Werk en maatschappij
Racisme bij het sollicitatiegesprek
Hoofdstuk 1
De eerste vraag
‘Waar kom je eigenlijk vandaan?’
Van Dalen stelde de vraag voordat ik mijn jas had uitgetrokken. Hij stond naast de vergadertafel. Zijn hand lag nog op de deurklink.
‘Uit Rotterdam. Ik woon in Delfshaven.’
Hij glimlachte niet.
‘Nee. Oorspronkelijk.’
Ik kende dat woord. Op verjaardagen betekende het meestal dat iemand iets wilde vertellen over een vakantie. Hier lag mijn cv voor hem. Hier had ik drie avonden voor geoefend.
‘Ik ben in Rotterdam geboren. Mijn ouders komen uit Marokko.’
‘Dacht ik al. Ga zitten.’
Mijn naam is Samira El Amrani. Ik was vierendertig en zocht al vijf maanden werk. Mijn tijdelijke contract bij een technische groothandel was niet verlengd. De vestiging sloot. Daarvoor had ik er acht jaar gewerkt, eerst op de klantenservice en later als planner. Ik kende leverroutes, boze monteurs en bestellingen die nergens in het systeem stonden. Ik kon een vastgelopen ochtend herstellen zonder tegen iemand te schreeuwen.
Daarom zat ik bij Rijnmond Installaties, op een bedrijventerrein in Capelle aan den IJssel. Het bedrijf is verzonnen, net als de mensen in dit verhaal. Voor de functie zochten ze iemand die zes monteurs kon aansturen, storingen kon verdelen en klanten rustig kon houden. Het leek mijn werk, maar dan met een ander logo op mijn salarisstrook.
Aan tafel zat ook Iris. Zij had me twee dagen eerder gebeld.
‘Uw ervaring sluit heel mooi aan,’ had ze gezegd.
Nu schoof ze een glas water naar me toe. Naast haar notitieblok lag een pen met een zilveren clip. Ze klikte hem open, weer dicht en opnieuw open.
Van Dalen ging tegenover me zitten.
‘We zijn hier nogal direct. Daar moet je tegen kunnen.’
‘Dat ben ik gewend.’
‘Onze monteurs maken grappen. Geen kantoorpolitiek. Gewoon Rotterdamse humor.’
Ik knikte. Nog steeds dacht ik dat dit een wat lompe inleiding was. Dat we zo naar mijn ervaring zouden gaan.
Hij wees naar mijn cv.
‘Je Nederlands is goed.’
‘Dank u. Het is mijn moedertaal.’
Iris keek op. Van Dalen bladerde verder.
‘En hoe zit het met die vastenmaand? Want om vier uur moeten hier ook nog gewoon telefoons worden opgenomen.’
Ik voelde warmte onder mijn kraag.
‘Mijn beschikbaarheid staat in mijn brief. Ik zoek een baan van tweeëndertig tot zesendertig uur. Binnen die uren ben ik inzetbaar.’
‘Dat vraag ik niet.’
Er viel een stilte. Achter het glas reed een bestelbus achteruit. Drie korte piepen. Toen weer drie.
‘Mijn werk heeft daar nooit onder geleden,’ zei ik.
‘Mooi. We hebben weleens gedoe gehad.’
‘Laten we naar de planningsoefening kijken,’ zei Iris snel.
Ze legde een vel voor me neer. Zes monteurs. Negen klussen. Eén ziekmelding. Een spoedstoring bij een zorginstelling in Schiedam.
Eindelijk iets wat ik kon.
Ik vroeg wie bevoegd was om aan de betreffende installatie te werken. Eén monteur. Ik verplaatste zijn eerste klus, belde in mijn uitleg een andere klant terug en hield een halfuur vrij voor uitloop. Iris maakte aantekeningen.
‘Helder,’ zei ze. ‘En de klant die niet wil wachten?’
‘Die krijgt geen belofte die ik niet kan waarmaken. Wel een nieuwe tijd en een terugbelafspraak.’
Van Dalen leunde achterover.
‘Dat klinkt allemaal prima. Maar sommige klanten zijn ouderwets. Die horen een naam en denken meteen iets.’
Ik keek hem aan.
‘Wat bedoelt u?’
‘Zou je bijvoorbeeld als Sandra de telefoon kunnen opnemen? Puur praktisch. Samira is voor sommige mensen lastig.’
Iris stopte met schrijven.
Ik hoorde mezelf slikken.
