mijn pen.

‘Als jij zeker weet dat ze akkoord is.’

‘Honderd procent.’

Ik zette mijn handtekening.

Bas tikte twee keer op mijn bureau. ‘Topper.’

Op de fiets belde ik mijn moeder terug. Ik reed met één hand langs de Hogeweg.

‘Ja, ik kom zaterdag,’ zei ik voordat ze iets gevraagd had.

‘Fijn, meisje. Daan heeft het zo druk.’

Bij het stoplicht botste mijn voorwiel tegen de stoeprand. Ik stapte af en begon te trillen. Niet een beetje. Mijn tanden sloegen tegen elkaar. Ik zette mijn fiets tegen een hek en drukte mijn handen onder mijn oksels.

Een jongen met een bezorgtas vroeg of ik gevallen was.

‘Nee. Alles goed.’

Ook tegen hem zei ik het automatisch.

Thuis stond er soep voor mijn deur. Mijn buurvrouw Ellen had een sleutel en soms medelijden met mijn avondeten. Aan het bakje hing een briefje: Niet terugbetalen. Gewoon opeten.

Ik zette het in de koelkast. Daarna klapte ik mijn laptop open.

In het dossier van mevrouw De Wit stond mijn naam. Mijn handtekening. Mijn verslag van die ochtend stond eronder. Daarin had ik duidelijk geschreven dat zij nog vragen had en niet akkoord was.

Ik las beide documenten drie keer.

Toen stuurde ik Bas een bericht.

Volgens mij spreken het verslag en de verklaring elkaar tegen. Kunnen we dit morgen aanpassen?

Hij antwoordde meteen.

Niet groter maken dan het is. Slaap lekker.

Ik maakte een nieuw bericht. Wiste het. Maakte nog een bericht. Wiste dat ook.

Om elf uur belde mevrouw De Wit.

Ik had haar mijn mobiele nummer gegeven. Dat deed ik vaker. Bereikbaar zijn voelde als goed werk leveren.

‘Ze zeggen dat ik akkoord ben,’ zei ze. ‘Er stond vanavond een meneer van de planning voor de deur.’

Ik zat op de rand van mijn bed.

‘Ik ga het uitzoeken.’

‘Heb jij dat gezegd, Noor?’

In de badkamer drupte de kraan. Ik hoorde elke druppel.

‘Ik heb een formulier ondertekend.’

Ze bleef stil.

‘Bas zei dat u met hem gesproken had.’

‘Ik ken geen Bas.’

Ik drukte mijn vingers tegen mijn ogen.

‘Het spijt me.’

‘Dat kan wel. Maar vrijdag komen ze mijn spullen halen.’

Toen ze ophing, legde ik mijn telefoon op het dekbed. Ik wilde iemand bellen die kon zeggen dat ik geen slecht mens was. Mijn moeder. Ellen. Mijn ex, zelfs.

In plaats daarvan bleef ik zitten.

Voor het eerst die avond dacht ik niet aan hoe boos Bas morgen zou zijn. Ik dacht aan die rollator. En aan mijn hand die gewoon was doorgegaan.

Hoofdstuk 2

Niet meer gladstrijken

Om zeven uur stond ik voor het kantoor. De schoonmaker liet me binnen. Ik had niet geslapen. In mijn tas zat de soep van Ellen, omdat ik ergens gelezen had dat je tijdens stress moest blijven eten.

Ik opende het dossier. De verklaring stond er nog. Er was niets aangepast.

Ik schreef een zakelijke e-mail aan Bas en onze directeur, Renske. Mijn handen waren zo onrustig dat ik steeds verkeerde toetsen raakte.

Ik heb gisteren een verklaring ondertekend die ik niet kon verifiëren. Mevrouw De Wit heeft mij inmiddels verteld dat zij geen toestemming heeft gegeven. Haar verhuizing moet worden stilgezet totdat dit is uitgezocht.

Ik las de mail hardop. Toen haalde ik drie verontschuldigingen weg en drukte op verzenden.

Bas kwam om acht uur binnen.

‘Wat heb jij gedaan?’

Hij bleef in de deuropening staan. Zijn fietshelm hing nog aan zijn arm.

‘Een fout gemeld.’

‘Je had mij kunnen bellen.’

‘Ik heb je gisteren een bericht gestuurd.’

