Identiteit en zelfacceptatie
Te dik voor de spiegel
Hoofdstuk 1
Te dik voor de spiegel
De spiegel brak niet toen ik ertegen duwde. Hij brak pas toen mijn moeder zei dat ik beter even opzij kon gaan.
‘Je staat in de weg, Noor.’
Ik stapte achteruit. Mijn hiel raakte de gereedschapskist. De spiegel gleed langs de muur en sloeg op de plavuizen. Een scheur trok van mijn schoenen naar mijn gezicht.
Daar stond ik. Zesendertig jaar. Een donkerblauwe trui met een vetvlek bij mijn buik. Twee helften van hetzelfde hoofd.
‘Niet bewegen,’ zei mijn broer Bas.
Alsof ik dat nog van plan was.
We waren in het huis van mijn moeder in Nieuwegein. Ze ging kleiner wonen. Twee kamers, een balkon en een lift. Na haar tweede val op de trap had ze eindelijk getekend. Bas en ik moesten in één weekend veertig jaar spullen verdelen.
De spiegel had altijd naast de voordeur gehangen. Als kind zag ik er mijn vlechten in. Later controleerde ik er of mijn jas dicht kon. Op mijn zeventiende liep ik er met mijn ogen naar de grond langs.
‘Die kan nu tenminste weg,’ zei ik.
Bas pakte een bezem. Mijn moeder ging op de onderste traptrede zitten.
‘Het was nog de spiegel van oma.’
Ik hoorde verwijt. Misschien zat het er niet in. Bij mijn moeder wist ik dat vaak pas drie dagen later, als ik onder de douche alsnog een goed antwoord bedacht.
‘Hij was loodzwaar,’ zei Bas. ‘We hadden hem eerst moeten neerleggen.’
Mijn moeder keek naar mijn buik.
Of ik dacht dat ze keek.
Dat verschil beheerste een groot deel van mijn leven.
Ik woonde alleen in Utrecht, boven een fietsenwinkel aan de Amsterdamsestraatweg. Ik werkte vier dagen per week in een bibliotheekfiliaal in Overvecht. Ik kende de namen van kinderen die nooit een boek terugbrachten. Ik wist welke printer je een tik mocht geven. Ik hielp mensen met formulieren waar ik zelf ook zenuwachtig van werd.
Toch beschreef ik mezelf meestal met één woord.
Dik.
Niet behulpzaam. Niet ongeduldig. Niet iemand die hard kon lachen om slechte grappen. Dik kwam eerst. De rest moest wachten.
‘Er staan boven nog dozen,’ zei mijn moeder.
Ik vluchtte de trap op.
In mijn oude slaapkamer stond geen bed meer. Wel een hometrainer met een kapotte display. Mijn moeder had hem ooit voor me gekocht toen ik negentien was.
‘Dan hoef je niet naar zo’n sportschool,’ had ze gezegd.
Ik had bedankt. Dat kon ik goed. Bedanken voor dingen die pijn deden.
Onder het schuine dak vond ik drie schoenendozen met foto’s. Op de eerste stond in mijn vaders handschrift: ZOMER 1998. Hij was zeven jaar dood. Alleen al die hoekige hoofdletters maakten mijn keel strak.
Ik ging op de vloer zitten.
Bas in een opblaasboot. Mijn moeder bij een tent. Mijn vader met een pan aangebrande worstjes. En ergens aan de rand een meisje met mijn ogen, half achter een badlaken.
Ik draaide de volgende foto om.
Er ontbrak een stuk.
Niet gescheurd. Geknipt. Een nette hap uit de rechterkant. Alleen een blote arm was blijven zitten, naast Bas op een campingstoel.
Ik wist meteen wie daar had gestaan.
‘Noor?’ riep mijn moeder. ‘Vind je nog iets?’
Ik bekeek nog een foto. Koninginnedag. Bas met een oranje pruik. Mijn vader achter hem. Naast hen een lege strook wit karton, waar iemand een tweede foto overheen had geplakt.
Ik trok hem los.
Daaronder zat lijm. Geen gezicht.
Mijn handen werden koud. Ik zocht sneller. Verjaardagen. Schoolreisjes. Een dag aan zee. Op sommige foto’s stond ik wel. Op opvallend veel niet.
Beneden lachte Bas ergens om.
Ik hoorde mijn moeder zeggen dat sommige spullen gewoon geen waarde meer hadden.
Met de geknipte campingfoto liep ik naar beneden.