‘Mijn naam is niet lastig.’
‘Je begrijpt toch wat ik bedoel?’
‘Ik denk het wel.’
Hij wachtte. Ik wachtte ook. Mijn handen lagen onder tafel. Ik drukte mijn duimnagel in mijn wijsvinger.
‘Ik neem op met Samira,’ zei ik.
Het gesprek duurde daarna nog zeven minuten. Ik weet dat omdat ik naar de klok keek toen hij zijn stoel naar achteren schoof. Ze zouden uiterlijk vrijdag reageren.
Buiten liep ik eerst de verkeerde kant op. Bij een hek bleef ik staan. Mijn telefoon trilde. Mijn zus Nadia vroeg hoe het was gegaan.
Ik typte: Volgens mij best goed.
Ik keek naar die woorden.
Toen verwijderde ik ze.
Hoofdstuk 2
De nette afwijzing
In de metro naar huis las ik de vacature opnieuw. ‘Een nuchtere collega met overzicht.’ ‘Ruimte om jezelf te zijn.’ Ik maakte schermafbeeldingen. Waarom wist ik nog niet precies. Ik wilde voorkomen dat de tekst later anders in mijn hoofd stond.
Nadia belde toen ik bij Marconiplein uitstapte.
‘En?’
‘Ze vroegen of ik Sandra wilde heten.’
Ze zei niets. Dat maakte het erger. Mijn zus heeft meestal onmiddellijk een antwoord.
‘Aan de telefoon,’ voegde ik toe. ‘Voor klanten.’
‘Waar ben je?’
‘Bij de halte.’
‘Kom hier eten.’
Ik wilde naar mijn eigen huis. Mijn schoenen uit. Niemand aankijken. Toch stapte ik twintig minuten later haar keuken binnen. Haar zoon Adam zat huiswerk te maken. Hij schoof zijn schrift opzij toen hij me zag.
‘Heb je die baan?’
‘Dat weet ik nog niet.’
Nadia stuurde hem naar de woonkamer. Daarna pakte ze twee borden.
‘Vertel vanaf het begin.’
Ik begon bij de planningsoefening. Bij wat goed was gegaan. Pas daarna vertelde ik over mijn afkomst, de ramadan en de naam.
‘Waarom vertel je dat laatste?’ vroeg ze.
‘Omdat ik niet wil dat jij denkt dat ik daar alleen maar zat te stotteren.’
Ze legde haar vork neer.
‘Dat denk ik niet.’
Ik wel. In mijn hoofd speelde het gesprek opnieuw. Ik had scherper moeten antwoorden. Of juist luchtiger. Ik had moeten vragen of Van Dalen zichzelf voortaan Peter noemde als een klant zijn achternaam ingewikkeld vond. Thuis had ik twintig goede zinnen. Aan die tafel had ik er drie.
Nadia schoof haar laptop naar me toe.
‘Schrijf het op. Nu.’
Ik maakte een document. Datum. Tijd. Namen. De plek waar iedereen zat. De vragen zo letterlijk mogelijk. Bij één zin twijfelde ik. Had hij gezegd dat klanten ‘ouderwets’ waren of ‘behoudend’? Ik noteerde beide mogelijkheden en zette erbij dat ik het niet zeker wist.
‘Je hoeft het niet mooier te maken,’ zei Nadia.
‘Ik maak het ook niet erger.’
Ze knikte.
Vrijdagochtend kwam de afwijzing. Om 08.43 uur. Ik stond in de keuken met een boterham in mijn hand.
‘Hoewel wij uw ervaring waarderen, kiezen wij voor een kandidaat die beter aansluit bij onze bedrijfscultuur.’
Verder niets. Geen feedback over de oefening. Geen uitleg over wat ik miste.
Ik zette mijn boterham terug op het bord en belde Iris.
‘Kun je zeggen waarop de keuze is gebaseerd?’
Op de achtergrond hoorde ik stemmen. Een deur ging dicht.
‘We hebben het totaalbeeld bekeken.’
‘Wat ontbrak er in mijn ervaring?’
‘Je ervaring was goed.’
‘Mijn oefening?’
‘Die was ook goed.’
Ik keek naar een vlek op mijn keukenkastje. Een druppel saus die ik gisteren niet had weggeveegd.
‘Ging het om mijn naam?’
Ze ademde hoorbaar in.
‘Dat kan ik niet zo zeggen.’