‘En nu zet je Renske erbij? Lekker collegiaal.’

Mijn mond ging al open. Ik wilde zeggen dat ik hem niet had willen beschadigen. Dat ik snapte hoe druk het was. Dat ik het misschien verkeerd had begrepen.

Toen dacht ik aan vrijdag.

‘De verhuizing moet stoppen.’

Hij gooide zijn helm op een stoel.

‘Jij hebt zelf getekend, hè.’

‘Ja.’

Dat ene woord kostte meer dan de hele e-mail.

Om negen uur zaten we bij Renske. Ze vroeg wie wanneer met de bewoner had gesproken. Bas zei dat hij dossiers door elkaar gehaald moest hebben. Hij klonk rustig. Ik niet. Ik zweette door mijn blouse en kon de datum van mijn huisbezoek niet meer vinden.

Renske schoof een glas water naar me toe.

‘We zetten de verhuizing stil. Daarna kijken we naar de rest.’

‘Kan ik mevrouw De Wit bellen?’ vroeg ik.

‘Samen met mij.’

Mevrouw De Wit wilde eerst weten of er vrijdag echt niemand zou komen. Renske bevestigde het en beloofde dat ook schriftelijk te doen. Daarna zei ik dat ik ten onrechte had getekend.

‘Ik wil voorlopig een ander aanspreekpunt,’ zei ze.

Ik voelde de woorden in mijn buik.

‘Dat begrijp ik.’

Ik begreep het. Ik vond het ook verschrikkelijk.

Na het gesprek moest ik mijn lopende dossiers overdragen. Er kwam een intern onderzoek. Geen ontslag op dat moment, zei Renske. Wel een serieuze kwestie.

Mijn collega Farah nam mijn mappen aan.

‘Wil je dat ik even bij je blijf?’

‘Nee, hoor. Het gaat.’

Ze keek naar het glas water dat ik met twee handen vasthield.

‘Dat was niet mijn vraag.’

Ik begon te huilen. Hard en zonder waarschuwing. Farah deed de deur dicht. Ze raakte me niet aan. Daar was ik haar dankbaar voor.

De volgende ochtend belde ik me ziek. Daarna de huisarts. Aan de assistente vertelde ik dat ik slecht sliep en hartkloppingen had. Ik vertelde niet over de handtekening. Pas bij huisarts Vermeer kwam het eruit.

‘Ik weet niet of ik ziek ben,’ zei ik. ‘Misschien ben ik gewoon laf.’

Hij vroeg naar eten, slapen en concentratie. Naar hoe lang ik al zo gespannen was. Naar gedachten die me bang maakten. Ik zei dat ik soms hoopte op een griep die weken zou duren, zodat niemand iets van me kon vragen.

‘Maar ik wil niet dood,’ voegde ik snel toe.

‘Goed dat je dat zegt. Je hoeft hier niet de juiste antwoorden te geven.’

Ik keek naar de posters achter hem. Stoppen met roken. Een cursus valpreventie.

Hij stelde afspraken met de praktijkondersteuner voor en verwees me naar een psycholoog. Ook moest ik met de bedrijfsarts spreken. Voor die week spraken we weinig af. Eten. Naar buiten. Niet mijn werkmail blijven controleren.

Thuis belde ik mijn moeder.

‘Ik kan zaterdag niet helpen.’

‘Waarom niet?’

‘Ik ben ziekgemeld.’

‘Een verkoudheid?’

‘Nee. Ik ben op.’

Ze zuchtte. ‘Maar de bus is al gehuurd.’

Ik liep naar de koelkast en keek naar het bakje soep.

‘Bel Daan.’

‘Die heeft toch—’

‘Ik kan niet komen.’

Na het gesprek zat ik twintig minuten met mijn jas aan op de keukenvloer. Mijn moeder stuurde geen hartje terug. Daan stuurde een vraagteken.

De verhuizing ging zonder mij door.

Dat voelde niet bevrijdend. Het voelde alsof ik ergens ontbrak waar ik straf voor zou krijgen.

Hoofdstuk 3

Wat ik zelf wil

De eerste vraag van psycholoog Samira was eenvoudig.

‘Wat doe je graag?’

Ik vertelde over mijn werk. Over koken voor mijn moeder. Over oppassen op mijn nichtje Lotte.

‘En als niemand daar iets aan heeft?’

Ik keek naar mijn schoenen.