‘Wie heeft dit gedaan?’
Ze keek op. Eerst naar mij. Toen naar het karton tussen mijn vingers.
‘Wat bedoel je?’
‘Mij eruit gehaald.’
Bas stopte met vegen.
Mijn moeder stak haar hand uit, maar ik hield de foto tegen mijn borst.
‘Noor,’ zei ze zacht. ‘Dat weet je toch?’
En ineens was ik bang voor haar antwoord.
Hoofdstuk 2
De ontbrekende rand
‘Dat heb je zelf gedaan,’ zei mijn moeder.
Ik schudde mijn hoofd voordat ze uitgesproken was.
‘Nee.’
‘Je was zestien. Of zeventien.’
‘Dus ik heb mezelf uit jullie foto’s geknipt?’
Bas zette de bezem tegen de muur.
‘Uit een paar,’ zei hij. ‘Niet uit allemaal.’
Dat hij het wist, maakte het erger. Ze hadden samen een herinnering aan mij waar ik niet bij kon.
Ik legde de foto op de eettafel. Er lag nog een bleke kring waar jarenlang de fruitschaal had gestaan.
Toen zag ik de schaar weer.
Een rode keukenschaar. Een vuilniszak op mijn knieën. Mijn vader die vroeg waarom ik niet gewoon de hele foto weggooide.
‘Omdat jullie er wel normaal op staan,’ had ik gezegd.
Ik ging zitten.
Mijn moeder schoof een glas water naar me toe. Ik raakte het niet aan.
‘Waarom hield niemand me tegen?’
‘Je wilde het zelf,’ zei ze.
Dat was waar. Het was ook geen volledig antwoord.
Op mijn zestiende wilde ik een heleboel. Niet meer naar gym. Niet meer eten waar anderen bij waren. Niet meer bestaan op schooldagen waarop we moesten zwemmen.
Ik herinnerde me de camping. Een jongen uit de tent naast ons had gevraagd of ik twee luchtbedden nodig had. Bas had hem uitgescholden. Mijn vader had gezegd dat ik me niets moest aantrekken van idioten.
Daarna hadden we gewoon gegeten.
De jongen bleef nog negen dagen naast ons staan.
‘Ik dacht dat je die foto’s later misschien toch wilde,’ zei mijn moeder. ‘Daarom heb ik de rest bewaard.’
‘Maar je zei ook steeds dat een andere trui slanker maakte.’
Ze trok haar kin in.
‘Ik probeerde je te helpen.’
‘Dat weet ik.’
Het klonk harder dan ik bedoelde. Ik wist het echt. Mijn moeder had broeken voor me vermaakt. Ze had bij een winkel geklaagd toen een verkoopster zuchtte om mijn maat. Ze had ook vanaf mijn twaalfde gevraagd of een tweede boterham nodig was.
Allebei was waar. Daar had ik geen handig vakje voor.
Bas ging tegenover me zitten.
‘We hoeven dit huis vandaag niet af te krijgen.’
‘Jawel,’ zei mijn moeder meteen.
Ik begon te lachen. Kort en lelijk. Daarna huilde ik. Daar schrok ik zelf het meest van.
Ik huilde zelden waar iemand bij was. Huilen maakte mijn gezicht rood en dik. Alsof verdriet ook nog rekening moest houden met de beste hoek.
Die avond nam ik de schoenendozen mee naar Utrecht. De kapotte spiegel ging naar het afvalstation. Bas bracht me thuis en droeg de dozen naar boven.
Bij mijn deur bleef hij staan.
‘Ik heb ook weleens meegedaan,’ zei hij.
‘Waaraan?’
Hij keek naar de trap.
‘Grappen. Over je eten. Vroeger.’
Ik herinnerde me een verjaardag. Bas die mijn stuk taart een bouwpakket noemde. Iedereen lachte. Ik ook.
‘Ja,’ zei ik.
‘Sorry.’
Ik wachtte op een uitleg. Dat hij jong was. Dat het niet zo bedoeld was. Die kwam niet.
‘Dank je,’ zei ik.
De volgende ochtend lag de campingfoto naast mijn koffiekop. Ik keek naar de arm die van mij was overgebleven. Er zat een rood horloge om de pols. Dat horloge had ik van mijn eerste krantenwijk gekocht.
Ik had dus ook gewerkt die zomer. Gefietst. Geld geteld. Een horloge uitgezocht.