‘Maar je hoorde wat hij vroeg.’
‘Ja.’
‘Vond jij dat normaal?’
Er klonk weer een stem achter haar.
‘Ik moet naar een overleg. Je mag je vragen mailen.’
Ze hing niet abrupt op. Ze wenste me zelfs een fijne dag. Dat bleef aan me kleven. Alsof we een verkeerd bezorgde doos hadden besproken.
Ik mailde mijn vragen. Kort. Welke functie-eis had ik niet gehaald? Welke rol speelde mijn achtergrond? Was het gebruik van een andere voornaam een voorwaarde geweest?
Daarna opende ik mijn bankapp. Mijn uitkering was lager dan mijn oude salaris. De huur zou over vier dagen worden afgeschreven. Mijn fiets had nieuwe remblokken nodig. Een klacht leverde geen boodschappen op.
Die middag solliciteerde ik op drie vacatures. Bij de tweede bleef mijn cursor boven mijn naam staan. Ik veranderde Samira in S. El Amrani.
Ik bekeek de brief.
Toen zette ik mijn voornaam terug.
Dat voelde niet dapper. Ik was boos dat die keuze ineens bestond.
Om kwart over vijf kwam een antwoord van Van Dalen zelf. De beslissing stond vast. Zij herkenden zich niet in mijn interpretatie van het gesprek.
Ik had nog niet eens het woord discriminatie gebruikt.
Hoofdstuk 3
Alles op papier
Maandagochtend belde ik de antidiscriminatievoorziening in mijn regio. Ik had het nummer zondag al opgezocht. Daarna had ik mijn badkamer schoongemaakt, boodschappen gedaan en een serie aangezet die ik nauwelijks volgde.
De medewerker die opnam heette Mireille.
‘Waarmee kan ik u helpen?’
‘Ik weet niet of dit ernstig genoeg is.’
‘Vertelt u maar wat er is gebeurd.’
Halverwege mijn verhaal onderbrak mijn stem zichzelf. Niet met hard huilen. Er kwam gewoon geen geluid meer. Ik keek naar het raam en wachtte tot ik weer kon praten.
Mireille vulde de stilte niet meteen.
‘Bent u nog aan de lijn?’ vroeg ze uiteindelijk.
‘Ja. Sorry.’
‘U hoeft geen sorry te zeggen.’
Ze vroeg wat ik wilde bereiken. Die vraag had ik niet verwacht. Ik dacht dat zij zou zeggen wat er nu moest gebeuren.
‘Ik wil weten of ik dit verkeerd zie.’
‘De opmerkingen die u beschrijft geven duidelijke aanleiding om discriminatie te onderzoeken. Voor een oordeel moeten we de feiten en ook de reactie van de werkgever bekijken.’
Dat was minder stellig dan Nadia. Toch hielp het me meer dan een snelle geruststelling. Mireille beloofde niets wat ze nog niet kon weten.
We maakten een afspraak. Ik stuurde mijn cv, de vacature, mijn gespreksnotities en de mails. Mijn document kreeg een bestandsnaam met een datum. Daarmee zag het er ineens uit als een dossier. Niet meer als een slechte middag die ik moest vergeten.
Bij de afspraak vroeg Mireille ook naar Iris.
‘Zij was erbij?’
‘Het hele gesprek.’
‘Heeft zij iets bevestigd op schrift?’
‘Nee.’
‘Dan houden we rekening met wat we wel en niet kunnen onderbouwen.’
Ik vond dat moeilijk om te horen.
‘Dus hij kan gewoon zeggen dat ik lieg?’
‘Hij kan jouw weergave betwisten. Dat betekent niet dat jouw verklaring niets waard is. Je hebt snel en gedetailleerd genoteerd wat er gebeurde. De mails zijn er ook. We kijken naar het geheel.’
Ze legde uit dat haar organisatie me kon ondersteunen bij een klacht en het contact met de werkgever. Een procedure bij het College voor de Rechten van de Mens was ook mogelijk. Een oordeel daarvan was niet hetzelfde als een rechterlijk vonnis. Het bezorgde me geen baan en kende niet zomaar een vergoeding toe.
Ik schreef mee. Vooral omdat ik iets met mijn handen moest doen.
‘Kan dit tegen me werken bij andere sollicitaties?’
‘Wat maakt je daar het bangst voor?’
‘Dat mensen elkaar kennen. Dat ik straks de lastige kandidaat ben.’
