Naar de inhoud
Terug naar het boek

Verlies en rouw

Rouwen om iemand die nog leeft

Gaat over overlijden en rouw.

Hoofdstuk 1

De sleutel

Om kwart over elf stond Simon voor onze voordeur. Hij stak zijn fietssleutel in het slot. Een keer. Nog een keer. Daarna sloeg hij met zijn vlakke hand tegen het glas.

‘Eva. Doe open.’

Ik stond in de gang. Mijn jas hing nog over mijn arm. Naast mij stond Marieke, de begeleider die hem vanuit het revalidatiecentrum had gebracht. Dit was zijn eerste middag thuis. Drie uur. Meer hadden we niet afgesproken.

‘Ik ben er,’ zei ik.

Ik draaide het slot om. Simon duwde de deur tegen mijn schouder.

‘Je hebt het slot vervangen.’

‘Nee. Je had de verkeerde sleutel.’

Hij keek naar het bosje in zijn hand. Zijn fietssleutel was geel. De huissleutel had een rood dopje. Dat had hij zelf ooit gekocht, omdat ik in het donker altijd stond te zoeken.

‘Doe niet zo moeilijk,’ zei hij.

Dat was de eerste zin die hij thuis tegen mij sprak.

Ik heet Eva Vermeer. Ik was tweeënveertig. Simon was vierenveertig. We woonden in Amersfoort, in een rijtjeshuis bij het Soesterkwartier. Onze dochter Noor was dertien. Ze zat boven, hoewel ze al drie keer had gevraagd hoe laat haar vader zou komen.

Vier maanden eerder was Simon op weg naar zijn werk aangereden. Op een kruising bij de Amsterdamseweg. Een bestelbus. Een nat wegdek. Meer hoefde ik niet te weten, dacht ik toen. Ik wilde alleen weten of hij bleef leven.

Hij bleef leven.

Daarna kwamen de woorden die ik niet kende. Hersenletsel. Ontremming. Overprikkeling. Beperkt ziekte-inzicht. Ik schreef ze in een schrift met een groene kaft. Alsof ik ergens examen in moest doen.

Marieke hielp Simon zijn jas uit. Zijn linkerarm bewoog stijf. Hij trok zich van haar los.

‘Dat kan ik zelf.’

‘Prima,’ zei ze.

Hij liep de woonkamer in en bleef bij de eettafel staan.

‘Waar is mijn computer?’

‘Op zolder.’

‘Waarom?’

‘Daar stond hij altijd.’

Hij keek me aan alsof ik hem expres verkeerd begreep.

Noor kwam halverwege de trap. Ze droeg haar blauwe trui. Die had Simon voor haar verjaardag uitgezocht. Vóór het ongeluk vond hij bijna alle kleren onzin, maar deze trui had hij gezien in een etalage en meteen gekocht.

‘Hoi pap.’

Hij keek omhoog.

‘Jij moet naar school.’

‘Het is zaterdag.’

‘Altijd een antwoord.’

Noor bleef staan. Marieke vroeg of hij koffie wilde. Ik ging naar de keuken. Daar lagen vier stroopwafels op een bord. Ik had ze vanmorgen gekocht bij de bakker waar Simon altijd heen ging. Ze waren nog warm geweest. Ik had in de winkel bijna gehuild van de geur.

Nu haalde ik er één van het bord. Waarom weet ik niet. Vier voelde opeens te feestelijk.

Toen ik terugkwam, zat Simon op zijn oude plek. Noor zat tegenover hem. Hij tikte met zijn wijsvinger op haar telefoon.

‘Weg met dat ding.’

Ze schoof hem in haar zak.

‘Vertel eens over school,’ zei ik.

‘We hebben een project over water.’

‘Praat harder,’ zei Simon.

Ze herhaalde het.

Hij pakte een stroopwafel. ‘Ik hoor je toch wel.’

Ik zag Noor haar mond sluiten. Dat kleine gebaar zou ik later vaker zien. Alsof ze een deur dichtdeed voordat iemand ertegen kon schoppen.

Na veertig minuten wilde Simon naar bed. Tien minuten later wilde hij naar zijn werk. Daarna beschuldigde hij mij ervan zijn autosleutels te hebben verstopt.

Dat klopte. Ze lagen in een afgesloten lade.

‘Je mag niet rijden,’ zei ik.

‘Wie zegt dat?’

‘De arts.’

‘Jij zeker.’

Marieke ging naast hem staan. Ze sprak rustig. Niet zacht, niet streng. Uiteindelijk kreeg ze hem mee naar buiten, een rondje om het blok.

