Naar de inhoud
Terug naar het boek

Verlies en rouw

Rouw op het werk

Gaat over overlijden en rouw.

Hoofdstuk 1

Rouw op het werk — Het telefoontje

Om elf uur zeventien zat ik te discussiëren over een verschil van drieënveertig cent.

‘Afronding,’ zei Bas.

‘Dan moet het ergens terugkomen,’ zei ik.

Ik werkte op de salarisadministratie van een installatiebedrijf in Zwolle. Honderdtweeënzestig medewerkers. Monteurs, planners, magazijnmensen. Ik kende hun rekeningnummers soms beter dan hun gezichten. Mijn naam is Noor van Dijk. Ik was negenendertig en dacht die dinsdag vooral aan de salarisrun van donderdag.

Mijn telefoon trilde naast mijn toetsenbord. Onbekend nummer. Ik drukte het gesprek weg.

Daan had die ochtend mijn fietssleutel in zijn jaszak gevonden. Hij had hem lachend omhooggehouden. ‘Zie je wel. Jij raakt niks kwijt. Ik steel alles.’

Dat was onze laatste echte uitwisseling geweest. Daarna een kus naast mijn mond. Ik was mijn brood nog aan het smeren.

De telefoon ging opnieuw.

‘Neem maar op,’ zei Bas. Hij wees naar het scherm. ‘Die centen lopen niet weg.’

Een vrouw vroeg of ik de partner was van Daan van Dijk. Ze zei dat ze vanuit Isala belde. Er was een verkeersongeluk gebeurd bij Hattem. Daan was met de ambulance gebracht.

‘Is hij aanspreekbaar?’ vroeg ik.

‘Kunt u naar het ziekenhuis komen?’

‘Dat kan. Maar is hij aanspreekbaar?’

Ze herhaalde mijn naam. Toen wist ik dat ze iets niet wilde zeggen waar mijn collega bij stond.

Bas reed. Ik hield mijn telefoon vast en belde Daan. Eén keer. Daarna nog een keer. Ik wilde horen waar zijn telefoon lag. Alsof dat iets zou verklaren.

Bij de verkeerslichten naast het stadion zei Bas: ‘We zijn er bijna.’

‘Je moet niet door rood rijden.’

‘Doe ik niet.’

‘Hij heeft een groene jas aan.’

Bas keek even naar me. ‘Goed.’

In het ziekenhuis zaten we niet in een wachtkamer. We werden naar een kleine ruimte gebracht. Er stond een doos tissues op tafel. Een arts kwam binnen met een verpleegkundige. Hij ging zitten voordat hij begon.

Daan was overleden. Ze hadden hem niet kunnen redden.

Ik hoorde het woord hersenletsel. Ik hoorde hoe laat hij was binnengebracht. Ik vroeg of ze zeker wisten dat hij het was.

‘We hebben zijn identiteitsbewijs,’ zei de arts.

‘Dat kan iemand anders bij zich hebben.’

Niemand sprak me tegen. Dat maakte me bang.

Toen ik hem zag, herkende ik eerst zijn voeten. De linker grote teen stond een beetje scheef. Een oude voetbalblessure. Ik had daar zondag nog over gemopperd omdat hij met zijn blote voeten op mijn schoot lag.

Zijn haar was schoongeveegd. Bij zijn oor zat nog bloed.

‘Daan,’ zei ik.

Ik legde mijn hand op zijn borst. Er gebeurde niets. Ik wachtte toch.

Bas bleef buiten. Later vertelde hij dat hij mijn zus had gebeld. Esra kwam uit Deventer. Ze had haar werkjas nog aan en rook naar regen.

‘Finn,’ zei ik tegen haar.

Onze zoon was negen. Hij zat op school en had die middag gym. Daan zou hem ophalen omdat ik langer moest werken.

‘Ik haal hem,’ zei Esra.

‘Nee. Hij moet eerst gewoon uit school komen.’

‘Het is bijna drie uur.’

Ik keek op mijn telefoon. Er waren uren voorbij die ik nergens kon terugvinden.

Thuis zat Finn aan de keukentafel. Esra had zijn broodtrommel naast de kraan gezet. Hij keek naar mijn gezicht en ging rechtop zitten.

Ik zei dat papa een ongeluk had gehad. Dat de artsen heel hard hadden gewerkt. Dat papa dood was.

‘Maar waar is hij dan?’

‘In het ziekenhuis.’

‘Dan gaan we daarheen.’

Ik pakte zijn hand. Hij trok hem los.

