Naar de inhoud
Terug naar het boek

Werk en maatschappij

Thuiswerken maakte me eenzaam

Hoofdstuk 1

Thuiswerken maakte me eenzaam

Toen de pakketbezorger aanbelde, had ik al drie dagen niemand hardop gesproken. Ik rende naar de voordeur. Mijn sok gleed weg op de onderste traptrede. Ik ving mezelf op aan de kapstok en trok twee jassen naar beneden.

‘Voor nummer zestien,’ zei de bezorger.

Hij hield een doos omhoog.

‘Die zijn niet thuis,’ zei ik. ‘Volgens mij werken ze allebei op locatie. Zij in het ziekenhuis. Hij weet ik eigenlijk niet.’

De jongen keek op zijn apparaat.

‘Wilt u hem aannemen?’

‘Ja. Natuurlijk. Druk vandaag?’

Hij had de doos al losgelaten.

‘Altijd.’

Ik bleef in de deuropening staan tot zijn bus de straat uit was. Daarna zette ik het pakket naast de kapstok. Mijn handen trilden. Niet erg. Net genoeg om het te merken.

Mijn naam is Simon van Dijk. Ik was achtendertig en woonde alleen in een huurhuis in Amersfoort, in het Soesterkwartier. Vier jaar eerder had ik dat huis gekregen na mijn scheiding. Twee slaapkamers, een kleine tuin, een keuken waar precies één persoon tegelijk een la kon opentrekken. Ik was er blij mee geweest.

Beneden stond mijn werklaptop op de eettafel. Het scherm was zwart geworden. Toen ik de muis bewoog, verschenen zes nieuwe berichten.

Het belangrijkste kwam van mijn teamleider Erik.

‘Kun je het overzicht voor drie uur afronden?’

Ik typte: ‘Komt goed.’

Dat schreef ik vaak. Het was kort. Het stelde niemand een vraag. Je kon ermee verbergen dat je sinds halfelf naar dezelfde kolom zat te kijken.

Ik werkte op de financiële administratie van Meridiaan Wonen, een verzonnen woningcorporatie met woningen rond Utrecht. Ik controleerde onderhoudsfacturen. Lekkende daken, vervangen cv-ketels, schilderwerk. Bedragen koppelen aan opdrachten. Afwijkingen uitzoeken. Werk dat weinig mensen opmerkten zolang het goed ging.

Voor de pandemie zat ons team in Utrecht, vlak bij station Vaartsche Rijn. Daarna gingen we thuiswerken. Eerst tijdelijk. Later besloot de directie dat de helft van de kantoorruimte weg kon. We kregen een vergoeding voor een stoel en een scherm. Op intranet verscheen een foto van een vrouw die lachend op haar balkon werkte.

Ik vond het aanvankelijk heerlijk.

Geen volle trein. Geen collega die naast me een appel at. Geen haast om halfacht. Ik kon tijdens de lunch een was ophangen. Op vrijdag werkte ik soms in een oude trainingsbroek. Toen mijn zus Marieke vroeg of ik mensen niet miste, zei ik dat ik juist rust had.

Dat was toen waar.

De eenzaamheid kwam niet op de eerste thuiswerkdag. Ook niet in de eerste maand. Ze kwam toen mijn collega Bas naar een andere afdeling ging. Toen de gezamenlijke lunch van onze agenda verdween. Toen mijn vriend Daan een kind kreeg en onze donderdagse afspraak steeds vaker verschoof.

Er viel telkens iets kleins weg. Ik vulde niets aan.

Om kwart voor drie leverde ik het overzicht in. Daarna liep ik naar de keuken. Op het aanrecht stond mijn ontbijtkom. Ik had geen lunch gegeten. Ik sneed twee plakken kaas af en at ze terwijl ik naar de schutting keek.

Mijn telefoon ging. Marieke.

‘Kom je zondag bij mam?’

‘Misschien. Veel werk.’

‘Op zondag?’

‘Achterstand.’

Ze wachtte even.

‘Je mag ook gewoon zeggen dat je geen zin hebt.’

‘Ik heb wel zin. Ik weet het alleen nog niet.’