Ze zei niet dat zoiets nooit gebeurde. We bespraken welke informatie gedeeld zou worden en welke stappen alleen met mijn toestemming zouden worden gezet.
Ik gaf toestemming voor een brief aan het bedrijf.
Thuis belde mijn vader. Nadia had verteld dat het gesprek vervelend was geweest. Meer niet.
‘Wat hebben ze gezegd?’ vroeg hij.
Ik vertelde het.
Hij bleef lang stil.
‘Misschien moet je verder zoeken, meisje.’
Ik kneep mijn ogen dicht.
‘Dat doe ik al.’
‘Ik bedoel: geef ze niet al je tijd.’
‘Dus ik moet niets doen?’
‘Dat zeg ik niet.’
Mijn vader had vijfentwintig jaar in een distributiecentrum gewerkt. Hij had nachtdiensten geruild en nieuwe mensen ingewerkt. Ik wist dat hij dingen had meegemaakt waarover hij thuis niet praatte. Nu hoorde ik vooral een waarschuwing. Houd je inkomen heel. Houd je hoofd laag genoeg om door te kunnen.
‘Ik kan dit niet zomaar wegleggen,’ zei ik.
‘Dan leg je het niet weg.’
Zijn stem was zachter geworden.
‘Maar eet wel. Je zus zegt dat je niet goed eet.’
Na het telefoontje warmde ik rijst op. Ik at aan tafel, niet boven mijn laptop.
De volgende ochtend vroeg een recruiter waarom er inmiddels een gat op mijn cv stond.
‘Mijn vestiging is gesloten,’ zei ik.
‘En sindsdien nog niets gevonden?’
‘Nee.’
Ik vertelde niets over de klacht. Niet omdat ik me schaamde. Ik wilde dat gesprek kunnen voeren zonder weer die vergadertafel in Capelle binnen te stappen.
Om elf uur stuurde Mireille de conceptbrief. Ik las hem drie keer.
Daarna schreef ik: Akkoord. Je mag hem versturen.
Hoofdstuk 4
De tweede stoel
Het antwoord van Rijnmond Installaties kwam negen dagen later. Een externe adviseur schreef namens het bedrijf. De vragen waren volgens hem bedoeld geweest om mijn flexibiliteit te bespreken. Het voorstel over mijn naam was een ‘ongelukkig geformuleerd praktijkvoorbeeld’. De afwijzing stond daar los van.
Als reden noemde hij nu mijn beperkte ervaring met hun planningssoftware.
Ik zocht de vacature erbij. ‘Ervaring met het pakket is een pré.’ Geen eis. Tijdens het gesprek had Van Dalen gezegd dat iedereen het systeem in een week leerde.
‘Kun je dat laatste bewijzen?’ vroeg Nadia.
‘Nee.’
Ik hoorde hoe scherp ik klonk.
‘Sorry. Ik krijg gewoon jeuk van dat woord.’
Ze ging naast me zitten.
‘Ik vraag het niet omdat ik je niet geloof.’
Dat wist ik. Toch begon ik bij iedere vraag mijn eigen herinnering te verdedigen. Zelfs als iemand me probeerde te helpen.
Mireille zette de nieuwe reden naast de eerdere afwijzing. Ze vroeg het bedrijf om een toelichting. Ondertussen ging mijn leven op een vervelende manier gewoon door. De wasmand raakte vol. Mijn buurvrouw wilde weten of ik haar pakket kon aannemen. De supermarkt zette mijn koffie een euro hoger in prijs.
Ik kreeg nog twee afwijzingen. Eén na een gesprek dat prettig was geweest. Daar had de gekozen kandidaat meer ervaring met personeelsplanning. Ik probeerde dat als een afzonderlijke afwijzing te zien. Niet als bewijs dat iedereen hetzelfde dacht. Soms lukte dat. Soms niet.
Op een donderdagmiddag belde een onbekend mobiel nummer.
‘Met Samira.’
‘Met Iris. Van Rijnmond Installaties.’
Ik ging rechtop zitten.
‘Bel je namens het bedrijf?’
‘Nee. Voor mezelf.’
Buiten mijn raam schold iemand op een fout geparkeerde scooter. Ik stond op en liep naar de slaapkamer.
‘Ik heb gehoord dat je een klacht hebt ingediend,’ zei ze.
‘Dat klopt.’
‘Ik had iets moeten zeggen tijdens het gesprek.’
Ik ging op de rand van mijn bed zitten.