‘Dan gaan we daarheen,’ zei hij harder.

Die avond belde Bas. Hij zei dat ik me nergens zorgen over hoefde te maken. Niet over werk. Niet over overdrachten.

‘De map voor donderdag staat op de gedeelde schijf,’ zei ik. ‘Bij definitief. Maar die is nog niet definitief.’

‘Noor, laat dat nu maar.’

‘Anders betaalt Maaike de verkeerde bedragen uit.’

Hij bleef stil. Toen vroeg hij waar het juiste bestand stond. Ik vertelde het hem. Voor het eerst die middag kon ik een vraag beantwoorden.

Later lag Finn naast me in ons bed. Zijn sokken waren nog aan. Hij hield mijn mouw vast.

Beneden sloeg de koelkast aan. Buiten reed een scooter voorbij. Mijn telefoon lichtte op met een automatisch bericht van kantoor.

Vergeet niet je uren in te dienen.

Ik draaide het scherm om en bleef luisteren naar Finns ademhaling.

Hoofdstuk 2

De lege stoel

Op de dag van de uitvaart stonden mijn collega’s achter in de aula in Zwolle. Ik zag Maaike met haar handen om een opgevouwen zakdoek. Bas droeg een pak dat ik niet kende.

Bij de uitgang zei iemand van de planning dat Daan veel te jong was geweest. Ik knikte. Een ander zei dat ik sterk moest blijven voor Finn. Ik wilde vragen hoe dat moest. Er kwamen alweer mensen achter hem aan.

De dagen daarna leefden we tussen bloemen en papieren. Op tafel lagen de overlijdensakte, een rekening van de uitvaartondernemer en een half afgemaakt Lego-vliegtuig. Finn bouwde alleen nog als ik naast hem zat.

Ik ging iedere nacht rond twee uur naar beneden. Dan maakte ik thee die ik niet opdronk. Ik las berichten terug van Daan. Vooral de gewone.

Neem jij melk mee?

Ben vijf minuten later.

Waar ligt die blauwe tas?

Na achttien dagen belde ik Bas.

‘Ik wil maandag komen.’

‘Weet je het zeker?’

‘Nee. Maar ik weet ook niet wat ik hier moet doen.’

We spraken twee ochtenden van twee uur af. Geen salarisrun. Geen deadlines. Alleen kijken hoe het ging. Het klonk overzichtelijk.

Maandagochtend bracht ik Finn naar school. Bij het hek kneep hij in mijn pols.

‘Wie haalt mij?’

‘Ik.’

‘Niet tante Esra?’

‘Ik haal je. Om kwart over drie.’

Hij bleef staan tot ik het nog een keer had gezegd.

Op kantoor hing mijn jas nog over mijn stoel. Ik was die dinsdag zonder jas vertrokken. In de zak zat een mandarijn. Hij was verschrompeld en rook zuur.

Maaike kwam naar me toe. Ze hield even haar armen open.

‘Mag dat?’

Ik knikte. Ze omhelsde me kort. Daarna pakte ze de mandarijn aan zonder iets te vragen.

Op mijn bureau stond een kaart. Iedereen had iets geschreven. Sommige namen stonden er alleen. Dat vond ik prettig. Ik hoefde niet bij iedere regel iets te voelen.

Het eerste uur ging redelijk. Ik opende mijn mail en sorteerde berichten. Verwijderen. Doorsturen. Bewaren. Mijn vingers wisten nog wat ze moesten doen.

Toen kwam Kees van het magazijn binnen.

‘Fijn dat je er weer bent,’ zei hij. ‘Een beetje afleiding zal je goeddoen.’

‘Misschien.’

‘Thuis zitten maakt het ook niet beter.’

Maaike keek op van haar scherm. Kees zag het niet. Hij begon over zijn urenbriefje.

Ik pakte het aan. Ik wilde graag Noor zijn die wist waarom zijn overuren ontbraken. Niet Noor voor wie iedereen zachter praatte.

Op het formulier stond onderaan een telefoonnummer voor noodgevallen. Partner: Anita.

Ik las die regel vier keer.

‘Komt het goed?’ vroeg Kees.

‘Ja.’

Hij vertrok. Ik keek naar de cijfers, maar ze bleven losse tekens. Ik kon ze lezen. Ik kon er niets mee doen.

Om halfelf zou ik weggaan. Om tien over halfelf zat ik er nog.

‘Je hoeft niet te wachten tot iemand je toestemming geeft,’ zei Maaike.

‘Ik maak dit even af.’

‘Wat ben je aan het doen?’