Ik hoorde haar dochter op de achtergrond vragen waar haar gymtas was. Marieke moest ophangen. Ze zei dat ik nog even moest appen.

Ik legde mijn telefoon ondersteboven neer.

Om zes uur klopte mijn buurvrouw aan voor haar pakket. Ze heette Farida. We woonden al drie jaar naast elkaar. Meer wist ik nauwelijks.

‘Dank je,’ zei ze. ‘Je bent vaak thuis, hè?’

‘Ik werk thuis.’

‘Fijn, lijkt me.’

‘Ja,’ zei ik meteen.

Ze tilde de doos op. Ik had kunnen vragen wat erin zat. Of hoe haar dag was geweest. Maar ineens schaamde ik me voor mijn behoefte aan een gesprek. Ik wilde niet de buurman zijn die je bij de deur vasthield.

Die avond zette ik de televisie aan voordat ik mijn jas had uitgetrokken na het boodschappen doen. Tijdens het koken liet ik hem harder staan.

Bij het eten lachte iemand in een spelprogramma. Ik keek naar de lege stoel tegenover me.

Ik pakte mijn telefoon en opende Daans naam. Ik typte: ‘Heb jij deze week tijd?’

Daarna wiste ik het bericht.

Ik dacht dat ik eerst iets leuks te vertellen moest hebben.

Hoofdstuk 2

Altijd beschikbaar

Op maandag begon ik om zeven uur. Niemand had daarom gevraagd. Toch voelde vroeg beginnen als bewijs dat er niets mis met me was.

Ik douchte niet. Ik trok een trui over mijn slaapshirt en zette koffie. Buiten reden fietsen langs het raam. Mensen onderweg naar plekken waar iemand hen verwachtte.

Om negen uur begon ons teamoverleg. Acht vakjes op het scherm. Twee gezichten, zes initialen.

‘Goed weekend?’ vroeg Erik.

‘Prima,’ zei ik.

Hij wachtte niet op meer. We liepen de achterstanden door. Er waren nieuwe afspraken met onderhoudsbedrijven. Facturen moesten sneller worden verwerkt. De directie wilde voor het einde van het kwartaal cijfers zien.

‘En het kantoor?’ vroeg mijn collega Yara.

‘Wat bedoel je?’

‘Of we weer een vaste teamdag kunnen krijgen.’

Erik keek opzij, waarschijnlijk naar zijn tweede scherm.

‘Iedereen mag een plek reserveren. Dat weten jullie.’

‘Ja, maar dan zit ik daar alleen.’

‘Stem het onderling af.’

Daarmee was het onderwerp klaar.

Na de vergadering stuurde Yara me een bericht. ‘Ga jij donderdag?’

Ik keek naar mijn agenda. Leeg, behalve twee online overleggen.

‘Lastig deze week,’ typte ik.

Ik wist niet waarom ik loog. Ik wilde mensen zien. Maar het idee van de trein, mijn jas, een gesprek bij de koffieautomaat, maakte me moe voordat ik was opgestaan. Thuis kon ik verbergen hoe het ging. Op kantoor zou iemand misschien vragen waarom ik zo stil was.

Mijn wereld werd kleiner, en elke stap erbuiten werd groter.

Ik begon boodschappen te bestellen. Eerst omdat het regende. Daarna omdat ik nog iets moest afmaken. Uiteindelijk omdat ik geen reden meer nodig had. De bezorger zette kratten in de gang. Ik gaf hem lege flessen mee. Dat was praktisch. Het kostte me ook mijn laatste vaste uitstapje.

Op woensdag belde Daan vanuit zijn auto.

‘Sorry, man. Drukke weken. Hoe gaat het?’

‘Goed. Met jou?’

Hij vertelde over gebroken nachten en een lekkage in de badkamer. Ik luisterde. Toen hij vroeg wat ik had gedaan, zei ik dat het werk druk was.

‘We moeten weer eens een biertje doen,’ zei hij.

‘Ja.’

‘Ik kijk even met Lotte.’

Hij belde niet terug. Ik ook niet. Later zou blijken dat hij op een voorstel van mij had gewacht.