Haar praktijk zat boven een apotheek aan de Leusderweg. Buiten hoorde ik een vrachtwagen achteruitrijden. Het piepen duurde lang genoeg om een antwoord te verzinnen.

‘Wandelen,’ zei ik.

‘Vind je dat fijn?’

‘Het is gezond.’

Ze glimlachte niet. Ze schreef ook niets op. Ze wachtte.

‘Ik weet het niet,’ zei ik uiteindelijk.

Dat bleek het eerste eerlijke antwoord van die middag.

Ik vertelde hoe mensen mij omschreven. Lief. Rustig. Flexibel. Makkelijk. Ik had die woorden verzameld alsof ze samen bewezen dat ik bestaansrecht had.

‘Wat gebeurt er als iemand teleurgesteld is in jou?’ vroeg Samira.

‘Dan moet ik het oplossen.’

‘En als dat niet kan?’

Ik haalde mijn schouders op.

‘Dan blijf ik erover nadenken tot ik iets vind.’

We praatten over vroeger. Mijn vader was vertrokken toen ik elf was. Geen grote ruzie die ik me herinnerde. Wel vuilniszakken met kleding in de gang. Mijn moeder zat daarna vaak stil aan tafel. Ik zette thee. Ik hielp Daan met zijn huiswerk. Ik vertelde niet dat ik bang was dat zij ook zou vertrekken.

‘Jij bent mijn makkelijke kind,’ zei ze dan.

Ik wist nog precies hoe trots ik daarvan werd.

Samira maakte van mijn moeder geen dader en van mij geen onschuldig kind dat nooit volwassen was geworden. Dat had ik misschien prettiger gevonden. Ze vroeg wat mijn manier van aanpassen me toen had gebracht. Rust. Nabijheid. Minder spanning aan tafel.

Daarna vroeg ze wat het me nu kostte.

Ik vertelde over mevrouw De Wit.

‘Ik was niet alleen bang voor Bas,’ zei ik. ‘Ik wilde dat hij me goed vond.’

Dat klonk kinderachtig toen ik het uitsprak. Toch was het waar.

‘Begrijpen waarom je iets deed, maakt het niet goed,’ zei Samira. ‘Maar het helpt wel om een volgende keer anders te handelen.’

Voor de week erna moest ik kleine keuzes bijhouden. Niet meteen grote grenzen stellen. Eerst merken wat mijn voorkeur was. Welke boterham. Welke route. Wel of geen bezoek.

Bij de supermarkt stond ik zeven minuten voor het brood.

Ik kocht altijd volkoren omdat mijn ex Joris dat wilde. We waren al anderhalf jaar uit elkaar. Ik at nog steeds zijn ontbijt.

Ik nam een halfje wit mee. Daarna voelde ik me belachelijk. Alsof ik genezing verwarde met slecht brood.

Thuis roosterde ik twee sneetjes. Boter. Hagelslag. Ik vond het lekker.

Dat was alles. Geen inzicht waardoor mijn leven op zijn plek viel. Alleen een lunch die ik zelf had gekozen.

Ellen kwam die avond haar bakje ophalen.

‘Ik kan meteen even stofzuigen,’ zei ze.

Mijn appartement was rommelig. Op de tafel lagen enveloppen en ongeopende werkbrieven. Haar aanbod was aardig. Toch trok mijn buik samen. Ik wilde geen bezoek dat mijn huis ging verbeteren.

‘Liever niet,’ zei ik.

Ellen zette het bakje neer.

‘Oké. Koffie dan?’

‘Ja.’

Ze ging zitten. Niets brak. Ze vroeg niet waarom. Ik werd er bijna kwaad van dat het bij haar zo makkelijk kon gaan.

Later pakte ik een schrift. Boven aan de pagina schreef ik: Dingen die van mij zijn.

Ik kwam niet verder dan hagelslag, harde muziek tijdens het fietsen en geen bezoek voor tien uur.

Toen herinnerde ik me de camera in de onderste lade. Die had ik gekocht voordat ik met Joris ging samenwonen. Ik fotografeerde toen wachthokjes, lege tribunes en gevels met dichtgemetselde ramen. Joris noemde het sombere plaatjes. Daarna maakte ik vooral foto's van zijn vrienden.

De batterij was leeg. Ik legde hem aan de lader.