Meer gedaan dan dik zijn.
Op mijn werk vroeg mijn collega Derya waarom ik zo stil was.
‘Familiegedoe.’
‘Gewoon gedoe of deur dicht?’
We gingen het kleine kantoor in.
Ik liet haar de foto zien. Ze draaide hem voorzichtig tussen haar vingers.
‘Je hoeft me niet zielig te vinden,’ zei ik.
‘Dat was ik nog niet van plan.’
Ik vertelde het verhaal. Zonder nette samenvatting. Met mijn moeder, de schaar en die campingjongen.
Derya luisterde. Toen wees ze naar een map op haar bureau.
‘We zoeken nog mensen voor die portrettenserie. Bewoners van Overvecht. Mensen van de bibliotheek mogen ook.’
Ik staarde haar aan.
‘Heb jij geluisterd naar wat ik net vertelde?’
‘Ja. Daarom vraag ik het voorzichtig.’
Op de map stond: HIER BEN IK.
‘Absoluut niet,’ zei ik.
Maar toen ze de map opborg, vroeg ik wie de fotograaf was.
Hoofdstuk 3
Niet alleen mijn hoofd
De fotograaf heette Imane El Idrissi. Ze had een atelier in een voormalig schoolgebouw in Zuilen. Ik mailde haar op dinsdagavond om kwart over elf.
Ik wil misschien meedoen. Ik wil niet afvallen op de foto. Ik wil ook geen verhaal over hoe dapper dikke mensen zijn.
Daarna sloot ik mijn laptop alsof ik iets strafbaars had verstuurd.
Haar antwoord kwam de volgende ochtend.
Goed. Waar wil je wél over vertellen?
Ik had daar geen antwoord op.
Toch fietste ik die vrijdag naar haar atelier. Ik droeg drie truien in mijn fietstas. Allemaal donker. In de gang rook het naar koffie en natte jassen.
Imane was ongeveer mijn leeftijd. Ze had verf op haar schoen en een bril aan een koordje.
‘Wil je eerst praten?’ vroeg ze.
‘Kan dat zonder camera?’
Ze legde hem in een kast.
We gingen aan een tafel zitten. De stoelen hadden geen armleuningen. Ik merkte dat meteen op. Zoals ik altijd meteen zag of een stoel me zou knellen.
‘Wat doe je graag?’ vroeg ze.
‘Lezen.’
‘Wat nog meer?’
Ik keek naar mijn handen.
‘Ik repareer boeken. Op mijn werk. Gescheurde ruggen, losse bladzijden.’
‘Vind je dat leuk?’
‘Ja. Vooral als iemand zegt dat iets niet meer te redden is.’
Ze glimlachte, maar maakte er geen diepe vergelijking van. Daar was ik dankbaar voor.
Ik vertelde over mijn balkon. Over de tomatenplanten die ieder jaar doodgingen. Over mijn buurman Henk, die toch iedere lente nieuwe stekjes bracht. Over hoe ik formulieren kon uitleggen, maar zelf drie ongeopende brieven van de gemeente had liggen.
Na twintig minuten vergat ik even waarom ik er was.
Toen vroeg ze of de camera uit de kast mocht.
Mijn buik trok samen.
‘Alleen proberen,’ zei ik.
Ze zette een kruk bij het raam. Ik bleef staan.
‘Die lijkt niet stevig.’
‘Hij is stevig. Maar we kunnen een andere stoel nemen.’
Geen grap. Geen geruststelling dat ik heus niet zo zwaar was. Ze haalde gewoon een houten stoel uit de hoek.
De eerste foto’s waren alleen van mijn gezicht. Dat had ik gevraagd. Mijn handen lagen onder mijn benen. Mijn rug deed pijn van het rechtop zitten.
‘Je mag bewegen,’ zei Imane.
‘Dan krijg ik een onderkin.’
‘Wil je even pauze?’
Ik knikte.
Ze draaide haar scherm naar me toe.
Ik zag meteen mijn wangen. De plooi bij mijn oksel. Mijn trui, die anders viel dan thuis voor de badkamerspiegel.
‘Vreselijk,’ zei ik.
Imane keek niet beledigd.
‘Wat zie je?’
Ik wees het aan. Alles wat niet klopte.
‘En je gezicht?’ vroeg ze.
‘Dat noemde ik toch?’
‘Je noemde de vorm.’