Ik wist het niet. Op mijn scherm stond dezelfde mail als twintig minuten eerder.

In de auto kreeg ik mijn gordel niet vast. Het metaal tikte steeds naast de sluiting. Ik gooide de gordel van me af en sloeg met mijn vlakke hand op het stuur.

Een man twee parkeerplaatsen verder keek op.

‘Wat?’ schreeuwde ik door het dichte raam.

Daarna huilde ik zo hard dat ik moest kokhalzen. Ik durfde pas te rijden toen mijn handen niet meer trilden.

Thuis vroeg Esra hoe het was geweest. Ze had boodschappen gebracht.

‘Prima,’ zei ik.

Ze keek naar mijn rode ogen.

‘Niet prima dus.’

‘Ik ben gegaan. Dat telt toch?’

‘Natuurlijk telt dat.’

Ze ruimde yoghurt in de koelkast. Ik werd kwaad op de manier waarop ze de bekers neerzette. Daan zette ze ook altijd verkeerd. Bovenop elkaar, terwijl het plankje te laag was.

‘Laat maar,’ beet ik haar toe.

Ze deed de koelkast dicht.

‘Je mag boos zijn. Maar zeg even waarop.’

Ik ging op de grond zitten, tegen het keukenkastje. ‘Ik dacht dat ik op kantoor een paar uur kon vergeten dat hij dood is.’

Esra zakte naast me neer.

‘Lukte dat even?’

‘Ja,’ zei ik. ‘En toen voelde ik me daar weer rot over.’

Om drie uur waste ik mijn gezicht. Om kwart over drie stond ik bij het schoolhek. Finn zag me meteen. Hij rende niet. Hij kwam gewoon naar me toe en gaf zijn tas.

Hoofdstuk 3

Verkeerd bestand

Na zes weken werkte ik drie ochtenden. Op papier waren het rustige taken. Personeelsgegevens controleren. Mutaties invoeren. Dingen die iemand anders nog nakeek.

In de praktijk stond er steeds iemand naast mijn bureau.

‘Weet jij nog hoe dat zat met de reiskosten van Henk?’

‘Kun je heel even meekijken?’

‘Jij hebt dit vorig jaar gedaan.’

Meestal zei ik ja. Het was prettig als mensen mij ergens voor nodig hadden. Bovendien zat Maaike tot over haar oren in mijn werk.

Ze at achter haar computer. Soms zag ik haar om halfacht ’s avonds nog online. Ik wist dat ze een moeder in een verpleeghuis had. Ik wist ook dat ze op woensdag eigenlijk vrij was.

‘Je hoeft me niet te redden,’ zei ze toen ik ernaar vroeg.

‘Jij mij ook niet.’

Dat klonk vinniger dan ik bedoelde.

Op een donderdag in mei meldde Maaike zich ziek. Buikgriep. De salarissen moesten die middag worden klaargezet. Een extern administratiekantoor zou de eindcontrole doen. Ik hoefde alleen de laatste mutaties te verwerken en het juiste exportbestand aan te leveren.

Bas kwam naar me toe.

‘Gaat dit?’

Ik had die nacht drie uur geslapen. Finn was wakker geworden omdat hij dacht dat hij Daans stem beneden hoorde.

‘Ja,’ zei ik.

Ik wilde die vraag niet nog weken krijgen.

Om kwart over tien stuurde de politie een bericht. De contactpersoon vroeg wanneer ik kon bellen over het ongevalsonderzoek. De bestelbus die Daan had geraakt, was technisch onderzocht. Er waren aanvullende verklaringen.

Ik las het bericht. Legde mijn telefoon weg. Pakte hem weer.

Wat voor verklaringen? Had iemand hem nog horen praten? Had hij geweten wat er gebeurde?

Op mijn scherm stonden twee bestanden. Eén uit de testomgeving. Eén uit de echte salarisverwerking. De namen verschilden in vier letters.

Ik koos de verkeerde.

Om elf uur twaalf belde het administratiekantoor. De vrouw aan de lijn klonk zakelijk.

‘Noor, dit totaal wijkt ruim achttienduizend euro af. Is dit jullie definitieve export?’

‘Dat kan niet.’

‘Er ontbreken toeslagen. En ik zie oude rekeningnummers.’

Ik klikte terug naar de map. Mijn maag trok samen.

‘Niet verwerken,’ zei ik.

‘Dat doen we ook niet. Daarom bel ik.’

Niemand had te weinig salaris gekregen. Er was nog niets verstuurd naar de bank. Toch zat ik met mijn handen onder mijn benen om het trillen te stoppen.