Mijn telefoon lichtte op. Daan vroeg of ik woensdag Lotte van school kon halen. Hij wist dat ik thuiszat.

Mijn vingers begonnen al aan Natuurlijk.

Ik legde de telefoon weg. Keek in mijn agenda. Voelde wat mijn lijf deed.

Ik wilde Lotte zien. Alleen niet de hele middag voor haar zorgen.

Ik schreef: Woensdag lukt niet. Zaterdag kan ik twee uur met haar naar het park.

Daarna bleef ik naar het scherm kijken.

Pas tien minuten later besefte ik dat ik al die tijd mijn adem hoog vasthield.

Hoofdstuk 4

De tafel bij moeder

Mijn moeder had stamppot gemaakt. Veel te veel. De pan stond midden op tafel, op een onderzetter die ik op de basisschool had beschilderd.

Haar nieuwe flat in Soest rook naar verf en wasverzachter. Daan zat tegenover me. Zijn dochter Lotte kleurde aan de salontafel. Elke keer als een stift op de grond viel, stond ik half op.

‘Blijf zitten,’ zei Daan. ‘Ze kan hem zelf pakken.’

Ik ging weer zitten. Dat uitgerekend hij dat moest zeggen.

Mijn moeder schepte op zonder te vragen hoeveel ik wilde.

‘Volgende week moet die kast nog tegen de muur. En er hangen twee lampen niet.’

Ze keek naar mij.

‘Ik kan zaterdag een uur helpen uitzoeken wat er nodig is,’ zei ik. ‘Boren ga ik niet doen.’

‘Dat deed je vroeger anders altijd.’

‘Ja.’

Daan nam mosterd.

‘Ik snap dit hele gedoe niet zo. Je zit toch thuis om uit te rusten? Een lamp ophangen is toch geen werkdag?’

Ik voelde mijn schouders omhooggaan.

‘Ik herstel niet alleen van drukte.’

‘Waarvan dan?’

Mijn moeder schudde haar hoofd. ‘Laat haar nou eten.’

Daar was mijn uitweg. We konden zwijgen. Ik kon de lampen zaterdag ophangen en daarna met Samira bespreken waarom ik dat had gedaan.

‘Van steeds doen alsof alles kan,’ zei ik.

Daan legde zijn vork neer.

‘Dat is wel lekker vaag.’

‘Ik heb op mijn werk iets gedaan wat niet klopte. Omdat ik geen weerstand wilde geven. Dat heeft gevolgen voor iemand gehad. En voor mij.’

Mijn moeder keek snel naar Lotte.

‘Moet dit nu?’

‘Jullie vragen waarom ik dingen anders probeer te doen.’

‘Hebben ze je ontslagen?’ vroeg Daan.

‘Nee. Er loopt nog een onderzoek.’

Mijn moeder begon over een nicht die ook ooit thuis had gezeten. Die was opgeknapt van zwemmen. Ik hoorde haar praten, maar het geluid kwam steeds verder weg te staan.

‘Mam. Ik wil geen advies over zwemmen.’

Ze stopte midden in een zin.

‘Ik probeer alleen te helpen.’

‘Dat weet ik.’

‘Je doet de laatste tijd alsof ik alles verkeerd doe.’

Ik schoof mijn bord een stukje van me af. Mijn handen lagen plat op mijn benen.

‘Ik zeg dat ik iets niet wil. Dat is niet hetzelfde.’

Daan snoof. ‘Heb je dat bij die psycholoog geleerd?’

Toen werd ik boos. Niet netjes boos. Niet duidelijk en volwassen.

‘Jij laat mij al jaren alles regelen en nu maak je er een grap van.’

Lotte keek op.

Daan schoof zijn stoel naar achteren.

‘Ik heb de hele verhuizing gedaan toen jij afhaakte.’

Dat was waar. Ik wist dat hij twee vrije dagen had opgenomen. Ik wist ook dat ik hem daar nauwelijks voor bedankt had, omdat ik zo druk was met mijn schuldgevoel.

‘Dat klopt,’ zei ik. ‘Dat heb jij gedaan.’

‘Nou dan.’

‘Maar dat betekent niet dat ik nu weer alles moet doen.’

Mijn moeder begon de borden weg te halen terwijl we nog aten. Dat deed ze als ze gekwetst was. Vroeger sprong ik dan op. Ik pakte een theedoek. Ik maakte een grap. Ik zorgde dat ze weer keek alsof ze mijn moeder was.