Noor kwam bij me staan.

‘Is dit nu papa?’ vroeg ze.

Ik keek naar de stroopwafel die hij half had opgegeten.

‘Hij is nog aan het herstellen.’

Het was waar. Het was ook een manier om geen antwoord te geven.

Die avond stuurde mijn zus Lotte een bericht. Hoe was het? Fijn zeker, weer even compleet?

Ik typte: Heel fijn.

Ik verstuurde het niet.

Boven hoorde ik Noor haar kamerdeur op slot draaien. Simon was terug in het centrum. Op tafel stond zijn koffiekopje, met een bruine rand aan de binnenkant.

Ik pakte het op en hield het vast.

Ik had maanden gevreesd dat hij dood zou gaan. Nu stond ik in mijn keuken en miste ik hem terwijl hij twaalf kilometer verderop televisie keek.

Hoofdstuk 2

De verkeerde oplader

Het telefoontje over het ongeluk kwam op een dinsdag, om 08.23 uur. Ik weet dat nog omdat ik later steeds naar mijn oproepenlijst keek. Alsof er iets zou veranderen als ik het tijdstip precies genoeg onthield.

Ik werkte bij een administratiekantoor in Leusden. Mijn collega Fatima stond naast mijn bureau met een factuur in haar hand. Toen ik opnam, zag ik haar gezicht veranderen voordat ik zelf begreep wat de vrouw aan de telefoon zei.

Simon was naar Utrecht gebracht. Ernstig gewond. Ik moest komen. Niet zelf rijden, als dat kon.

Fatima pakte mijn tas. Onderweg praatte ze alleen als het nodig was.

‘Je zus neemt niet op. Zal ik nog eens bellen?’

‘Ja.’

‘Wie haalt Noor op?’

‘Mijn moeder.’

Bij de slagboom van het ziekenhuis kon ze het kaartje niet pakken. Ze stond te ver weg. Ze moest achteruit, opnieuw aansluiten. Ik werd woedend. Niet een beetje. Ik wilde tegen het dashboard slaan.

‘Schiet nou op.’

‘Ik probeer het, Eva.’

Daar schaam ik me nog steeds voor. Zij begint er nooit over.

Simon lag op de intensive care. Er zat opgedroogd bloed bij zijn oor. Zijn gezicht was gezwollen. Ik herkende vooral zijn voeten. Zijn tweede teen was langer dan zijn grote teen. Daar plaagde ik hem soms mee.

Ik pakte zijn enkel en zei dat ik er was.

De arts vertelde over zwelling en bloedingen. Er volgde een operatie. Daarna moesten we wachten. Niemand kon zeggen hoe hij wakker zou worden. Niemand kon zelfs beloven dat hij wakker zou worden.

Ik dacht aan een ruzie van de avond ervoor. Simon had een pan laten aanbranden. Ik had gezegd dat ik niet zijn huishoudster was. Hij had gezegd dat ik tegenwoordig overal een punt van maakte.

Dat waren onze laatste normale woorden geweest.

Dagenlang vertelde ik iedereen dat verhaal. Alsof ik schuld moest bekennen voordat ik bij zijn bed mocht zitten.

Mijn zus zei: ‘Jullie hadden gewoon ruzie.’

Maar gewoon bestond daar niet. Niet tussen de pompen, de slangen en het scherm boven zijn hoofd.

Na ruim twee weken begon Simon op opdrachten te reageren. Hij kneep in mijn hand. Niet elke keer. Toch belde ik iedereen. Ik maakte een lijstje. Wie wist het al? Wie nog niet?

Toen hij later mijn naam zei, huilde ik zo hard dat een verpleegkundige een stoel achter me schoof.

‘Eva,’ zei hij nog een keer.

Ik dacht dat ik hem terug had.

Dat idee hield me lang overeind. Iedere stap was bewijs. Zelf slikken. Zelf zitten. Een paar meter lopen tussen twee behandelaren. Ik stuurde filmpjes in de familieapp. Iedereen stuurde hartjes en spierballen.

De filmpjes waarop hij schold, maakte ik niet.

Ook vertelde ik niet dat hij soms vroeg waar zijn moeder bleef. Zij was zes jaar dood. Als ik dat zei, werd hij boos. Een verpleegkundige leerde me niet telkens opnieuw met hem in discussie te gaan. Ik mocht eerst vragen of hij haar miste.

Dat voelde als liegen. Later begreep ik het beter.

Na zijn eerste middag thuis volgden nieuwe bezoeken. Korter. Minder mensen. Geen televisie aan. Een schema op papier. Ik hield me eraan alsof een fout van mij zijn herstel kon beschadigen.