Bas vroeg me mee naar de kleine vergaderruimte. De glazen wand maakte alles zichtbaar. Ik zag twee planners kijken en weer wegkijken.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg hij.

Ik legde het uit.

‘Je zei dat het ging.’

‘Ik dacht dat het ging.’

‘Ik moet wel kunnen vertrouwen op wat je aangeeft.’

Daar was hij. De zin waar ik al weken bang voor was.

‘Dan moet je mij dit niet laten doen.’

‘Je wilde het zelf.’

‘Je vroeg het.’

We zwegen. Op de gang lachte iemand. Een harde, gewone lach. Ik haatte die persoon heel even zonder te weten wie het was.

Bas wreef over zijn gezicht.

‘Ik probeer ruimte te geven, Noor. Maar het werk moet ook door.’

‘Dat weet ik.’

‘Misschien ben je te vroeg begonnen.’

Ik stond op. Mijn stoel schoof luid over de vloer.

‘Misschien.’

Bij mijn bureau pakte ik mijn tas. Mijn toegangspas bleef aan de rand haken. Ik rukte eraan tot het koord losschoot.

Maaike belde die middag. Ze had van Bas gehoord dat ik naar huis was.

‘Ik heb het verpest,’ zei ik.

‘De controle heeft gewerkt.’

‘Omdat iemand anders oplette.’

‘Daar is die controle voor.’

Ik wilde haar geloven, maar ik zag alleen oude rekeningnummers. Geld van mensen die huur moesten betalen. De fout had gevolgen kunnen hebben. Mijn verdriet maakte dat niet minder waar.

Na haar telefoontje mailde ik Bas. Ik meldde me volledig ziek. Ik schreef ook dat ik de bedrijfsarts wilde spreken.

Daarna opende ik een leeg document en typte: Hierbij dien ik mijn ontslag in.

Esra kwam binnen toen ik naar die ene zin zat te kijken.

‘Niet versturen,’ zei ze.

‘Ik kan dit niet meer.’

‘Vandaag niet.’

Ik sloot het document zonder het op te slaan. Dat was die dag het enige besluit waar ik later geen spijt van kreeg.

Hoofdstuk 4

Achter de deur

De bedrijfsarts zat in een kantoorgebouw aan de rand van Zwolle. In de wachtkamer hing een poster over vitaal blijven. Een vrouw in sportkleding sprong op een strand.

Ik keek naar mijn schoenen.

De arts heette Vermeer. Ze vroeg niet meteen wanneer ik weer dacht te kunnen werken. Ze vroeg hoe mijn dagen eruitzagen.

‘Ik breng Finn naar school. Ik doe boodschappen. Soms vergeet ik waarvoor ik naar de winkel ging. Ik slaap slecht.’

‘Hoe slecht?’

‘Drie uur. Vier als het meevalt.’

‘En eten?’

‘Met Finn eet ik.’

‘En als hij er niet is?’

Ik haalde mijn schouders op.

Ze vroeg naar het ongeluk. Naar mijn concentratie. Naar de fout op kantoor. Ik vertelde het snel, alsof ik een incidentrapport voorlas.

‘Ik wil niet dat iedereen denkt dat ik mijn werk niet meer kan.’

‘Op dit moment kun je niet hetzelfde aan als voorheen,’ zei ze. ‘Dat is iets anders.’

Ik begon te huilen. Niet netjes. Mijn neus liep en ik kon geen hele zin afmaken. Vermeer schoof de tissues dichterbij en wachtte.

Ze adviseerde voorlopig geen werk. Daarna een nieuwe beoordeling. Ze legde uit wat ze aan mijn werkgever zou terugkoppelen: mijn beperkingen en een advies over opbouw. Niet wat ik over Finn vertelde. Niet de details van mijn nachten.

‘Je hoeft je verdriet niet in een vergadering te bewijzen,’ zei ze.

Een week later zat ik toch in een vergadering. Met Bas en Judith van personeelszaken. Ik had Esra gevraagd mee te gaan. Daar had ik twee dagen over getwijfeld.

Bas had koffie gehaald. Hij zette mijn kopje neer en bleef even staan.

‘Ik had je niet aan die salarisrun moeten laten werken,’ zei hij. ‘We hadden afgesproken dat je geen deadlines zou krijgen.’

Ik keek naar de tafel.

‘Ik had nee moeten zeggen.’

‘Dat kan ook waar zijn. Maar ik ben je leidinggevende.’