Nu bleef ik zitten.

Het voelde wreed.

Na vijf minuten stond ik toch op. Niet om af te wassen. Om mijn jas te pakken.

Bij de salontafel ging ik door mijn knieën.

‘Ik praatte hard,’ zei ik tegen Lotte. ‘Dat was niet fijn. Het ging niet over jou.’

Ze hield een paarse stift omhoog.

‘Deze is bijna op.’

‘Dan moet je heel hard drukken,’ wilde ik zeggen. Ik slikte het in. Zelfs een lege stift hoefde ik niet meteen te redden.

Bij de voordeur kwam mijn moeder achter me aan.

‘Je vader liep ook altijd weg als het moeilijk werd.’

Ik hield de deurklink vast.

‘Dat is een pijnlijke vergelijking. Ik ga nu naar huis. Morgen bel ik je.’

Op station Soest Zuid miste ik mijn trein omdat ik op het toilet zat te huilen.

Ik belde haar de volgende dag echt. Ik bood excuses aan voor het schreeuwen. Niet voor het weigeren van de lampen.

Ze bleef kortaf.

Drie dagen later stuurde Daan een foto. De kast stond vast. De lampen hingen.

Een buurman had geholpen.

Ik keek lang naar die foto. Ik was opgelucht. En jaloers op hoe weinig moeite het blijkbaar kostte om mij te vervangen.

Hoofdstuk 5

Zonder goedkeuring

Het onderzoeksrapport lag op tafel toen ik terugkwam op kantoor. Zes weken na mijn ziekmelding. Naast Renske zat iemand van personeelszaken. Ik had een vakbondsadviseur meegenomen, een kleine vrouw die Hanneke heette en haar jas over de rugleuning vouwde.

Bas was er niet.

Dat maakte me niet rustiger. In mijn hoofd voerde ik nog steeds gesprekken met hem. Soms won ik. Meestal legde ik eindeloos uit waarom ik geen verrader was.

Renske begon met de feiten. De verklaring had niet ondertekend mogen worden. Mijn eerdere verslag had moeten leiden tot extra controle. Bas had druk uitgeoefend en onvoldoende geverifieerd. Ik had mijn naam gezet onder iets waarvan ik wist dat het niet vaststond.

‘Dat erken ik,’ zei ik.

Hanneke keek even naar mij. We hadden vooraf afgesproken dat ik geen grotere schuld op me zou nemen om het gesprek sneller voorbij te laten gaan.

Ik kreeg een schriftelijke waarschuwing. Bij terugkeer zou ik voorlopig geen toestemmingsverklaringen zelfstandig afhandelen. Er kwamen controles door een tweede medewerker. Over de maatregelen rond Bas wilde Renske niet in detail treden. Wel zou hij mijn leidinggevende niet meer zijn.

Ik knikte en wilde zeggen dat ik alles begreep en blij was dat ik nog een kans kreeg.

Hanneke stelde eerst vragen over de duur van de maatregel en de afspraken voor begeleiding.

Ik was haar dankbaar. Tegelijk schaamde ik me dat iemand anders voor mijn belangen moest opletten.

‘Wat gebeurt er met mevrouw De Wit?’ vroeg ik.

Farah begeleidde haar nu. Er was een gelijkvloerse logeerwoning gevonden in Liendert. Mevrouw De Wit had die samen met haar zus bekeken. De verhuizing zou pas doorgaan na schriftelijke instemming.

‘Mag ik haar nog een brief sturen?’

Renske wilde eerst laten vragen of zij daarvoor openstond.

Dat antwoord vond ik moeilijker dan de waarschuwing. Zelfs mijn excuses waren niet vanzelf welkom.

Twee dagen later mocht het. Ik schreef één pagina. Geen uitleg over mijn jeugd. Geen verhaal over slapeloze nachten. Ik benoemde wat ik had gedaan en dat ik haar vertrouwen had beschadigd. Ik schreef dat zij niet hoefde te antwoorden.

Daarna controleerde ik toch elke dag de post.

Bij Samira zei ik dat ik bang was een slecht mens te zijn.

‘Wat zou het antwoord daarop oplossen?’ vroeg ze.

‘Als jij zegt van niet, kan ik misschien stoppen met denken.’