Op een zondag bracht ik de verkeerde oplader mee naar het centrum.

Simon hield het snoer voor mijn gezicht.

‘Kijk dan. Dat past toch niet?’

‘Ik haal morgen de goede.’

‘Jij luistert nooit.’

‘Ik heb me vergist.’

Hij gooide het snoer tegen de muur. Het stekkertje tikte tegen de kast. Een verzorgende kwam binnen. Ik bukte meteen om het op te rapen.

‘Laat maar even liggen,’ zei ze.

Op de parkeerplaats belde Lotte.

‘Hoe gaat het met onze vechter?’ vroeg ze.

Ik keek naar het gebouw. Op de derde verdieping brandde achter bijna elk raam licht.

‘Hij heeft een oplader naar me gegooid.’

Het bleef stil.

‘Dat is niet Simon,’ zei ze toen. ‘Dat is het letsel.’

‘Maar ik zat er wel.’

Ze zei niets.

Ik hoorde mezelf ademen. Snel en hoog. De auto naast me reed weg. Een vrouw in een groene jas wachtte tot ik mijn portier dichtdeed.

‘Ik weet niet hoe ik dit moet doen,’ zei ik.

Dat was de eerste keer dat ik het hardop toegaf.

Lotte bleef aan de lijn tot ik weer rustig genoeg was om te rijden. Thuis zette ik de goede oplader bij de voordeur. Daarna haalde ik hem weg. Ik zou maandag niet gaan. Die ene dag moest hij op iemand anders wachten.

Hoofdstuk 3

De rode pan

Zeven maanden na het ongeluk kwam Simon vier nachten op proef thuis. Het centrum vond dat we moesten onderzoeken wat haalbaar was. Ik hoorde vooral dat het misschien kon lukken.

Er kwam een douchestoel. Een ergotherapeut liep door ons huis. Ze keek naar de trap, het fornuis en de doorgang naast de bank. Ik maakte een dagschema met grote letters. Ontbijt om acht uur. Rust om tien uur. Lunch om twaalf uur.

Noor las het vel op de koelkast.

‘Waar staat school?’

‘Dit is voor papa.’

‘O.’

Ik vroeg niet waarom ze dat vroeg. Ik was druk met de medicatie.

De eerste avond ging goed. We aten macaroni. Simon zei dat de saus flauw was, maar vroeg ook of Noor nog keepte bij hockey.

‘Ik ben linksachter, pap.’

‘Dan moet je niet bang zijn om in te stappen.’

Ze glimlachte. Hij had iets gezegd wat hij vroeger ook zei. Ik keek snel weg, bang dat mijn opluchting het gesprek zou verstoren.

De tweede nacht hoorde ik beneden een klap.

Het was 03.10 uur. Simon stond in de keuken. Hij droeg zijn werkbroek over zijn pyjamabroek. Op het gasfornuis stond onze rode braadpan. Leeg. De vlammen stonden hoog.

‘Ik moet om zes uur beginnen,’ zei hij.

‘Je werkt niet vandaag.’

Ik draaide het gas uit.

Hij draaide het weer aan.

‘Blijf eraf.’

Ik voelde mijn hart in mijn keel. Zijn gezicht stond strak. Ik kende die blik inmiddels. Meer uitleg maakte het vaak erger. Maar achter hem stond een lege pan heet te worden en boven lag ons kind.

‘We zetten eerst koffie,’ zei ik.

‘Ik moet eten.’

‘Ik pak brood.’

Toen hij naar de broodtrommel keek, draaide ik het gas opnieuw dicht. Hij greep mijn pols.

Niet lang. Misschien twee seconden.

‘Ik zei: blijf eraf.’

Ik trok mijn arm terug. Op de trap kraakte een trede.

Noor stond daar met haar telefoon in haar hand.

‘Moet ik iemand bellen?’

Simon keek haar aan. Zijn gezicht veranderde. Hij leek opeens niet te weten waarom we allemaal in de keuken stonden.

‘Wat doe jij uit bed?’

Ik belde het afgesproken nummer van de nachtdienst. Terwijl ik praatte, ging Simon aan tafel zitten. Hij at twee boterhammen met kaas. Daarna liet hij zich naar boven begeleiden.

De medewerker bleef aan de lijn. Ze vroeg of ik me veilig voelde.

Ik zei ja.

Ik keek naar mijn pols en wist dat ik iets anders bedoelde. Hij sliep. Het was stil. Voor dat moment was er geen direct gevaar.