Het was geen groot excuus. Hij legde niet uit hoe moeilijk hij het zelf had gevonden. Daardoor kon ik het aannemen.

Judith schoof een vel naar me toe. We maakten afspraken. Eén contactpersoon. Geen losse werkvragen via WhatsApp. Geen toegang tot de salarisrun tijdens de eerste opbouw. Vaste tijden. Naar huis gaan als de tijd om was, ook wanneer iets niet af was.

‘En het team?’ vroeg ik.

‘Wat wil je dat we vertellen?’ vroeg Judith.

‘Dat ik voorlopig niet werk. Niet dat ik thuis de hele dag huil.’

‘Dat laatste weten wij ook niet,’ zei ze.

Ik moest lachen. Het geluid verraste me.

Buiten vroeg Esra of ik opgelucht was.

‘Ik voel me werkloos.’

‘Je bent ziekgemeld.’

‘Ik weet het. Het voelt anders.’

Die weken thuis waren niet rustig. De verzekeraar vroeg stukken op. De hypotheek moest worden doorgelicht. Er kwamen brieven met Daans naam en woorden als beëindiging en uitkering. Ik leerde welke instanties zelf informatie kregen en welke ik moest bellen.

Bij één klantenservice moest ik driemaal vertellen dat hij dood was. De derde medewerker vroeg of Daan zelf toestemming kon geven voor de wijziging.

Ik hing op en gooide de telefoon op de bank.

Finn stond in de deuropening.

‘Ben je boos op mij?’

‘Nee. Op iemand aan de telefoon.’

‘Je kijkt ook zo als ik iets vraag.’

Ik wilde meteen zeggen dat dat niet waar was. Maar hij stond met zijn schouders opgetrokken. Ik herkende mijn eigen stem van die ochtend, toen hij zijn gymschoenen niet kon vinden.

‘Dat spijt me,’ zei ik. ‘Jij hebt niets verkeerd gedaan.’

Die middag belde ik de huisarts. Ik vroeg hulp voor mijn slaap en voor de momenten waarop ik zo snel uitviel. Via de praktijkondersteuner kreeg ik gesprekken. Niet om Daan af te sluiten. Wel om de dagen door te komen zonder Finn en mezelf voortdurend af te snauwen.

Bij het eerste gesprek zei ik dat anderen erger meemaakten.

De praktijkondersteuner heette Sanne.

‘Daar hebben we het nu niet over,’ zei ze.

Ze vroeg wanneer het het moeilijkst was.

‘Tussen vijf en zes. Dan zou hij thuiskomen.’

We maakten geen groot behandelplan aan die tafel. We spraken af dat ik die week twee avonden iemand zou vragen om mee te eten.

Thuis stuurde ik Maaike een bericht. Geen uitleg. Geen verontschuldiging.

Heb je donderdag tijd voor pasta?

Ze antwoordde binnen een minuut.

Ja. Hoe laat?

Hoofdstuk 5

Zeg zijn naam

Maaike bracht geen bloemen mee. Ze bracht geraspte kaas en een bak aardbeien. Finn vertelde haar tijdens het eten hoe Daan altijd te veel peper gebruikte.

‘Ook op pizza,’ zei hij. ‘Dan moest hij hoesten.’

‘Dat klinkt niet handig,’ zei Maaike.

‘Hij zei altijd dat het meeviel.’

Finn deed Daans hoest na. Ik lachte. Daarna huilde ik. Maaike bleef zitten en schoof de aardbeien naar Finn. Niemand hoefde naar een andere kamer.

Later vertelde ze over kantoor. De printer was vervangen. Kees had eindelijk zijn overuren correct ingediend. Bas had een externe kracht geregeld voor twee dagen per week.

‘Dus jullie redden het,’ zei ik.

‘We hebben hulp geregeld.’

Ze sprak langzaam, zodat ik het verschil niet kon missen.

In juli begon ik opnieuw. Tweemaal twee uur. De bedrijfsarts had dat geadviseerd. Ik kreeg een afgebakende klus: oude personeelsdossiers nalopen op ontbrekende documenten. Geen geld. Geen harde einddatum.

De eerste ochtend stond er een nieuwe collega bij de koffieautomaat. Ruben, van de planning. Hij vroeg of ik op vakantie was geweest.

Ik verstijfde.

Maaike deed haar mond open, maar ik was haar voor.

‘Mijn man is overleden. Daarom was ik er niet.’

Rubens hand bleef boven het suikerbakje hangen.

‘O. Sorry. Dat wist ik niet.’

‘Nee. Dat kon je ook niet weten.’