‘Voor hoe lang?’

Ik lachte kort. ‘Tot vanavond.’

We oefenden met een zin die ik eerst afschuwelijk vond: ik heb iets verkeerd gedaan en ik hoef mezelf niet volledig af te schrijven.

Het voelde alsof ik mezelf korting gaf. Samira vroeg of zelfhaat mevrouw De Wit een betere woning bezorgde. Nee. Zorgvuldiger werken misschien wel.

In diezelfde week ging ik naar een lotgenotengroep in een buurthuis in Utrecht. Niet specifiek voor pleasers. Voor mensen die vastgelopen waren door spanning en overbelasting.

We zaten met zeven mensen rond twee tafels. Er was slappe koffie. Niemand droeg schoenen die piepten behalve ik.

Een man genaamd Leon vertelde dat hij altijd grappen maakte wanneer hij verdrietig was. Een vrouw, Saskia, zei dat ze een uur had geoefend op het afzeggen van een verjaardag.

Ik vertelde dat ik niet wist wie ik was als niemand tevreden over me hoefde te zijn.

‘Misschien ben je dan soms chagrijnig,’ zei Leon.

Ik moest lachen.

‘Dat klinkt klein,’ zei ik. ‘Maar ik vind dat dus echt eng.’

Na afloop vroeg Saskia of ik mee koffie ging drinken. Ik was moe. Mijn hoofd bonsde.

‘Vandaag niet,’ zei ik. ‘Volgende keer misschien.’

Ze trok haar jas aan. ‘Prima.’

Op Utrecht Centraal haalde ik mijn camera uit mijn tas. Ik maakte een foto van een man die naast een kapotte roltrap stond te wachten. Alleen zijn schoenen kwamen erop. Daarnaast een weggegooid bonnetje.

Thuis bekeek ik de foto. Scheef. Donker. Niet geschikt voor een kaart of een familiealbum.

Ik vond hem goed.

Voor het eerst in weken stuurde ik iets naar Ellen zonder er een vraag achter te zetten. Geen Vind je dit wat? Geen Is dit raar?

Alleen de foto.

Ze stuurde terug: Ik hoor bijna dat station.

Ik las het twee keer. Daarna sloot ik de telefoon. Ik hoefde haar niet uit te leggen waarom haar reactie precies goed was.

Hoofdstuk 6

Toch weer ja

Mijn terugkeer begon met twee ochtenden per week. Ik controleerde contactgegevens, werkte achterstallige verslagen bij en ging samen met Farah op huisbezoek. Het was minder dan ik wilde en meer dan ik aankon.

Na de eerste ochtend sliep ik drie uur.

Toch vertelde ik iedereen dat het goed ging. Dat was niet helemaal gelogen. Ik was blij weer ergens heen te fietsen. Ik miste het werk. Alleen verwarde ik blij zijn nog vaak met alles aankunnen.

Op een donderdag vroeg Farah of ik een bewonersavond wilde bijwonen. Alleen luisteren. Twee uur. De bijeenkomst was een week later in een school in Schuilenburg.

‘Overleg het even met je leidinggevende,’ zei ze.

Mijn nieuwe leidinggevende, Pieter, zei dat de avond binnen mijn uren moest passen. Dus die week een ochtend minder. Dat klonk redelijk.

Op de middag van de bijeenkomst werd Farah ziek. Pieter belde.

‘Ik zoek een vervanger. Misschien moet ik hem afzeggen.’

Ik stond op dat moment bij de bakker.

‘Ik kan het wel doen.’

De woorden waren eruit voordat ik naar mijn vermoeidheid had geluisterd.

‘Niet alleen,’ zei Pieter.

‘Als jij erbij bent, lukt het.’

Hij aarzelde. Ik begon meteen te bewijzen dat het kon. Ik kende de bewoners. Ik kende het project. Ik hoefde alleen de presentatie door te nemen.

Een uur later zat ik thuis achter mijn laptop. Om zes uur had ik niets gegeten. Om halfzeven stond ik in een klaslokaal stoelen recht te zetten.

Pieter kwam binnen met een doos bekers.

‘Je ziet bleek.’

‘Dat licht doet niemand goed.’

Ik maakte een grap. Hij lachte. Klaar.