Ik keek opnieuw. Mijn mond stond scheef. Zo keek ik wanneer een kind me een ongeloofwaardig excuus gaf voor een kwijt boek. Ik herkende mezelf en wilde tegelijk wegkijken.
‘Ik weet niet of ik dit kan.’
‘Je hoeft vandaag niets te beslissen.’
Op weg naar huis stopte ik bij een bakker aan de Amsterdamsestraatweg. Ik wilde een kaasbroodje. Voor me stonden twee scholieren. Een van hen keek achterom.
Ik liep weer naar buiten.
Pas naast mijn fiets werd ik boos. Niet op die jongen. Hij had niets gezegd. Ik was weggegaan omdat iemand ogen had.
Ik zette mijn fiets opnieuw op slot en ging terug.
‘Een kaasbroodje,’ zei ik tegen de verkoopster.
Mijn stem klonk veel te hard.
Thuis at ik het boven de gootsteen. Dat voelde niet als een overwinning. Het voelde als lunch, met onnodig veel werk ervoor.
Die avond belde ik mijn vriendin Sanne. We kenden elkaar van het mbo. Zij had me door banen, begrafenissen en één beroerde relatie geholpen.
‘Een portret?’ zei ze. ‘Wat goed. En misschien helpt het je om weer wat beter voor jezelf te zorgen.’
Ik werd stil.
‘Je bedoelt afvallen.’
‘Nee, nou ja. Gezonder leven.’
Ik sloot mijn ogen.
‘Ik vertel je dat ik eindelijk op een foto durf. Waarom moet ik daarna kleiner?’
Aan de andere kant hoorde ik een kastdeur dichtgaan.
‘Zo bedoel ik het niet.’
‘Maar zo zeg je het wel.’
We hingen ongemakkelijk op.
Daarna mailde ik Imane.
Ik wil nog een keer komen. Deze keer helemaal.
Hoofdstuk 4
De rekening
Helemaal op de foto gaan bleek makkelijker te beloven vanaf mijn bank dan uit te voeren voor een lens.
Bij de tweede afspraak droeg ik een groene jurk die ik al twee jaar had. Het prijskaartje zat er nog aan. Ik had hem gekocht voor een etentje en op het laatste moment toch een zwarte broek aangetrokken.
Imane knipte het kaartje los.
‘Bewaren?’
‘Nee. Straks kan ik weer terug.’
Ik stond bij het raam. Mijn armen wisten nergens heen te gaan. Voor mijn buik voelde verstopperig. Langs mijn lijf voelde bloot. Op mijn heupen voelde alsof ik een vrolijkheid moest spelen die ik niet had.
‘Loop eens naar die tafel,’ zei Imane. ‘Pak dat boek.’
Het was een atlas met een losse kaft.
‘Die moet gelijmd worden,’ zei ik.
‘Dat zegt iedereen die hier werkt inmiddels.’
Ik lachte. De camera klikte.
Dat werd de foto.
Niet omdat ik mezelf ineens prachtig vond. Mijn buik was zichtbaar. Mijn bovenarmen ook. Maar ik stond er niet te wachten op toestemming. Ik hield een kapot boek vast en keek naar iemand buiten beeld.
Ik leek bezig met mijn leven.
We kozen samen een korte tekst. Over de bibliotheek. Over boeken herstellen. Over het feit dat ik jarenlang afspraken afzegde als ik niets vond waarin ik mezelf kon verdragen.
Mijn gewicht hoefde er niet bij. Dat was geen geheim, maar ook geen toegangsbewijs tot mijn verhaal.
Ik gaf toestemming voor de tentoonstelling en de bijbehorende aankondiging. Imane schreef erbij dat ik het uiteindelijke ontwerp eerst zou zien.
Een week later vroeg Derya me mee te eten na haar dienst.
‘Er zit een nieuw tentje bij de Vecht,’ zei ze.
Ik zocht thuis foto’s op. Lage stoelen met houten armleuningen. Smalle bankjes tegen de muur.
Ik typte dat ik hoofdpijn had.
Daarna verwijderde ik het bericht.
Hebben ze ook gewone stoelen zonder leuningen?
Het antwoord kwam vrijwel meteen.
Ik bel even.
Meer niet. Geen hartjes. Geen preek over mezelf niet zo druk maken.
We gingen. Ik paste op de stoel. Het eten was te zout. Derya vertelde over haar ex die nog steeds haar streamingaccount gebruikte. Een gewone avond. Ik was bijna kwaad om hoe zeldzaam ik die voor mezelf had gemaakt.