‘Ja.’
Er volgde geen uitleg van mijn kant. Ik wilde haar niet helpen om haar zin af te maken.
‘Ik schrok ervan,’ zei ze. ‘En toen ging ik verder met de oefening. Ik dacht dat ik het daarmee recht kon trekken.’
‘Dat deed je niet.’
‘Nee.’
Ik hoorde verkeer aan haar kant. Ze stond waarschijnlijk buiten.
‘Waarom bel je nu?’
‘Omdat die reactie niet klopt. Over dat praktijkvoorbeeld. Hij vroeg echt of je Sandra wilde gebruiken.’
Mijn hart begon sneller te slaan.
‘Wil je dat opschrijven?’
Ze antwoordde niet meteen.
‘Mijn contract wordt over twee maanden besproken.’
Daar was de tweede stoel aan tafel weer. Haar notitieblok. Haar pen. Ik had haar in mijn hoofd tot één ding gemaakt: degene die zweeg. Nu hoorde ik iemand die bang was. Dat veranderde niet wat ze had gedaan. Het maakte het ook niet eenvoudiger.
‘Ik kan je niet beloven dat er niets gebeurt,’ zei ik. ‘Maar alleen tegen mij zeggen dat het niet klopte helpt mijn klacht nauwelijks.’
‘Dat begrijp ik.’
Ik gaf haar Mireilles contactgegevens. Ik vroeg haar geen interne personeelsbestanden te sturen. Alleen haar eigen waarneming, als ze daartoe bereid was.
Na het telefoontje bleef ik zitten. Mijn dekbed lag half op de grond. Ik had ineens behoefte aan een getuige van dit gesprek, alsof mijn woorden alleen niet meer genoeg waren.
Twee dagen later ontving Mireille een verklaring van Iris. Ik kreeg die met haar toestemming te lezen.
Ze bevestigde de vragen over mijn afkomst en het vasten. Ook de voorgestelde naam. Ze schreef dat mijn planningsoefening inhoudelijk positief was beoordeeld. Ze wist niet op welke gronden de uiteindelijke keuze precies was gemaakt. Bij dat overleg was ze niet geweest.
Ik las vooral die laatste beperking meerdere keren. Ze had niet geprobeerd alles voor me op te lossen. Ze had beschreven wat ze wist.
Ik stuurde haar één bericht.
Dank je dat je hebt opgeschreven wat je hoorde.
Daarna sloeg ik de verklaring op. Mijn handen trilden toen ik de laptop dichtdeed.
Hoofdstuk 5
Aan dezelfde tafel
Na de verklaring bood het bedrijf een gesprek aan. Van Dalen zou erbij zijn, samen met de externe adviseur. Ik mocht iemand meenemen. Mireille vroeg of ik dat wilde.
‘Ik wil hem vragen waarom mijn naam een probleem was.’
‘Denk je dat je een eerlijk antwoord krijgt?’
‘Waarschijnlijk niet.’
‘Wat zou het gesprek dan toch nuttig maken?’
Ik dacht na.
‘Dat ik niet weer wegga zonder te zeggen wat het met me deed.’
We spraken af dat zij zou ingrijpen als het gesprek ontaardde in druk om mijn klacht in te trekken. Ik schreef drie punten op een kaartje. Geen lange toespraak. Daar zou ik me in verliezen.
Een week later liep ik opnieuw over het parkeerterrein in Capelle. Dezelfde bestelwagens. Dezelfde automatische deur die te traag openging. Mijn lichaam herkende de plek sneller dan ik wilde. Mijn maag trok samen.
Mireille bleef naast me staan tot de deur helemaal open was.
‘We kunnen op ieder moment stoppen,’ zei ze.
Binnen zat de receptionist van de vorige keer. Ze glimlachte beleefd. Ik vroeg me af wat ze wist. Daarna ergerde ik me aan mezelf. Niet iedereen in dat gebouw was met mij bezig.
We kregen dezelfde vergaderruimte.
Van Dalen stond op.
‘Fijn dat we dit kunnen uitpraten.’
Ik gaf hem een hand. Dat had ik van tevoren niet besloten. Het gebeurde uit gewoonte.
De adviseur begon. Er was sprake geweest van ongelukkige communicatie. Het bedrijf hechtte aan gelijke kansen. Men betreurde de ontstane indruk.
Ik haalde mijn kaartje uit mijn tas.
‘Welke indruk bedoelt u?’ vroeg ik.