De eerste twintig minuten ging het goed. Daarna vroeg een bewoner waarom zijn badkamer kleiner werd. Een ander begon over asbest. Twee mensen praatten door elkaar. Ik hoorde mezelf antwoorden geven die ik niet zeker wist.

Toen stond mevrouw De Wit achter in het lokaal op.

Ik had niet geweten dat ze zou komen.

‘Krijgen we wat u nu zegt ook op papier?’ vroeg ze.

Het was een normale vraag. Toch werd mijn mond droog. De letters op mijn scherm bewogen. Ik wilde zeggen dat ze mij deze keer echt kon vertrouwen.

In plaats daarvan zei ik: ‘Ja, natuurlijk. Alles komt goed.’

Zodra ik het hoorde, wist ik dat ik weer te ver ging.

Ik pakte de rand van de tafel vast. Pieter keek naar me.

‘Ik moet even stoppen,’ zei ik.

De ruimte werd stil.

Ik draaide me naar hem. ‘Kun jij het overnemen?’

Hij knikte. Ik liep de gang in. Naast een kapstok met kinderjassen ging ik op een bankje zitten. Mijn hart bonsde. Ik telde geen tegels. Ik deed geen perfecte oefening. Ik zette mijn voeten neer en wachtte tot ik weer normaal kon kijken.

Na een paar minuten kwam Pieter.

‘Ik heb pauze ingelast. Kun je naar huis?’

‘Ik heb het verpest.’

‘Je hebt te veel op je genomen. En je bent gestopt toen het niet ging.’

‘Jij waarschuwde me.’

‘Ja. En ik had als leidinggevende niet op jouw overtuigingskracht moeten varen.’

Dat hij zijn eigen deel benoemde, maakte me bijna opnieuw aan het huilen.

De volgende ochtend mailde hij de bewoners welke antwoorden nog gecontroleerd moesten worden. Mijn uitspraak dat alles goed zou komen stond niet in het verslag. Wel de concrete afspraken. Dat was beter.

Ik ging die middag naar de lotgenotengroep. Het liefst had ik afgezegd. Ik wilde niet degene zijn die weken over grenzen praatte en vervolgens precies hetzelfde deed.

‘Ik dacht dat ik verder was,’ zei ik.

Saskia schoof de koekjestrommel naar me toe.

‘Je bent de gang in gegaan.’

‘Nadat ik mezelf eerst in de problemen had gebracht.’

‘Ja,’ zei ze. ‘Ook dat.’

Ze maakte het niet mooier. Daar had ik meer aan dan aan een compliment.

Met Samira onderzocht ik later het moment bij de bakker. De opluchting toen ik een oplossing kon bieden. Het vooruitzicht dat Pieter me bekwaam zou vinden. De angst om weer de kwetsbare medewerker te zijn.

Ik maakte een nieuwe afspraak met mezelf. Op extra verzoeken geen direct antwoord. Eerst mijn agenda. Daarna mijn lijf. Desnoods pas de volgende dag reageren.

Die avond oefende ik hardop in mijn keuken.

‘Ik kom erop terug.’

Het klonk stijf.

Ik zei het nog eens. Minder vriendelijk deze keer.

Ook dat mocht blijkbaar.

Hoofdstuk 7

Mijn gewone leven

Acht maanden na de handtekening werkte ik vier dagen van zes uur. Minder salaris. Minder ruimte voor onverwachte rekeningen. Ik had mijn sportschool opgezegd en verkocht de racefiets die ik ooit voor Joris had gekocht.

Ik vond fietsen helemaal niet leuk als het om tijden en afstanden ging.

Op mijn gewone fiets reed ik nog steeds graag. Met muziek, zolang het verkeer rustig was. Soms zonder bestemming. Meestal naar de supermarkt, want herstel maakte de was en de boodschappen niet overbodig.

Mijn werk was veranderd. Ik deed minder projecten tegelijk. Bij belangrijke verklaringen controleerden twee medewerkers de inhoud. Dat gold inmiddels voor iedereen. Niet alleen voor mij.

Bas werkte nog bij de stichting, op een andere afdeling. Af en toe zagen we elkaar bij de koffieautomaat. Hij groette kort. Ik ook.

Ik had lang gehoopt op een gesprek waarin hij zou toegeven hoeveel druk hij had gezet. Dat gesprek kwam niet. Ik kon hem niet dwingen tot een versie van het verhaal waarin ik me beter voelde.