Thuis telde ik in bed afgezegde dingen.
Sannes verjaardag aan het strand. Een weekend Maastricht. De diploma-uitreiking van mijn nichtje, omdat ik bang was dat de klapstoelen te smal zouden zijn. Ik had cadeaus gestuurd. Mooie kaarten. Redelijke excuses.
Ik had mensen gemist die nog leefden.
De volgende dag belde ik de huisarts. Niet voor mijn gewicht. Dat zei ik er meteen bij, zo fel dat de assistente even zweeg.
‘Waarvoor dan wel?’ vroeg ze rustig.
‘Omdat ik mijn hele leven inricht om niet bekeken te worden.’
Twee weken later zat ik tegenover de praktijkondersteuner, Eva. Er stond een doos tissues binnen handbereik. Dat irriteerde me voordat ik begon.
‘Wat wil je veranderen?’ vroeg ze.
‘Ik wil niet meer nadenken over mijn lichaam.’
‘Helemaal niet?’
‘Gewone mensen doen dat toch ook niet steeds?’
Ze vroeg wat een gewone dag voor mij inhield. Ik vertelde over stoelen controleren. Mijn buik inhouden bij stoplichten. Etalages vermijden. Eten bestellen dat niet bevestigde wat ik dacht dat anderen dachten.
Hardop klonk het vermoeiend.
Dat was het ook.
Eva sprak niet over van mezelf houden. Ze vroeg of we konden beginnen met één situatie waarin ik iets deed wat ik eigenlijk wilde.
‘Zonder eerst te wachten tot het prettig voelt,’ zei ze.
Ik koos zwemmen. Meteen had ik spijt.
Op de terugweg belde mijn moeder. Of ik zondag kwam eten in haar nieuwe appartement.
‘En doe die groene jurk eens aan,’ zei ze. ‘Bas liet een foto zien. Die kleedt mooi af.’
Ik stopte midden op de stoep.
‘Mam. Zeg gewoon dat je de kleur mooi vindt.’
‘Dat bedoel ik toch?’
‘Nee. Je zegt dat ik er minder dik in lijk.’
Ze zuchtte.
‘Ik moet ook op ieder woord letten tegenwoordig.’
Mijn hand klemde om mijn telefoon.
‘Bij dit onderwerp wel,’ zei ik. ‘Dat moet ik al jaren.’
Hoofdstuk 5
Boven water
Sanne ging mee naar zwembad De Kwakel. Ze had zelf gebeld na ons mislukte gesprek.
‘Ik heb erover nagedacht,’ zei ze. ‘Ik maakte van jouw foto een beginfoto.’
‘Wat?’
‘Van een voor-en-na-verhaal. Terwijl jij gewoon op die foto wilde staan.’
Ik zat op de keukenvloer, met een lekkende vuilniszak naast me. Toch bleef ik zitten luisteren.
‘Ja,’ zei ik. ‘Precies dat.’
‘Sorry.’
We praatten nog een halfuur. Daarna vroeg ik of ze mee wilde zwemmen. Niet om me aan te moedigen. Gewoon mee.
Op zaterdagochtend stond ik in een kleedhokje dat naar chloor en nat hout rook. Mijn badpak was zwart. Ik had het online besteld en drie keer gepast met de gordijnen dicht.
Door de wand hoorde ik een kind vragen waar zijn brilletje was.
‘In je hand,’ zei een vermoeide vader.
Ik moest lachen. Toen ging ik naar buiten.
Sanne wachtte bij de douches. Ze droeg een rood badpak en had een afdruk van haar sok op haar enkel. Ik keek ernaar alsof dat detail me kon redden.
Bij het bad begon mijn hart hard te slaan.
Er waren mensen. Natuurlijk waren er mensen. Een vrouw trok baantjes. Twee mannen stonden te praten. Een jongen sprong van de kant, werd teruggefloten en deed alsof hij niets hoorde.
Niemand draaide zich om.
Ik voelde me bijna bedrogen. Al die voorbereiding. Al die angst. De wereld ging gewoon door.
Via het trapje zakte ik het water in.
Mijn knieën deden vaak pijn op trappen. Hier niet. Ik duwde me af en zwom naar de overkant. Na één baan hijgde ik.
‘Even rust?’ vroeg Sanne.
‘Ja.’
We hingen aan de rand. Ze vertelde dat haar dochter een hamster wilde en al een naam had: Meneer De Vries.