Hij keek naar Van Dalen.
‘Dat uw achtergrond bepalend zou zijn voor uw kansen.’
‘Er werd gevraagd of ik onder een Nederlandse naam wilde werken. Dat was geen indruk.’
Van Dalen schoof zijn kopje opzij.
‘Je maakt het zwaarder dan het bedoeld was.’
‘Voor u was het een vraag. Voor mij ging het over een baan die ik nodig had.’
‘Ik zei toch niet dat je je naam officieel moest veranderen?’
Mireille boog iets naar voren.
‘Het gaat erom waarom zij haar eigen naam niet zou kunnen gebruiken in deze functie.’
‘Sommige klanten reageren nu eenmaal anders.’
‘En wat doet u dan met die klanten?’ vroeg ik.
Hij keek me aan.
‘Wij moeten ook commercieel denken.’
Ik hoorde de airconditioning aanslaan. In de gang viel iets op de grond. Niemand aan tafel bewoog.
‘Dan legt u hun vooroordeel bij mij neer,’ zei ik.
De adviseur maakte een notitie. Daarna stelde hij voor vooruit te kijken. Het bedrijf wilde de sollicitatieprocedure verbeteren. Er kon een algemene instructie komen voor leidinggevenden. In ruil daarvoor hoopten ze dat de zaak hiermee afgerond kon worden.
‘Wat staat er dan zwart op wit over mijn gesprek?’ vroeg ik.
‘Dat de communicatie niet zorgvuldig genoeg was.’
‘Dat is te weinig.’
Van Dalen zuchtte.
‘Wat wil je dan? De functie is vervuld.’
Die zin raakte me toch. Alsof ik nog steeds via een omweg op die stoel achter de planning probeerde te komen.
‘Ik vraag u niet om die baan.’
Mijn stem was zacht. Ik herhaalde het harder.
‘Ik vraag om erkenning van wat u deed. En om een procedure waarin afkomst en namen niet tegen kandidaten worden gebruikt.’
Hij keek naar de adviseur. Die vroeg om een korte pauze.
In de gang dronk ik water uit een kartonnen bekertje. Ik had willen huilen, maar er kwamen geen tranen. Alleen hoofdpijn.
‘Wil je verder?’ vroeg Mireille.
‘Nog tien minuten.’
Na de pauze kwam er geen duidelijke erkenning. Wel een aanbod voor een nieuwe beoordeling als er later een vacature ontstond. Ik bedankte ervoor.
We vertrokken zonder afspraak om de klacht te beëindigen.
Bij de auto vroeg Mireille of ik teleurgesteld was.
‘Ja. Maar ik heb wel gehoord hoe hij erover denkt als hij tijd heeft gehad om na te denken.’
Die avond besloot ik verder te gaan met een verzoek om een oordeel bij het College voor de Rechten van de Mens. Niet omdat ik zeker wist dat ik zou winnen.
Ik wilde niet dat hun laatste brief het enige officiële einde werd.
Hoofdstuk 6
Wachten en werken
Het duurde maanden voordat er een zitting was. Er kwamen formulieren, vragen en stukken van de andere kant. Soms hoorde ik weken niets. Dan lagen er ineens drie documenten in mijn inbox en moest ik terug naar iedere zin van dat eerste gesprek.
Ik stelde een regel in. Dinsdagavond was voor de zaak. Dan bekeek ik mijn mail en werkte ik vragen af. Als er iets dringends kwam, maakte ik een uitzondering. Op andere dagen probeerde ik het dossier gesloten te houden.
Dat lukte niet altijd. Een zakelijke envelop op de mat kon mijn hele ochtend kapen.
Ondertussen vond ik tijdelijk werk bij een onderhoudsbedrijf in Gouda. Drie dagen per week. Minder uren en een langere reis dan ik wilde. Toch nam ik het aan. Mijn spaarrekening was bijna leeg.
Mijn nieuwe leidinggevende, Hanneke, stelde tijdens het gesprek vooral praktische vragen.
‘Twee spoedmeldingen en één beschikbare monteur. Wat wil je eerst weten?’
‘Wat er precies kapot is. En of er direct gevaar is.’
‘Goed. En wat doe je als ik daar tussendoor roep dat mijn klant eerst moet?’
‘Dan vraag ik waarom. Hard roepen is geen urgentiecode.’
Ze lachte kort.
‘Daar gaan we vast een keer discussie over krijgen.’