Intussen werd ik steeds bereikbaarder voor mijn werk. Als Erik om halfzes een vraag stuurde, antwoordde ik direct. Als een leverancier om kwart voor zeven mailde, zocht ik zijn factuur nog op.

Dat gaf een kort gevoel van contact. Iemand had mij nodig. Mijn naam stond ergens. Er volgde soms een duimpje of een ‘dank!’.

Daarna was het weer stil.

Op vrijdagavond kreeg ik een bericht van Bas. Er was een borrel in Utrecht, met een paar mensen van vroeger. Of ik kwam.

Ik trok een schoon overhemd aan. Bij de spiegel in de gang zag ik hoe lang mijn haar was geworden. Ik streek het plat met water. Op het station kocht ik een kaartje en ging op het perron staan.

De trein had twaalf minuten vertraging.

Om me heen stonden mensen in groepjes. Een vrouw hield een doos taart vast. Twee mannen bespraken een collega die ontslag had genomen. Ik probeerde te bedenken wat ik straks zou zeggen.

Alles wat in me opkwam, ging over werk. Een factuur. Een systeemfout. Mijn nieuwe bureaustoel.

Toen de trein binnenreed, bleef ik staan.

Ik keek hoe de deuren dichtgingen. Daarna stuurde ik Bas dat ik hoofdpijn had gekregen.

‘Beterschap!’ schreef hij.

Op de terugweg kocht ik friet. Thuis at ik uit het papier, met mijn overhemd nog aan. Ik vertelde mezelf dat zo’n borrel ook niet alles was. Veel lawaai. Dezelfde verhalen. Morgen zou ik wel ergens heen gaan.

Zaterdagochtend werd ik om zes uur wakker. Mijn kaken deden pijn van het klemmen. Ik opende mijn laptop om één ding af te maken.

Er stond een nieuwe mail van Erik.

‘Fijn dat je zo flexibel bent, Simon.’

Ik las die zin twee keer.

Daarna werkte ik tot na de middag. Toen ik opstond, wist ik niet wat ik met de rest van de dag moest.

Hoofdstuk 3

De dubbele betaling

De fout zat in een factuur voor dakwerk in Nieuwegein. Achtenveertigduizend zeshonderd euro. Ik had de onderliggende opdracht gecontroleerd en het document doorgestuurd voor goedkeuring.

Wat ik niet had gezien, was dat dezelfde factuur al eerder binnen was gekomen. De leverancier had hem opnieuw gestuurd als pdf met een extra letter achter het nummer. Ons systeem herkende hem daardoor niet als dubbel.

Ik had dat wel moeten zien.

Yara belde op dinsdagochtend.

‘Heb jij nu even?’

Haar stem klonk anders dan anders.

‘Ja.’

‘Ik zit in de betaalvoorstellen. Kun je naar opdracht vierachtzes kijken?’

Ik opende het dossier. Twee documenten. Hetzelfde dak. Hetzelfde bedrag.

‘Verdomme,’ zei ik.

‘De tweede betaling staat nog niet klaar. Ik heb hem geblokkeerd.’

Ik zei niets.

‘Simon?’

‘Ik zie het.’

‘Er is nog niets dubbel betaald.’

Dat hielp niet. Ik voelde warmte in mijn nek en tegelijk koude handen. Ik scrolde door mijn eerdere controles. Vorige week had ik bij beide documenten mijn initialen gezet.

‘Ik meld het bij Erik,’ zei ik.

‘Zal ik erbij blijven?’

‘Nee. Hoeft niet.’

Ik hing op voordat ze kon reageren.

Erik plande een gesprek voor elf uur. De uitnodiging heette ‘Afstemming kwaliteit’. Ik keek bijna een uur naar die woorden. In mijn hoofd werd de fout groter. Een officiële waarschuwing. Ontslag. Geen salaris. Het huis uit.

Ik wist dat ik vooruitliep. Toch kon ik niet stoppen.

Om elf uur zette ik mijn camera aan. Erik zat op kantoor. Achter hem liep iemand met een broodje door het beeld.

‘Wat is hier gebeurd?’ vroeg hij.

Ik legde het uit. Hij vroeg hoeveel dossiers ik die dag had verwerkt. Ik wist het niet. Hij vroeg of ik de controlelijst gebruikte.