Ik lachte zo hard dat ik water binnenkreeg.
Een paar minuten dacht ik niet aan hoe ik eruitzag. Alleen aan ademhalen. Aan de tegels onder me. Aan mijn voet die af en toe de bodem raakte.
Toen kwam er een groep tieners binnen.
Een meisje keek mijn kant op en fluisterde iets tegen een ander. Ze lachten.
Mijn maag trok samen.
‘Ik wil eruit,’ zei ik.
Sanne keek niet naar hen.
‘Goed.’
‘Je gaat niet zeggen dat het vast niet over mij ging?’
‘Ik weet niet waar het over ging.’
Dat antwoord hielp meer dan zekerheid die ze niet kon hebben.
We bleven nog vijf minuten. Omdat ik dat wilde. Daarna douchten we en dronken koffie uit papieren bekers.
‘Volgende week?’ vroeg ze.
‘Misschien over twee weken.’
‘Ook goed.’
Thuis hing ik mijn badpak over het droogrek. Het leek vreemd om het daar te zien. Tussen mijn sokken en theedoeken. Geen geheim voorwerp meer, maar iets dat gewassen moest worden.
Mijn moeder belde die middag. Ze vroeg of ik nog boos was.
‘Niet de hele tijd.’
Ze snoof. Bijna een lach.
‘Ik wist vroeger ook niet wat ik moest doen,’ zei ze. ‘Je kwam huilend thuis. Ik dacht: als ik je help afvallen, houdt dat op.’
Ik ging aan tafel zitten.
‘Maar het werd mijn taak om te zorgen dat zij niet gemeen waren.’
Het bleef stil.
‘Ja,’ zei ze uiteindelijk. ‘Dat snap ik nu beter.’
Ik draaide mijn koffiekop rond.
‘Ik zeg niet dat alles jouw schuld is.’
‘Zo voelt het soms wel.’
‘Voor mij ook. Alsof ik je pijn doe zodra ik vertel wat mij pijn deed.’
We vonden daar geen oplossing voor. Ze vroeg naar het zwemmen. Ik vertelde over Meneer De Vries. Dat was voor die middag genoeg.
Maandag kwam het eerste ontwerp van de tentoonstelling binnen. Zeven portretten. Het mijne stond in het midden. Ik opende het bestand, sloot het en opende het opnieuw.
Daar stond ik. Niet verstopt achter een tekstvak. Niet kleiner gemaakt.
Ik mailde dat het akkoord was.
Donderdag zag ik mezelf bij de ingang van de bibliotheek.
Niet op het afgesproken ontwerp.
Er hing een andere poster. Mijn gezicht was groot afgedrukt. Mijn lichaam was afgesneden bij de borst.
Daaronder stond in dikke letters:
NOOR DURFT EINDELIJK ZICHZELF TE ZIJN.
Mijn naam. Mijn hoofd. En een zin die ik nooit had gezegd.
Hoofdstuk 6
Niet jullie voorbeeld
Ik trok de poster van het raam. Het plakband liet een witte scheur achter.
Achter de balie keek Derya op.
‘Noor?’
‘Wie heeft dit gemaakt?’
Mijn stem sloeg over. Twee bezoekers keken naar me. Ik haatte dat ik het meteen registreerde.
Derya kwam naast me staan en las de tekst.
‘O, shit.’
Onze teamleider, Jeroen, zat in het kantoor. Ik legde de poster op zijn toetsenbord.
‘Dit was niet afgesproken.’
Hij schoof zijn stoel achteruit.
‘Ik heb hem gisteren van communicatie gekregen. Voor de opening.’
‘Waarom staat mijn lichaam er niet op?’
Hij keek naar de poster.
‘Het is een uitsnede. Dat werkt beter op dit formaat, geloof ik.’
‘Dan kies je een andere foto.’
‘Noor, het is positief bedoeld.’
Daar was die zin weer. Alsof een goede bedoeling achteraf bepaalde wat ik mocht voelen.
‘Ik wil dat hij weggaat. Overal.’
Jeroen opende zijn mail.
De poster stond ook online.
Ik voelde warmte naar mijn nek trekken. Er waren reacties. Hartjes. Duimpjes. Iemand schreef dat ik een inspiratie was. Een ander schreef dat overgewicht niet verheerlijkt moest worden.
Ik las die laatste zin drie keer.
Derya legde haar hand naast de muis.
‘Niet verder kijken nu.’