Noor kroop bij mij in bed. Ze lag op haar rug, met haar armen naast haar lichaam.

‘Hij deed het niet expres,’ zei ik.

‘Dat weet ik.’

Ze draaide zich naar de muur.

Ik sliep niet meer.

De volgende ochtend wist Simon weinig van de nacht. Hij vond dat ik overdreef. De pan was toch niet verbrand? Waarom keek Noor zo boos?

Om tien uur kwam Marieke. Ze sprak eerst met ons samen. Daarna vroeg ze of ze mij even alleen kon spreken. We gingen in de tuin zitten. Het was februari. Ik had geen jas aan.

‘We kunnen de proef beëindigen,’ zei ze.

‘Het ging de eerste avond goed.’

‘Dat heb je verteld.’

‘Hij moet ook wennen.’

‘Jij en Noor moeten kunnen slapen.’

Ik begon te huilen. Boos huilen. Ik wilde dat zij een oplossing had die ik nog niet had geprobeerd. Meer begeleiding. Andere tijden. Een slot op de keuken. Iets wat bewees dat ik nog niet alles had gedaan.

‘Ik heb beloofd dat ik voor hem zou zorgen.’

Marieke wachtte.

‘Teruggaan naar het centrum betekent niet dat je hem laat vallen.’

Ik vond het een keurige zin. Ik haatte hem.

Binnen zat Noor aan tafel. Voor haar lag een proefwerk dat ik nog niet had gezien. Een drie voor wiskunde.

‘Waarom heb je niks gezegd?’ vroeg ik.

Ze haalde haar schouders op.

‘Je had al genoeg.’

Toen wist ik het.

Simon ging die middag terug. Hij weigerde mij gedag te zeggen. Vanaf de achterbank keek hij recht vooruit.

Ik sloot de voordeur en schoof de grendel erop. Dat deed ik anders alleen ’s nachts.

Noor stond achter me.

‘Mag ik bij Sara eten?’

‘Ja.’

Toen ze weg was, ging ik op de keukenvloer zitten. De rode pan stond schoon op het aanrecht. Ik had hem drie keer afgewassen. Mijn pols deed nauwelijks pijn. Toch bleef ik ernaar kijken.

Hoofdstuk 4

Niemand overleden

De huisarts vroeg of ik bang was voor Simon.

Ik zat tegenover haar met mijn handen onder mijn bovenbenen. Anders zou ik aan mijn nagelriemen blijven trekken.

‘Niet altijd,’ zei ik.

Ze knikte niet meteen. Dat vond ik prettig. Iedereen knikte tegenwoordig. Alsof mijn leven een verhaal was waarvan ze de afloop al begrepen.

‘Wanneer wel?’ vroeg ze.

Ik vertelde over de nacht. Over hoe ik geluiden controleerde. Over de spanning in mijn buik als zijn naam op mijn telefoon verscheen. Daarna zei ik dat hij ook lief kon zijn.

‘Dat geloof ik,’ zei ze.

Ik had verwacht dat ze partij zou kiezen. Voor hem of voor mij. Dat deed ze niet. Ze schreef op dat ik nauwelijks sliep en steeds minder werkte. Ze vroeg wie voor Noor beschikbaar was.

Die vraag deed meer pijn dan de rest.

Twee weken later zat ik in een zaaltje in Amersfoort. Er stonden acht stoelen in een kring. Op tafel lagen papieren zakdoekjes en koekjes die niemand aanraakte. De bijeenkomst was voor naasten van mensen met niet-aangeboren hersenletsel.

Ik hield mijn jas aan.

Naast me zat een vrouw met kort grijs haar. Ze heette Hanneke. Haar man had vijf jaar eerder een hersenbloeding gehad. Tegenover me zat een jongen van ongeveer vijfentwintig. Zijn moeder was na een hartstilstand veranderd.

Ik wilde weg. Hun verhalen maakten iets zichtbaar waar ik nog omheen probeerde te kijken. Vijf jaar. Niet vijf maanden. Vijf jaar.

Toen ik aan de beurt was, zei ik mijn naam en begon te huilen.

‘Sorry.’

De gespreksleider schoof de doos zakdoekjes dichterbij. Niemand zei dat ik me niet hoefde te verontschuldigen. Ook dat hielp.

‘Ik mis mijn man,’ zei ik. ‘Maar hij is er nog.’

Hanneke leunde iets naar voren.

‘Ja,’ zei ze.

Meer niet.

Ik vertelde over de oplader. Over Noor. Over hoe mensen vroegen naar Simons looptraining en nooit naar een gesprek tussen ons. Ik vertelde dat ik soms opgelucht was als een bezoek niet doorging.