‘Meestal.’

‘Meestal is niet genoeg.’

‘Dat weet ik.’

‘Je bent normaal juist heel zorgvuldig.’

Ik keek naar mijn eigen kleine beeld. Een bleke man met een trui die bij de hals scheef zat.

‘Ik slaap slecht,’ zei ik.

Erik leunde achterover.

‘Al lang?’

‘Een tijdje.’

Ik had nu kunnen stoppen. Dat deed ik bijna. Maar hij wachtte, en de stilte duurde net lang genoeg.

‘Ik kom nauwelijks buiten. Soms spreek ik dagen niemand. Ik krijg eenvoudige dingen niet meer af.’

Erik keek naar zijn bureau.

‘Dat wist ik niet.’

‘Nee.’

‘Je zei steeds dat het goed ging.’

Dat klonk als een verwijt. Misschien bedoelde hij het niet zo. Ik voelde me meteen schuldig.

‘Ik dacht dat het vanzelf beter zou worden.’

Hij stelde voor dat ik een paar dagen vrij nam. Even opladen. Hij zei dat iedereen het druk had en dat we allemaal op onze grenzen moesten letten.

Ik knikte. Toch voelde vrij nemen niet als een oplossing. Dan zat ik in hetzelfde huis, zonder berichten van collega’s.

Na het gesprek liep ik naar de supermarkt. Ik had brood nodig. Bij de kassa vroeg een jongen of ik een bon wilde.

Ik begreep de vraag, maar kreeg geen antwoord uit mijn mond. Mijn adem zat hoog. De winkel leek te warm. Ik legde mijn hand op de rand van de kassa.

‘Meneer?’

‘Nee. Geen bon.’

Buiten ging ik op een muurtje zitten. Ik bleef daar tot het trillen minder werd. Mijn brood lag naast me in een tas.

Thuis belde ik de huisarts. Toen de assistente vroeg waarvoor ik een afspraak wilde, zei ik eerst: ‘Slecht slapen.’

Daarna zei ik: ‘En ik denk dat ik niet goed meer functioneer.’

Ik mocht de volgende ochtend komen.

Die avond belde ik Marieke. Ik vertelde over de factuur. Over de supermarkt. Over de trein waar ik niet in was gestapt.

‘Waarom heb je niets gezegd?’ vroeg ze.

‘Omdat ik geen goed antwoord had op wat er dan moest gebeuren.’

Ze zuchtte. Niet boos. Meer alsof ze ging zitten.

‘Je hoeft geen plan klaar te hebben om mij te bellen.’

Ik begon te huilen. Dat irriteerde me. Ik probeerde verder te praten, maar kreeg alleen losse woorden naar buiten.

Marieke bleef aan de lijn.

Toen ik rustiger was, vroeg ze of ik al had gegeten. Ik keek naar het brood op tafel.

‘Nog niet.’

‘Maak iets,’ zei ze. ‘Ik blijf wel even.’

Hoofdstuk 4

Een stoel erbij

De huisarts vroeg niet meteen hoeveel ik dronk of hoeveel uur ik werkte. Ze vroeg hoe een gewone dag eruitzag.

Ik beschreef de laptop op tafel. De koffie. Het vergeten van de lunch. Het werken na het avondeten. Terwijl ik praatte, hoorde ik zelf hoe weinig er verder overbleef.

‘Waar kijk je op een dag naar uit?’ vroeg ze.

Ik dacht lang na.

‘Als er iemand belt.’

Ze knikte en stelde meer vragen. Over mijn slaap. Over piekeren. Of ik nog plezier had in dingen. Ook vroeg ze of ik gedachten had dat ik niet meer wilde leven.

‘Nee,’ zei ik. ‘Ik wil alleen niet zo verder.’

We maakten een afspraak bij de praktijkondersteuner. De huisarts adviseerde me ook contact te zoeken met de bedrijfsarts. Niet pas als ik helemaal uitviel.

Buiten belde ik Erik. Mijn stem trilde opnieuw, maar ik had opgeschreven wat ik wilde zeggen.

‘Ik wil de bedrijfsarts spreken. En ik kan deze week niet doorgaan alsof er niets aan de hand is.’