Hij keek naar Maaike, alsof zij hem kon vertellen wat hij nu moest doen.

‘Je mag gewoon koffie pakken,’ zei ik.

Hij grinnikte ongemakkelijk. Ik ook. Daarna vroeg hij hoe mijn man heette.

‘Daan.’

Het was de eerste keer die week dat iemand op kantoor zijn naam wilde horen.

Die middag stuurde ik Bas een korte mail die hij van mij mocht delen. Ik schreef dat ik weer een paar uur kwam werken. Dat vragen mocht, maar dat ik soms niet wilde praten. Dat ik liever zelf bepaalde wat ik vertelde. En dat niemand bang hoefde te zijn om Daans naam te noemen.

Ik las de mail zes keer voordat ik hem verstuurde.

De reacties waren verschillend. Sommigen kwamen langs. Anderen lieten me met rust. Kees zei bij mijn bureau: ‘Ik geloof dat ik laatst iets stoms zei over afleiding.’

‘Ja,’ zei ik.

Hij knikte. ‘Sorry.’

‘Dank je.’

Dat was genoeg. Hij hoefde niet weg te kijken als we elkaar daarna in de gang tegenkwamen.

Niet alles werd makkelijker. Tijdens de lunch vertelde iemand over een weekend ruzie met haar man. Hij had de caravan verkeerd beladen. Ze wilde hem achterlaten op de camping, zei ze.

Aan tafel viel het stil.

‘Vertel nou maar,’ zei ik.

Maar na vijf minuten ging ik toch naar buiten. Ik kon best horen dat andere huwelijken niet perfect waren. Ik kon die dag alleen niet verdragen hoe vanzelfsprekend er een volgend weekend kwam.

Bas vond me naast de fietsenstalling.

‘Moet ik iets doen?’

‘Nee. Ik wil tien minuten alleen zitten.’

Hij ging weer naar binnen. Dat hielp.

Begin augustus belde de politiecontactpersoon. Het onderzoek duurde langer dan verwacht. Er waren nog vragen over de toedracht. Ik had gehoopt op een helder antwoord dat ik ergens kon neerleggen. In plaats daarvan kwam er weer een periode van wachten.

De volgende ochtend vertelde ik Bas dat ik slecht had geslapen.

‘Wil je naar huis?’

‘Nee. Maar ik ga geen extra uur doen.’

‘Dat was ook niet afgesproken.’

Ik had het toch alweer overwogen.

Mijn zus ging die maand twee weken op vakantie. Ik had gezegd dat dat prima was. Op de eerste avond belde ik haar huilend vanaf de badkamervloer. Finn was bij een vriendje. Het huis was leeg.

‘Ik kom terug,’ zei ze.

‘Nee. Dat wil ik niet.’

We maakten een andere afspraak. Elke avond tien minuten bellen. Voor nood kon ik naar haar buurvrouw, die ik al jaren kende. Ik vond het vernederend dat ik op mijn leeftijd een noodadres nodig had. Ik schreef het nummer toch op.

Op kantoor lukte inmiddels iets kleins. Ik kon een uur aan een dossier werken zonder steeds opnieuw te beginnen.

Toen Maaike dat opmerkte, wilde ik het wegwuiven.

In plaats daarvan zei ik: ‘Ja. Dat lukt weer.’

Die middag haalde ik Finn op. We kochten broodjes bij de bakker in Assendorp. Hij vertelde over een ruzie tijdens voetbal. Ik luisterde tot hij klaar was.

Pas thuis merkte ik dat ik het hele verhaal had onthouden.

Hoofdstuk 6

Niet weer verdwijnen

In november werkte ik vier ochtenden. Drie uur per keer. Soms ging dat goed. Soms zat ik na afloop twintig minuten in de auto voordat ik kon starten.

Ik had geleerd dat een goede maandag niets beloofde over dinsdag. Dat vond ik nog steeds irritant. Ik wilde kunnen plannen. Ik werkte niet voor niets met salarissen en vaste betaaldagen.

Op een woensdag vroeg Bas of ik bij het jaareindoverleg wilde zitten. Niet verantwoordelijk zijn. Alleen luisteren naar de planning voor december.

‘Een uur,’ zei ik.

‘Een uur.’

In de vergaderruimte zaten Maaike, Bas, de externe salarisadviseur en twee mensen van financiën. Er stonden koekjes op tafel. Ik nam er één omdat iedereen er één nam.

Halverwege kwam de controle van partnergegevens ter sprake. Een medewerker was gescheiden. Bij een ander was de partner overleden. De adviseur klikte een voorbeeld open.