Dat laatste zei ik bijna fluisterend.

De jongen tegenover me keek op.

‘Dat heb ik ook.’

Mijn schouders zakten. Pas toen merkte ik hoe strak ik ze had opgetrokken.

De gespreksleider noemde het levend verlies. Rouw die terug kan komen, omdat de persoon er nog is en het gemis telkens een andere vorm krijgt. Ik vond de term eerst te groot. Er was niemand overleden. Ik had geen recht op zo’n woord, dacht ik.

Onderweg naar huis belde ik Hanneke. Ze had haar nummer op de achterkant van een kassabon geschreven.

‘Wanneer werd het bij jou makkelijker?’ vroeg ik.

Ze was even stil.

‘Wat bedoel je met makkelijker?’

Ik ergerde me. Ik wilde een maand. Een jaar. Een datum waarop ik weer normaal zou kunnen ademhalen.

‘Wanneer stopte je met hopen dat hij weer de oude werd?’

‘Niet op één dag.’

Ik zette mijn auto aan de kant. Achter me fietsten twee scholieren met een hockeytas.

‘Ik weet niet of ik dat kan.’

‘Dat hoef je vanavond niet te beslissen.’

Een week later kwam Lotte eten. Ze had lasagne meegenomen. Terwijl die in de oven stond, vertelde ik over de groep.

‘Rouw?’ vroeg ze. ‘Maar hij leeft nog.’

Ik duwde mijn stoel achteruit. Het geluid schuurde over de tegels.

‘Ik weet dat hij leeft.’

‘Zo bedoel ik het niet.’

‘Hoe dan wel?’

Ze keek naar de oven. Ik zag haar zoeken naar iets wat niet verkeerd zou vallen.

‘Ik ben bang dat je de hoop opgeeft.’

Ik ging weer zitten.

‘Ik hoop dat hij minder moe wordt. Ik hoop dat hij fijne dagen heeft. Maar ik kan niet iedere ochtend wachten tot mijn oude leven terugkomt.’

Lotte trok haar mouwen over haar handen. Ze deed dat vroeger ook als ze iets moeilijk vond.

‘Wat kan ik doen?’ vroeg ze.

‘Vraag soms naar mij. Zonder daarna meteen naar Simon te vragen.’

Ze knikte. Toen vroeg ze hoe mijn werk ging.

Ik vertelde over de uren die ik had ingeleverd. Over een fout in een loonstrook. Over Fatima, die mijn lunch uit de koelkast haalde als ik vergat te eten.

We aten de lasagne iets te donker. Noor vertelde een verhaal over haar gymdocent. Voor het eerst in lange tijd hoefde ik haar niet te vragen om door te praten.

Hoofdstuk 5

De blauwe map

Na elf maanden lag er een blauwe map op mijn keukentafel. Daarin zaten aanvragen, verslagen en informatie over langdurige zorg. Ik had er tabbladen in gezet. Wonen. Geld. Behandeling. Contactpersonen.

Het revalidatietraject naderde zijn einde. Simon had veel opnieuw geleerd. Hij kon lopen zonder hulpmiddel. Hij kon zichzelf grotendeels aankleden. Met begeleiding kon hij een eenvoudige lunch maken.

Hij kon niet veilig alleen wonen. En ik kon de begeleiding die hij nodig had niet thuis organiseren zonder dat ons hele huishouden eromheen draaide.

Die laatste zin had ik samen met een maatschappelijk werker opgeschreven. Ik las hem vaak. Soms geloofde ik hem. Soms dacht ik dat hij alleen netjes klonk.

We bezochten een woonlocatie in Zeist. Een gewoon gebouw aan een rustige straat. Acht bewoners. Begeleiding, een gezamenlijke keuken en voor iedereen een eigen kamer met badkamer.

Simon liep voor ons uit. Hij trok een kast open en weer dicht.

‘Dit is voor oude mensen.’

De begeleider, Youssef, wees naar een fietshelm op de kapstok.

‘Er wonen hier mensen van verschillende leeftijden.’

‘Ik heb een huis.’

Hij keek naar mij.

‘Ja,’ zei ik.

‘Waarom staan we hier dan?’

Ik had mijn antwoord geoefend in de auto. Rustig. Kort. Geen stapel uitleg.

‘Omdat je hulp nodig hebt, ook op momenten dat wij slapen.’

‘Dan slaap je minder.’

Youssef bleef stil. Ik was hem daar dankbaar voor. Dit moest ik zelf zeggen.