Toen ze zei dat ik was aangenomen, voelde ik opluchting. Niet de blijdschap die ik had verwacht. Ik bleef zoeken naar de vraag die alsnog zou komen.
Op mijn vierde werkdag vroeg een collega waar mijn ouders vandaan kwamen. Mijn schouders gingen omhoog voordat hij was uitgepraat.
‘Marokko,’ zei ik.
‘Mijn schoonouders ook. Uit de buurt van Nador.’
Hij pakte zijn lunch uit en vroeg daarna waar de printertoner lag.
Ik bleef achter met een vervelend besef. Het gesprek in Capelle liep nu soms mee naar plekken waar niets gebeurde. Ik wilde niet voortdurend op mijn hoede zijn. Ik kon het ook niet met een besluit uitzetten.
Een paar weken later zei een klant aan de telefoon: ‘Kan ik iemand spreken die gewoon Nederlands is?’
Ik keek naar Hanneke. Ze zat twee bureaus verder.
‘U spreekt met de planner,’ zei ik. ‘Wat is uw vraag over de afspraak?’
De klant herhaalde zichzelf, harder.
Ik zette hem in de wacht en vertelde Hanneke wat hij zei. Ze vroeg of ik wilde dat zij het overnam.
‘Ja.’
Ze pakte de telefoon.
‘Mijn collega heeft u correct te woord gestaan. We helpen u graag met de storing. Niet met dit soort opmerkingen.’
Geen lange toespraak. Geen applaus van collega’s. Daarna bespraken we wie naar het lekkende expansievat moest. Juist dat maakte verschil. Het probleem werd begrensd en het werk ging verder. Ik hoefde niet degene te zijn die zich aanpaste.
Voor de zitting in Utrecht nam ik een vrije dag. Mijn vader wilde rijden. Ik zei dat ik de trein nam, maar hij stond toch om acht uur voor mijn deur.
‘Ik loop niet mee naar binnen als je dat niet wilt.’
Ik liet hem binnen terwijl ik mijn tas pakte.
‘Je mag mee.’
Tijdens de zitting kreeg iedereen vragen. Ook ik. Waarom had ik het gesprek afgemaakt? Had ik duidelijk gezegd dat ik het naamsvoorstel ongepast vond? Kon de afwijzing een andere reden hebben gehad?
‘Ik had die baan nodig,’ zei ik. ‘En ik had tijd nodig om te begrijpen dat dit echt werd gevraagd.’
Van Dalen herhaalde dat het om klantcontact ging. De vragen over het vasten waren volgens hem bedoeld om misverstanden over werktijden te voorkomen.
Iris had haar verklaring bevestigd. Ze sprak rustig. Ik keek niet voortdurend naar haar. Ik wilde niet dat zij mijn gezicht moest lezen om te weten wat ze moest zeggen.
Na afloop aten mijn vader en ik een broodje op het station. Hij trok het papier van zijn kaasbroodje in smalle stroken.
‘Ik heb vroeger ook andere dingen gehoord dan de jongens naast me,’ zei hij.
Ik wachtte.
‘Ik dacht dat zwijgen jou later een gemakkelijker leven zou geven.’
‘Dat was niet jouw verantwoordelijkheid.’
Hij knikte, maar ik wist niet of hij me geloofde.
Op de terugweg praatten we over mijn nieuwe werk. Dat was prettig. Er bestond die dag meer dan de zaak.
Hoofdstuk 7
Mijn eigen naam
Het oordeel kwam op een woensdagochtend. Mireille belde terwijl ik in Gouda een monteur naar een appartementencomplex stuurde. Ik zag haar naam op mijn scherm en liet de telefoon gaan. Eerst maakte ik de adresgegevens af.
Daarna vroeg ik Hanneke of ik even naar buiten mocht.
Ik stond naast de fietsenstalling toen Mireille het uitlegde. Het College oordeelde dat het bedrijf verboden onderscheid op grond van ras had gemaakt bij de behandeling van mijn sollicitatie. De opmerkingen over mijn afkomst en het voorstel om een andere naam te gebruiken wogen mee. Het bedrijf had onvoldoende weerlegd dat mijn afkomst een rol had gespeeld.
Ik vroeg haar een zin te herhalen.
Ze deed het.
Ik keek naar mijn schoenen. Op de rechterneus zat opgedroogde modder.
‘Dus ik heb het niet verkeerd gezien.’