‘Het gaat over mij.’
‘Ja. En je hoeft niet alles binnen te laten.’
Ik liep naar het magazijn. Tussen dozen met oude tijdschriften ging ik op een opstapje zitten. Mijn handen trilden zo erg dat ik Imane twee keer verkeerd aanklikte.
Ze nam direct op.
‘Ik heb het gezien,’ zei ze. ‘Ik ben al aan het bellen.’
‘Ik wil eruit.’
‘Uit de tentoonstelling?’
‘Uit alles.’
Ze zweeg even.
‘Dat kan. Maar je hoeft dat besluit niet nu te nemen. De poster moet sowieso weg. Daar heb je geen toestemming voor gegeven.’
Ik staarde naar een doos kerstboeken.
‘Ik ben zo moe van uitleggen.’
‘Dan doe ik het technische stuk. Jij bepaalt wat er met jouw portret gebeurt.’
Die middag werd het bericht verwijderd. De posters gingen weg. De communicatiemedewerker belde. Ze heette Marieke en klonk geschrokken.
‘We wilden een persoonlijk verhaal uitlichten,’ zei ze. ‘Ik dacht dat die zin de kern samenvatte.’
‘Mijn kern is niet dat ik dik ben en toch naar buiten kom.’
‘Nee. Dat begrijp ik.’
‘En ik durf niet ineens alles. Dat maakt die zin ook zo vervelend.’
Ze bood haar excuses aan. Zonder te zeggen dat ik verkeerd reageerde. Ik merkte hoeveel verschil dat maakte.
Toch bleef ik die avond op de bank zitten met mijn jas aan.
Bas kwam langs met eten. Hij zette de bakken op tafel en vroeg of ik wilde praten of een film kijken.
‘Ik wil dat iedereen ophoudt met naar me kijken.’
‘Dat wordt lastig bij een tentoonstelling.’
Ik keek boos op. Toen zag ik zijn gezicht.
‘Ja,’ zei ik. ‘Dat weet ik.’
We aten zwijgend. Daarna liet ik hem de originele foto zien.
‘Deze vind ik echt goed,’ zei hij.
‘Waarom?’
‘Omdat je zo kijkt als je iets grappig vindt voordat je besluit of je mag lachen.’
Ik bestudeerde mijn mond op het scherm.
‘Doe ik dat?’
‘Al zolang ik je ken.’
Bij Eva vertelde ik dat ik me een mislukt voorbeeld voelde. Een vrouw die over zelfacceptatie praatte en daarna huilde om een internetreactie.
‘Voor wie moet je een voorbeeld zijn?’ vroeg ze.
Ik wist het niet. Voor andere dikke vrouwen misschien. Voor mijn jongere zelf. Voor iedereen die dacht dat meedoen betekende dat je nergens meer last van had.
‘Ik wil niet dat het voor niets is geweest,’ zei ik.
‘Wat wilde je zelf toen je begon?’
Ik dacht aan die geknipte foto. Aan het rode horloge.
‘Er gewoon op staan.’
Die avond mailde ik Imane en Jeroen. Het portret mocht blijven. Met mijn eigen tekst. Geen extra campagne. Geen kop over moed. Ik wilde het drukwerk nog één keer zien.
De opening was over vier dagen.
Daarna belde ik mijn moeder.
‘Kom je vrijdag?’
‘Als jij me erbij wilt.’
‘Ja,’ zei ik. ‘Maar ik wil niet de hele avond horen dat ik mooi op de foto sta.’
Ze dacht even na.
‘Mag ik dan zeggen dat dat boek nodig gerepareerd moet worden?’
Voor het eerst die week lachte ik.
Hoofdstuk 7
Op de foto
Vrijdagmiddag wilde ik afzeggen.
Mijn groene jurk lag op bed. Naast de jurk lag mijn zwarte broek. Ik stond in mijn ondergoed voor de kleine spiegel aan mijn kastdeur.
Mijn buik was dezelfde buik als vorige maand. Mijn bovenbenen raakten elkaar. Er was niets spectaculairs gebeurd dat me geschikt maakte voor een opening.
Beneden sloeg Henk de deur van de fietsenwinkel dicht. Een tram belde in de verte. Het was kwart over vier.
Ik trok de jurk aan.
Daarna trok ik hem weer uit.
Uiteindelijk koos ik de broek en een oranje blouse. Niet omdat die me kleiner maakte. Omdat de jurk strak zat als ik lang stond en ik geen zin had om de hele avond aan stof te trekken.