Status partner: overleden.

Ik voelde mijn gezicht warm worden. Ik keek naar de deur. Bas praatte verder over controlelijsten.

Mijn telefoon trilde. Een herinnering uit de gedeelde agenda.

Daan jarig. Cadeau ophalen.

Ik had die afspraak een jaar eerder aangemaakt en jaarlijks laten herhalen.

De adviseur vroeg iets aan mij.

‘Noor? Hebben jullie daar een standaardprocedure voor?’

Ik hoorde de vraag, maar ik kon geen antwoord vinden. Mijn borst trok strak. Ik kreeg lucht, alleen voelde het alsof het niet genoeg was.

‘Ik moet eruit,’ zei ik.

Ik liep naar de trap en ging op de onderste trede zitten. Mijn handen tintelden. Ik dacht even dat ik flauw zou vallen.

Maaike kwam achter me aan.

‘Wil je dat ik blijf?’

Ik knikte.

Ze ging naast me zitten. Ze vroeg niets over Daan. Ze zei alleen waar we waren en dat ik tijd had. Na een paar minuten kon ik weer normaal spreken.

‘Ik had die afspraak moeten verwijderen.’

‘Je wist niet dat hij zou verschijnen.’

‘Ik had het moeten weten.’

Maaike liet dat even liggen.

‘Zullen we je jas halen?’

‘Dan denken ze dat ik weer helemaal terug bij af ben.’

‘Dan zeggen we dat dat niet zo is.’

Bas kwam naar de deur van het trappenhuis. Hij bleef op afstand.

‘De vergadering gaat zonder jou verder,’ zei hij. ‘Je hoeft niets af te maken.’

Ik ging naar huis. Voor ik vertrok, spraken we af dat ik de volgende ochtend zou bellen. Niet om mezelf beter te melden. Alleen om te bespreken wat haalbaar was.

Thuis pakte ik Daans trui uit de kast. Hij rook inmiddels naar de kast. Ik drukte hem tegen mijn gezicht en probeerde iets terug te vinden dat er niet meer was.

Die middag kocht Finn een muffin bij de supermarkt. Hij wilde er een kaarsje in zetten voor Daans verjaardag, de volgende dag.

‘Moeten we dan zingen?’ vroeg hij.

‘Alleen als jij dat wilt.’

‘Dat is raar zonder hem.’

We aten de muffin samen op, een dag te vroeg. Het kaarsje bleef in de verpakking.

De volgende ochtend belde ik Bas. Ik vertelde wat de herinnering had gedaan. Ook dat het onderwerp in de vergadering moeilijk was geweest.

‘Zullen we het overleg voortaan vooraf doornemen?’ vroeg hij.

‘Dat helpt. Maar je kunt niet alles voorkomen.’

‘Nee.’

Ik wilde die dag thuisblijven. Vrijdag wilde ik wel komen. Twee uur, geen vergadering. We noteerden het allebei.

Tijdens mijn volgende gesprek met Sanne zei ik dat ik bang was om een last te blijven.

‘Wie zegt dat je een last bent?’

‘Niemand.’

‘Wat zeggen ze wel?’

Ik dacht aan Maaike op de trap. Aan Bas die niet begon over verloren uren. Aan Finn die vroeg of we zaterdag pannenkoeken konden eten.

‘Dat ik moet aangeven wat ik nodig heb.’

‘Lukt dat?’

‘Steeds iets eerder.’

In december bleef ik een halfuur bij de kerstborrel. Daarna pakte ik mijn jas. Er was geen crisis. Ik was gewoon moe.

Ruben vroeg of ik meeging naar de stad. Ik zei nee.

‘Volgende keer misschien,’ zei hij.

‘Misschien.’

Buiten belde ik niet meteen mijn zus. Ik liep eerst naar mijn auto. Ik kon verdrietig zijn en zelf naar huis rijden. Die avond was dat genoeg.

Hoofdstuk 7

Mijn eigen tempo

Een jaar na het ongeluk nam ik de dag vrij. Niet omdat het volgens iemand moest. Ik wilde niet achter mijn bureau zitten op het tijdstip waarop de telefoon was gegaan.

Finn bleef ook thuis. Dat had ik met school besproken. We fietsten naar de IJssel en aten broodjes op een bankje. Het waaide hard. Zijn kaas schoof bijna van zijn brood.

‘Papa zou zeggen dat je hem beter vast moet houden,’ zei hij.