‘Nee, Samira.’
Ik voelde geen grote ontlading. Wel vermoeidheid, zo plotseling dat ik tegen het hek ging leunen. Al die maanden had ik gezegd dat ik wist wat er gebeurd was. Toch had een deel van mij op een bevestiging gewacht.
Mireille stuurde het oordeel door. Ze wees nog eens op wat het wel en niet betekende. Het was geen bevel om mij aan te nemen. Er stond geen vergoeding voor gemiste inkomsten tegenover. Als ik verdere juridische stappen wilde overwegen, moest ik daar afzonderlijk advies over vragen.
Ik wilde eerst een week niets beslissen.
Binnen vroeg Hanneke hoe het was gegaan.
‘Ze hebben discriminatie vastgesteld.’
‘Wil je naar huis?’
Ik dacht na.
‘Nee. Maar ik wil tien minuten zitten zonder telefoon.’
Ze zette koffie neer en liep terug naar de werkvloer. Dat was precies genoeg.
Het bedrijf stuurde later een brief. Dit keer stond erin dat de vragen en het naamsvoorstel niet passend waren geweest en dat het hun speet. Ze schreven dat toekomstige gesprekken met vaste, functiegerichte vragen zouden worden gevoerd. Twee mensen zouden de beoordeling vastleggen. Leidinggevenden zouden instructie krijgen over gelijke behandeling.
Of dat allemaal goed werd uitgevoerd, kon ik niet controleren. Van Dalen belde niet persoonlijk. Ik had daar eerst op gewacht. Daarna niet meer.
Met Mireille besprak ik de brief. We vroegen nog om bevestiging dat de aangekondigde maatregelen daadwerkelijk waren ingevoerd. Toen die kwam, rondde ik de begeleiding af. Ik koos ervoor geen verdere procedure te beginnen. Ik was niet verplicht de rest van mijn jaar aan hetzelfde bedrijf te besteden.
Iris stuurde een bericht. Ze werkte inmiddels ergens anders. Haar vertrek had meerdere redenen, schreef ze. Ik vroeg niet of ik er één van was.
We dronken koffie in Rotterdam, vlak bij Blaak. Het was ongemakkelijk aan het begin.
‘Ik blijf denken aan dat moment dat ik mijn pen neerlegde,’ zei ze.
‘Ik ook.’
Ze keek naar haar kopje.
‘Ik hoop dat ik de volgende keer sneller ben.’
‘Dat hoop ik ook.’
Daarna vertelde ze over haar nieuwe baan. Ik over de mijne. We werden geen beste vriendinnen. Dat hoefde ook niet.
Mijn tijdelijke contract in Gouda werd verlengd naar een jaar, voor tweeëndertig uur. Nog geen vast contract. De reistijd bleef vervelend. Twee keer per week moest ik overstappen in de regen omdat ik mijn aansluiting miste. Toch begon ik weer geld apart te zetten. Eerst vijftig euro per maand. Daarna honderd.
Er waren nog dagen waarop ik een mail drie keer las om te zoeken naar iets wat er misschien achter zat. Tijdens een voortgangsgesprek begon ik uit mezelf uit te leggen dat de ramadan mijn bereikbaarheid niet zou beïnvloeden.
Hanneke keek verbaasd.
‘Als je iets in je rooster nodig hebt, bespreken we dat. Net als bij iedereen.’
Ik knikte. Later in de trein werd ik boos omdat ik mezelf alweer had verdedigd voordat iemand iets vroeg. Herstel bleek ook dat: merken wat je nog automatisch deed.
Nadia vroeg of ik mijn ervaring wilde opschrijven voor mensen die iets vergelijkbaars meemaakten.
‘Wel zonder heldenverhaal,’ zei ik.
‘Dat is goed.’
Ik opende een nieuw document. Bovenaan typte ik: Racisme bij het sollicitatiegesprek.
Ik schreef op dat ik was gebleven. Dat ik eerst een nette mail had gestuurd. Dat ik bang was geweest voor mijn huur en voor mijn reputatie. Ook dat hulp vragen tijd kostte, maar me uiteindelijk minder alleen had gemaakt.
De volgende ochtend ging de telefoon op mijn werk. Een monteur uit Waddinxveen kon een adres niet vinden.
‘Goedemorgen, met Samira van de planning.’
Hij las een huisnummer voor. Ik zocht de werkbon erbij, draaide mijn scherm en vertelde waar hij moest zijn.