‘Dat kan ik niet blijven doen. En Noor ook niet.’

Simon liep naar het raam. Buiten bezorgde iemand boodschappen. Hij volgde de bezorger met zijn ogen, alsof wij niet meer bestonden.

Op de terugweg zei hij dat ik van hem af wilde.

Ik hield mijn handen op het stuur.

‘Ik wil dat je goed kunt wonen.’

‘Niet bij jou.’

‘Niet bij mij thuis.’

Hij draaide zijn hoofd weg. De rest van de rit zei niemand iets.

Zijn vader belde die avond. Bert was achtenzeventig en woonde in Harderwijk. Hij bezocht Simon trouw op woensdag. Hij nam altijd fruit mee, vaak te veel.

‘Een mens hoort toch bij zijn gezin,’ zei hij.

Ik stond bij de vaatwasser. Er zat rijst vast aan de bodem van een kom.

‘Dat vind ik ook moeilijk.’

‘Kunnen jullie niet nog een keer proberen?’

Ik legde de kom neer.

‘Ben jij er dan ’s nachts?’

Hij zweeg.

Ik kreeg meteen spijt van mijn toon. Maar niet van de vraag.

‘Ik kan dat niet,’ zei hij uiteindelijk.

‘Ik ook niet.’

De verhuizing volgde zes weken later. Niet iedereen was het ermee eens. Simon zelf het minst. Het behandelteam had veel gesprekken met hem gevoerd. Soms begreep hij waarom het nodig was. Een uur later kon hij weer vragen wanneer ik hem naar huis bracht.

Ik kocht een dekbedovertrek met kleine blauwe strepen. In de winkel bleef ik twintig minuten voor het schap staan. Vroeger had ik hem een foto gestuurd. Welke? Hij zou hebben geantwoord dat hij onder allebei kon slapen.

Nu koos ik alleen.

We namen zijn radio mee, een foto van Noor en zijn oude gereedschapskist. Youssef keek samen met hem welke spullen hij op zijn kamer kon bewaren en wat hij onder begeleiding in de werkruimte kon gebruiken. Simon werd boos om een stanleymes. Daarna vergat hij het gesprek toen iemand koffie bracht.

Dat vergeten deed pijn op een manier die ik niet verwachtte. Ik zat nog vol spanning. Hij vroeg al naar suiker.

Toen ik vertrok, hield hij mijn jas vast.

‘Je komt morgen?’

Ik kwam bijna in de verleiding om ja te zeggen.

‘Donderdag.’

‘Dat duurt te lang.’

‘Morgen komt je vader. Donderdag kom ik.’

Ik maakte zijn vingers voorzichtig los.

Thuis deed ik zijn kledingkast open. De helft hing er nog. Overhemden voor vergaderingen die hij niet meer zou bijwonen. Een pak dat te ruim was geworden. Zijn oude voetbalshirt.

Ik ging op bed zitten met het shirt op mijn schoot.

Noor kwam binnen.

‘Gaat hij nu nooit meer hier wonen?’

‘We denken van niet.’

Ze streek met haar duim over het kozijn.

‘Ben je boos als ik dat fijn vind?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Nee.’

Ze kwam naast me zitten. We raakten elkaar nauwelijks aan. Alleen onze knieën.

Die avond sliep ik zes uur achter elkaar. Toen ik wakker werd, voelde ik opluchting. Daarna schuld. Ik bleef liggen tot de wekker ging. Ik probeerde geen van beide gevoelens weg te krijgen.

Hoofdstuk 6

De lege stoel

Op onze zeventiende trouwdag kocht ik twee tompoucen. Pas bij de kassa besefte ik waarom. Simon hield niet bijzonder van taart. Ik wel. Hij nam vroeger altijd twee tompoucen mee en zei dan dat de bakker ze niet per stuk verkocht.

Een slechte grap. Zeventien jaar lang dezelfde.

Ik zette het doosje op de passagiersstoel en reed naar Zeist.

Simon zat in de gezamenlijke keuken. Hij legde schroeven op lengte naast elkaar. Een bewoner had een doos met oud beslag gekregen. Youssef had hem gevraagd de bruikbare spullen uit te zoeken.

‘Je bent vroeg,’ zei Simon.

‘Het is half elf.’

‘O.’

Ik zette de taart op tafel.

‘We zijn vandaag zeventien jaar getrouwd.’

Hij keek naar het doosje.

‘Heb je vorkjes?’

Ik haalde ze uit de keukenla. Daarna zaten we naast elkaar te eten. Het glazuur brak in drie stukken. Simon veegde room van zijn broek.