‘Ja. Terwijl zijn eigen brood allang in het water lag.’

Finn lachte. Daarna vroeg hij of ik nog precies wist hoe Daan klonk.

Ik had filmpjes op mijn telefoon. We bekeken er één waarop Daan een kast probeerde te bouwen. Hij vroeg waarom er drie schroeven over waren. Buiten beeld hoorde je mij zeggen dat hij de handleiding moest lezen.

‘Je klinkt boos,’ zei Finn.

‘Ik was ook boos.’

Hij keek nog een keer.

‘Hij lacht gewoon.’

‘Ja.’

Ik was blij dat we geen volmaakt gezin waren geweest. Op dat filmpje stond een gewone zondag. Ik hoefde er niets van te maken.

De week erna had ik een gesprek over mijn werk. Met Bas, Judith en het advies van de bedrijfsarts erbij. Ik werkte inmiddels twintig uur, verdeeld over vier dagen. Mijn oude contract was voor tweeëndertig uur.

‘We hoeven vandaag geen eindpunt vast te leggen,’ zei Judith.

Ik had een lijstje meegenomen. Wat goed ging. Wat nog niet. Welke taken ik terug wilde.

Ik kon weer controles uitvoeren. Ik kon nieuwe collega’s uitleg geven. Lange overleggen putten me uit. Na een slechte nacht maakte ik sneller fouten. Dat schreef ik nu op zonder er meteen achter te zetten dat het binnenkort vast beter zou zijn.

We spraken een volgende stap af. Twee uur erbij, pas na een paar stabiele weken. Geen sprongen omdat het toevallig druk werd. De eindverantwoordelijkheid voor de salarisrun bleef voorlopig bij Maaike en de externe adviseur.

‘Vind je dat moeilijk?’ vroeg Bas.

‘Ja.’

‘Wil je het anders?’

‘Nee.’

Hij knikte en noteerde het.

Maaike en ik hadden intussen ook een lastig gesprek gevoerd. Ze had lang veel opgevangen. Ik had haar daar vaak voor bedankt, maar dankbaarheid gaf haar geen vrije woensdag terug.

‘Ik was soms boos,’ zei ze.

Ik voelde meteen de neiging om me te verontschuldigen.

‘Op mij?’

‘Soms. Maar vooral op de situatie. En omdat er te laat vervanging kwam.’

‘Waarom zei je niks?’

‘Omdat jouw man dood was.’

We zaten tegenover elkaar met koude koffie. Ik wist niet wat ik moest zeggen.

‘Je mag het nu wel zeggen,’ antwoordde ik uiteindelijk.

We bespraken wat zij niet meer wilde overnemen. Wat ik zelf kon doen. Wat bij Bas hoorde. De volgende dag voelde het minder gespannen tussen ons. Ik hoefde niet langer te raden wat haar stiltes betekenden.

Thuis bleef er veel moeilijk. Finn kon ineens woedend worden omdat ik zijn fietsband niet net zo snel plakte als Daan. Ik vergat soms een schoolbericht. Ik kocht nog geregeld te veel brood.

Daans schoenen stonden niet meer in de gang. Ze stonden in een doos boven. Zijn jas hing er nog wel. Ik had geen datum afgesproken waarop die weg moest.

In juni begeleidde ik Ruben bij een controle van overuren. Hij had een verkeerde formule gebruikt. We zochten samen uit waar het misging.

‘Stom,’ zei hij.

‘Onhandig,’ zei ik. ‘Daarom controleren we.’

Pas toen ik het zei, hoorde ik Maaike weer aan de telefoon na mijn eigen fout.

Om één uur sloot ik mijn computer af. Er stond nog een bericht open dat kon wachten. Bas liep langs en vroeg of ik morgen verder wilde kijken.

‘Ja,’ zei ik. ‘Morgen.’

Bij de uitgang zocht ik mijn fietssleutel. Hij zat niet in mijn tas. Ik voelde in mijn jaszak en vond hem daar, naast een kassabon en een losse knoop.

Heel even zag ik Daan in onze keuken, met die sleutel omhoog.

Ik bleef staan. Het deed pijn. Ik hoefde er niet voor terug naar binnen.

Daarna fietste ik naar het schoolplein. Finn kwam naar buiten met een kartonnen bouwwerk onder zijn arm. Het was scheef en groter dan zijn fietstas.

‘Kun jij dit meenemen?’ vroeg hij.

‘Ik denk het wel.’

We maakten het vast op mijn bagagedrager. Hij controleerde de snelbinders. Daarna reden we langzaam naar huis.