Hij zei dat we dat gingen regelen.

Het was geen warme reactie. Ook geen afwijzing. Ik moest leren dat hulp soms begon met een zakelijke afspraak.

Die middag kwam Marieke. Ze woonde in Hilversum en had eerder kunnen stoppen met werken. Ze keek naar de stapel ongeopende post op mijn keukenstoel, maar zei er niets over.

‘Wil je dat ik opruim?’ vroeg ze.

‘Nee.’

‘Zal ik koffie maken?’

‘Ja.’

We zaten tegenover elkaar. Voor het eerst in weken gebruikte iemand de tweede stoel.

Ik vertelde dat ik me verwend voelde. Ik had werk. Een huis. Geen reistijd. Mensen in de zorg konden niet eens rustig lunchen. Wie was ik om te zeggen dat thuiswerken me kapotmaakte?

‘Mijn rug doet ook niet minder pijn als iemand anders zijn been breekt,’ zei Marieke.

Ik trok een gezicht.

‘Dat klinkt als iets van een tegeltje.’

‘Kan zijn. Je snapt me wel.’

Ik moest lachen. Het voelde vreemd en prettig tegelijk.

De eerste afspraak met de praktijkondersteuner was een week later. Ze heette Annelies. Haar kamer had een raam op een parkeerplaats. Geen kaarsen. Geen zachte muziek. Daar was ik blij om.

Ze vroeg wanneer ik me minder alleen voelde.

‘Op kantoor, vroeger.’

‘Wat gebeurde daar dan?’

‘Niets bijzonders. Iemand vroeg iets. We haalden koffie. Ik hoorde hoe een ander een probleem oploste.’

‘Je hoefde contact niet steeds zelf te organiseren.’

Dat was precies het verschil. Thuis moest ik voor ieder gesprek een reden verzinnen. Een afspraak maken. Een tijd kiezen. En als iemand niet kon, voelde dat groter dan het was.

We maakten mijn week niet ineens vol. Annelies vroeg wat klein genoeg was om werkelijk te doen. Ik koos elke werkdag een lunchwandeling. Ook zou ik één concrete afspraak met Daan voorstellen.

‘Niet: we moeten eens afspreken,’ zei ze. ‘Wel: kun je zaterdag om tien uur wandelen?’

Daan kon zaterdag niet. Mijn maag trok samen toen ik het bericht las.

Daaronder stond: ‘Zondag elf uur wel?’

Ik had bijna alleen de eerste regel gezien.

De bedrijfsarts sprak ik diezelfde week. Zij adviseerde tijdelijk kortere werkdagen, duidelijke stoptijden en overleg over werken op locatie. De medische details hoefde ik niet met Erik te delen. Samen met hem maakte ik afspraken over mijn taken.

Vier weken lang geen spoedlijst aan het einde van de middag. De betalingen werden tijdelijk extra gecontroleerd. Dat laatste vond ik pijnlijk. Tegelijk sliep ik die nacht iets beter.

Op zondag stond Daan om elf uur voor mijn deur. We liepen richting de Eem.

‘Je had gewoon mogen zeggen dat het slecht ging,’ zei hij.

‘Dat weet ik nu.’

‘Ik ben niet zo goed in hints.’

‘Ik blijkbaar ook niet.’

Bij de brug stonden we stil. Hij vertelde dat hij zich sinds de geboorte van zijn dochter soms opgesloten voelde. Anders dan ik. Maar ook alleen met dingen die hij moeilijk uitlegde.

We losten weinig op die ochtend.

Wel spraken we een nieuwe datum af voordat hij naar huis ging. Ik zette die meteen in mijn agenda, naast de afspraken die ik voor mijn werk altijd al netjes bijhield.

Hoofdstuk 5

Niemand op kantoor

Mijn eerste kantoordag begon met een mislukte reservering. De app meldde dat mijn account geen toegang meer had tot onze oude afdeling. Ik stond voor het gebouw in Utrecht met mijn telefoon in mijn hand.

De receptioniste liet me binnen nadat ze Erik had gebeld.

‘Je moet op de derde zijn,’ zei ze. ‘Tweede is nu van een ander bedrijf.’