Ik wachtte op een herinnering. Ons stadhuis in Amersfoort. De regen tijdens de foto’s. Zijn vriend Daan die de ringen kwijt leek te zijn, maar ze in zijn borstzak had gestopt.

Simon vroeg of ik zijn scheerapparaat had opgeladen.

Ik zei dat ik even naar het toilet moest.

Daar bleef ik op de gesloten deksel zitten. Ik huilde zonder geluid. Niet omdat hij de datum niet wist. Dat had ik kunnen verwachten. Ik huilde omdat ik toch taart had gekocht. Omdat een deel van mij nog steeds dacht dat ik de juiste herinnering alleen maar voor hem neer hoefde te zetten.

Toen ik terugkwam, was mijn tompouce weg.

‘Die werd slap,’ zei hij.

Ik begon te lachen. Harder dan de situatie verdiende. Simon lachte mee, hoewel hij waarschijnlijk niet wist waarom.

Tien minuten later vroeg hij opnieuw naar het scheerapparaat.

In die maanden begon ik met gesprekken bij een psycholoog. Niet om Simon beter te begrijpen. Dat had ik eerst wel gezegd. Het klonk nuttig. Netter dan zeggen dat ik soms niet meer naar hem toe wilde.

De psycholoog vroeg wat ik zelf nodig had.

‘Rust.’

‘Hoe ziet rust eruit?’

Ik wist het niet. Ik kon precies vertellen welke medicijnen Simon gebruikte. Welke prikkels hem uitputten. Welke afspraken Noor op school had. Maar op die vraag had ik geen antwoord.

We begonnen klein. Eén avond waarop ik niet belde om te controleren hoe het ging. Mijn telefoon niet naast mijn bord. Weer zwemmen op maandag, in het Sportfondsenbad, waar ik vroeger banen trok met Fatima.

De eerste keer zwom ik twaalf minuten. Daarna zat ik op een bankje naar de klok te kijken. Ik had nog drie kwartier betaald.

Fatima kwam naast me zitten.

‘We kunnen ook douchen.’

‘Het is zonde.’

‘Dan blijven we hier zitten.’

Dat deden we.

Ook Noor kreeg hulp. Via de huisarts vonden we iemand met wie ze kon praten zonder mij erbij. Ik vroeg na het eerste gesprek of het goed was gegaan.

‘Ja.’

‘Waar hebben jullie het over gehad?’

Ze keek me aan.

‘Sorry,’ zei ik. ‘Je hoeft het niet te vertellen.’

Ze hing haar jas op. Even later vroeg ze of Sara mocht blijven slapen.

Bezoek aan Simon werd minder vanzelfsprekend. Noor ging soms mee, soms niet. Eerst verzon ik redenen voor haar afwezigheid. Huiswerk. Hockey. Verjaardag.

Op een zondag zei ik gewoon dat ze niet kwam.

‘Waarom niet?’ vroeg Simon.

‘Vandaag wil ze thuisblijven.’

Hij noemde haar verwend.

Ik zette mijn kopje neer.

‘Als je zo over haar praat, ga ik weg.’

Hij trok een gezicht. Even dacht ik dat hij zou ontploffen. Hij keek naar de televisie en zei niets meer.

Ik bleef nog twintig minuten. De grens uitspreken maakte het bezoek niet fijn. Het maakte het wel mogelijk om te blijven.

Thuis schoof ik zijn stoel aan de eettafel opzij. Noor gebruikte die plek graag voor haar tekeningen, maar ruimde alles steeds op voordat ik thuiskwam.

‘Laat maar liggen,’ zei ik.

‘Echt?’

Ik knikte.

Ze spreidde haar potloden uit. Ik zette thee. Simons stoel stond bij het raam. Niet weg. Ook niet meer elke avond leeg tegenover mij.

Hoofdstuk 7

Tot donderdag

Twee jaar na het ongeluk belde Youssef op een donderdagochtend. Ik stond op het punt naar mijn werk te gaan. Mijn tas hing al over mijn schouder.

‘Simon wil vandaag niet mee naar buiten,’ zei hij.

Ik keek naar de picknicktas op het aanrecht. Twee broodjes kaas. Een appel in partjes. Geen ingewikkeld uitstapje. Alleen wandelen bij de woonlocatie, zoals we vaker deden.

‘Is er iets gebeurd?’

‘Hij heeft slecht geslapen. We hebben een nieuwe bewoner. Het is onrustig geweest.’