Op een dinsdag kwam mevrouw De Wit langs op kantoor. Haar renovatie was afgerond. Ze bracht een envelop voor Farah.

Ik stond bij de printer toen ze binnenkwam.

‘Goedemorgen,’ zei ik.

Ze keek me aan. ‘Dag Noor.’

Ik vroeg hoe haar woning was geworden.

‘De douche is fijn. De keuken is kleiner dan ik dacht.’

‘Dat is jammer.’

Ze knikte. Daarna keek ze richting de spreekkamers.

‘Is Farah er?’

Ik haalde Farah. Geen vergeving. Geen gesprek waarin alles weer goed werd. Mevrouw De Wit was beleefd en bleef bij haar eigen keuze.

Later merkte ik dat ik niet voortdurend terugdacht aan haar gezicht. Ik had mijn fout niet vergeten. Maar ik hoefde haar niet meer in gedachten te laten zeggen dat ik toch aardig was.

Met mijn moeder ging het wisselend. Ze vroeg nog steeds eerst aan mij of ik iets kon regelen. Soms zei ik ja. Soms nee. Soms vroeg ik wat Daan kon doen.

‘Je bent wel zakelijk geworden,’ zei ze een keer.

‘Ik probeer duidelijk te zijn.’

‘Dat vond ik vroeger ook van je.’

Ik liet het daarbij. Niet elk gesprek hoefde te bewijzen dat ik veranderd was.

Daan en ik maakten een gedeelde agenda voor praktische dingen rond haar flat en afspraken. We kregen daar ruzie over. Daarna werkte het redelijk. Hij bleek sommige dingen beter te kunnen dan ik. Mijn moeder luisterde eerder naar hem als een reparatie echt niet dezelfde dag hoefde.

Op een zondag ging ik met Lotte naar het park. Ze wilde daarna bij mij blijven eten.

‘Vandaag niet,’ zei ik. ‘Ik wil vanavond alleen zijn.’

‘Waarom?’

‘Omdat ik dat fijn vind.’

Ze dacht even na.

‘Dan kan ik bij papa pannenkoeken vragen.’

Ik hoefde haar teleurstelling niet eens volledig weg te nemen. Ze had zelf al een volgend plan.

Mijn foto's hingen die maand in de gang van de bibliotheek. Vier afdrukken, tussen een prikbord en een deur naar het magazijn. Geen grote tentoonstelling. Een medewerker had werk van lokale bezoekers gevraagd.

Ellen kwam kijken. Mijn moeder ook. Ze droeg een nette jas alsof er een opening met drankjes zou zijn.

Voor een foto van een verlaten bushalte bleef ze staan.

‘Ik begrijp niet helemaal waarom je dit mooi vindt.’

Mijn maag trok kort samen.

‘Ik vind het licht mooi,’ zei ik. ‘En dat plastic tasje onder de bank.’

Ze boog iets naar voren.

‘Dat had ik nog niet gezien.’

Meer was het niet. Het was genoeg voor die middag.

Ik ging nog eens per maand naar Samira. Naar de lotgenotengroep vaker. Soms luisterde ik alleen. Soms vertelde ik dat ik weer een hele avond had besteed aan een bericht van drie regels.

Ik noemde mezelf daar weleens een pleaser in herstel. Niet omdat aardig zijn een ziekte was. Wel omdat ik moest leren dat aandacht voor anderen niet steeds ten koste van mijn eigen oordeel mocht gaan.

Ik was nog steeds behulpzaam. Ook ongeduldig. Soms grappig. Soms afgunstig. Ik hield van fotograferen en witte boterhammen. Ik vond verjaardagen vaak te lang. Dat geheel begon meer op mij te lijken dan alleen het woord makkelijk.

Afgelopen vrijdag belde mijn moeder terwijl ik mijn camera inpakte.

Of ik even langs kon komen. Haar televisie deed raar.

‘Morgen kan ik kijken,’ zei ik. ‘Vanavond heb ik iets gepland.’

‘Met wie?’

Ik keek naar mijn tas.

‘Met niemand. Ik ga foto's maken.’

Ze was even stil. Ik voelde de oude haast om mijn plan kleiner te maken.

‘Tot morgen, mam.’

Buiten regende het zacht. Ik bleef onder de luifel staan, stelde mijn camera in en wachtte op het licht van een naderende bus.