Dat onderscheid wilde ik leren. Niet elke comfortabele keuze was verstoppen. Niet elke strakke jurk was bevrijding.
Bij de bibliotheek stond Imane op een ladder een lamp te verstellen. Derya zette glazen neer. Mijn portret hing naast een foto van een buschauffeur en tegenover een vrouw die haar man thuis verzorgde.
Zeven mensen. Niemand vertegenwoordigde in zijn eentje een hele groep.
Ik liep naar mijn foto.
De afdruk was groter dan ik had verwacht. Ik kon de kleine beschadiging op mijn nagel zien. Het boek lag open in mijn handen.
Onder de foto stond mijn tekst:
Ik ben Noor van Vliet. Ik werk in de bibliotheek. Ik herstel graag dingen die nog bruikbaar zijn. Jarenlang bleef ik thuis als ik dacht dat mijn lichaam ergens niet paste. Dat doe ik soms nog. Maar steeds minder vaak.
Ik las hem twee keer.
Toen kwamen mijn moeder en Bas binnen. Mijn moeder had haar goede jas aan. Er zat nog een kassabon half uit haar mouw.
‘Zal ik je jas aannemen?’ vroeg ik.
‘Even wachten.’
Ze ging voor het portret staan. Haar ogen bewogen van de foto naar de tekst.
Ik hield mijn adem in.
‘Dat lachje,’ zei ze. ‘Je vader had dat ook.’
Meer zei ze niet.
Ik pakte haar jas.
Er kwamen ongeveer veertig mensen. Collega’s. Buurtbewoners. Een paar vaste bezoekers die vooral voor de gratis hapjes leken te komen. Een jongetje vroeg of hij mijn handtekening in zijn bibliotheekboek mocht.
‘Dat boek is van ons,’ zei ik. ‘Dus liever niet.’
Zijn moeder lachte.
Jeroen hield zijn praatje kort. Hij noemde de namen van de deelnemers. Geen verrassingen. Geen verhaal over mijn persoonlijke reis.
Daarna bleef een vrouw naast me staan. Ik herkende haar van de computers. Ze printte iedere maand formulieren uit en vergat altijd haar wachtwoord.
‘Ik heb ook bijna geen foto’s van mezelf,’ zei ze.
Ik knikte.
‘Rot, hè?’
‘Ja.’
We stonden een tijdje naast elkaar. Ik hoefde haar niet te redden. Zij hoefde mij niet dapper te noemen.
Later wilde Bas een foto maken met mijn moeder en mij. Mijn eerste beweging was achter haar gaan staan.
Ik merkte het op. Stapte weer naar voren.
‘Gewoon hier,’ zei ik.
Op de foto die hij stuurde, had ik mijn ogen half dicht. Mijn blouse trok bij een knoop. Mijn moeder keek niet naar de camera, maar naar mij.
Ik bewaarde hem.
Drie maanden later hing dat beeld op mijn koelkast. Niet als bewijs dat alles opgelost was. Tussen een tandartskaartje en een bon voor nieuwe fietslampen.
Ik zwom inmiddels eens per twee weken. Soms met Sanne. Soms alleen. Ik controleerde nog steeds stoelen. Daar was vaak een praktische reden voor. Maar ik verzon minder vaak hoofdpijn.
Mijn moeder maakte nog weleens een opmerking. Dan zei ik er iets van. Soms rustig. Soms niet. Ze leerde, en ik ook.
De schoenendozen stonden in mijn boekenkast. De geknipte campingfoto had ik niet weggegooid. Ik had hem ook niet gerepareerd met een plaatje van mezelf uit een andere zomer. Het gat hoorde bij wat er was gebeurd.
Er kwamen wel nieuwe foto’s bij.
Op een zondag ging ik met Bas en zijn kinderen naar Wijk aan Zee. Het waaide hard. Mijn nichtje wilde een foto met iedereen erop. Ik gaf mijn telefoon aan een man die langsliep.
‘Vanaf mijn middel is goed,’ begon ik.
Toen stopte ik.
‘Nee. Helemaal graag.’
Mijn haar waaide voor mijn mond. Er zat zand aan mijn broek. Mijn neefje trok aan mijn hand omdat hij terug wilde naar het water.
Ik keek naar de camera.
Die middag heb ik meegegeten, gezwommen en ruzie gemaakt over de route naar huis.
Ik stond ook op de foto.