Ik zette mijn tas neer. Vroeger zou ik zijn gegaan om hem toch over te halen. Misschien had ik gedacht dat hij van een wandeling zou opknappen. Misschien had ik vooral niet willen toegeven dat mijn voorbereiding voor niets was geweest.

‘Vraag of hij vanmiddag een halfuur op zijn kamer wil zitten. Anders kom ik zondag.’

Youssef zou terugbellen.

Ik ging naar mijn werk. Daar vroeg Fatima of ik de kwartaaloverzichten wilde controleren. Ik werkte inmiddels weer vier dagen, met vaste tijden. Niet alles ging goed. Soms las ik een mail drie keer. Maar ik maakte ook grappen bij de printer en ergerde me aan gewone dingen.

Dat had ik gemist zonder het te weten.

Om één uur kwam er een bericht. Simon wilde me zien. Geen wandeling. Wel koffie.

Ik at een van de broodjes achter mijn bureau en legde het andere in de koelkast.

Zijn kamer rook naar vers wasgoed. Op de vensterbank stonden drie potjes met basilicum. Een medewerker was met een paar bewoners begonnen met koken. Simon had de taak gekregen de planten water te geven. Eén plant hing slap.

‘Die is niks waard,’ zei hij toen ik ernaar keek.

‘Misschien heeft hij dorst.’

‘Hij heeft gisteren gehad.’

Ik liet het erbij.

We dronken koffie. Simon vertelde dat iemand zijn schroevendraaier had gebruikt. Hij vertelde het drie keer. Ik luisterde twee keer aandachtig. De derde keer keek ik op mijn telefoon. Dat zag hij.

‘Interessant zeker?’

Ik stopte hem weg.

‘Nee. Dat was onbeleefd.’

Hij knikte. Het deed me goed dat ik ook gewoon iets verkeerd kon doen. Niet alles hoefde door het letsel te komen. Niet elk gesprek hoefde een oefening te zijn.

Op zijn kast stond een nieuwe foto van Noor. Vijftien inmiddels. Ze droeg haar hockeyshirt en keek boos tegen de zon in.

Simon wees ernaar.

‘Ze heeft zaterdag gewonnen.’

‘Twee-nul.’

‘Ze moet laag blijven bij het verdedigen.’

‘Dat zal ze fijn vinden om te horen.’

Hij keek me even aan. Toen verscheen er een klein lachje.

‘Jij vindt zeker dat ik me ermee bemoei.’

‘Een beetje.’

Het gesprek duurde misschien twintig seconden. Ik voelde meteen de oude neiging om het groter te maken. Om het aan iedereen te vertellen. Zie je wel. Hij is er nog.

Ik deed het niet.

Het was een prettig moment. Daarna vroeg hij waar zijn vader bleef, hoewel Bert de dag ervoor was geweest. Beide dingen waren waar.

Voor ik vertrok, vertelde ik dat Noor en ik in de meivakantie naar Terschelling gingen. Drie nachten. Lotte ging mee.

‘En ik dan?’

Mijn buik trok samen.

‘Jij blijft hier. Je vader komt. En Daan wil met je lunchen.’

‘Lekker makkelijk.’

Ik keek naar mijn handen. Ik kon de reis afzeggen. Ik kon opnieuw proberen hem uit te leggen waarom een boot, een ander bed en lange dagen hem waarschijnlijk zouden uitputten. We hadden dat gesprek al gevoerd, samen met de begeleiding.

‘Ik snap dat je het niet fijn vindt,’ zei ik.

Hij schoof zijn kopje weg.

We zaten nog even stil. Toen vroeg hij of ik zondag terugkwam.

‘Deze week komt zondag Daan. Ik kom donderdag.’

Bij de deur draaide ik me om.

‘Dag Simon.’

‘Tot donderdag.’

Buiten bleef ik even op de parkeerplaats staan. Ik miste de man die vroeger met mij routes uitzocht en ruziede over hoeveel bagage er mee moest. Dat gemis was niet kleiner omdat ik inmiddels wist waar ik hulp kon vragen.

Maar ik reed wel naar huis.

Noor zat aan tafel met haar laptop. Ze had een fietsverhuur op het eiland gevonden.

‘Tandem?’ vroeg ze.

‘Geen sprake van.’

‘Saai.’

Ik ging naast haar zitten. We bekeken fietsen, afstanden en de weersverwachting, veel te vroeg om die te vertrouwen.

Later stopte ik het overgebleven broodje in mijn tas voor morgen. Ik zette een herinnering in mijn telefoon voor Simons scheerapparaat. Daarna boekte ik de fietsen.

Ik dacht nog steeds aan hem. Ik had ook zin om te gaan.