Op de derde verdieping rook het naar nieuwe vloerbedekking. Waar vroeger ons team zat, stonden rijen lege bureaus. Op een kast lag een toetsenbord zonder kabel.

Ik hing mijn jas over een stoel. Mijn vingers waren koud van de reis. Toch was ik trots dat ik er was.

Om tien uur had ik nog niemand gesproken.

Yara zou komen, maar haar zoontje was ziek. Erik zat de hele ochtend in overleg. De andere collega’s werkten thuis. Bij de koffieautomaat las ik een bordje over verbinding en samenwerking.

Ik maakte er een foto van. Ik wilde hem naar Yara sturen met een boze grap. Daarna legde ik mijn telefoon weg. Ik was te teleurgesteld om grappig te zijn.

Tijdens de lunch zat ik alleen aan een lange tafel. Twee mensen van vastgoed aten verderop. Ze kenden elkaar. Ik had kunnen aansluiten, maar wist niet hoe. Dus keek ik op mijn telefoon.

Om twee uur vroeg Erik hoe het ging op kantoor.

‘Eerlijk?’ zei ik.

‘Graag.’

‘Ik zit hier alleen naar dezelfde schermen te kijken als thuis.’

‘Je bent in elk geval even eruit.’

‘Dat is niet hetzelfde als samenwerken.’

Het kwam harder uit mijn mond dan ik wilde. Erik keek verrast.

Ik legde uit dat een bureaustoel niet genoeg was. Dat ik niet naar Utrecht reisde om daar in mijn eentje online te vergaderen. Dat er afspraken nodig waren over wie wanneer kwam.

‘Niet iedereen wil verplicht terug,’ zei hij.

‘Ik vraag niet om vijf dagen. Ik vraag om een dag waarop er ook iemand anders is.’

Hij zei dat hij het in het team zou bespreken.

Die bespreking werd ongemakkelijk.

Jeroen woonde inmiddels in Zwolle. Hij zei dat thuiswerken hem twee uur reizen scheelde. Lotte zorgde op woensdag voor haar vader. Een vaste dag zou haar planning raken. Bas, die voor een deel van het overleg aanschoof, vond dat iedereen zelf moest kunnen kiezen.

Ik voelde de oude neiging om terug te krabbelen.

Toen zei Yara: ‘Volledige vrijheid klinkt mooi, maar nu moet iedereen apart onderhandelen over contact. Dat kost ook tijd.’

We kwamen niet meteen tot een besluit. Wel spraken we af zes weken te testen met een dinsdag waarop het team zoveel mogelijk samenkwam. Voor wie niet kon, bleef deelname op afstand mogelijk. Geen hele dag vol schermvergaderingen. Wel gezamenlijke controles, een lunch en tijd voor vragen.

Het was minder dan ik had gehoopt. Het was meer dan er was.

Die avond klopte Farida aan. Er was opnieuw een pakket bij mij bezorgd.

‘Je zag er laatst niet goed uit,’ zei ze terwijl ik de doos pakte.

Ik verstijfde.

‘Sorry. Dat klinkt onaardig.’

‘Nee. Het ging ook niet goed.’

Ze wachtte.

Ik vertelde een korte versie. Thuiswerken. Slecht slapen. Te weinig mensen zien.

‘Bij ons in het ziekenhuis wil iedereen soms een dag thuis,’ zei ze. ‘Maar elke dag lijkt me ook niks.’

‘Dat durfde ik dus bijna niet te zeggen.’

Ze zette de doos op de grond.

‘Er zijn meer soorten zwaar werk dan nachtdiensten.’

Voor ze vertrok, vertelde ze over een buurtmaaltijd in een zaaltje bij de Noordewierweg. Ze hielp daar twee keer per maand met koken. Er kwamen ouderen, gezinnen en mensen die alleen woonden.

‘Ze zoeken iemand voor de administratie,’ zei ze.

Ik lachte zonder plezier.

‘Nog meer spreadsheets?’

‘Je mag ook aardappels schillen.’

Ik zei dat ik erover na zou denken. Farida schudde haar hoofd.

‘Dat zeggen mensen als ze niet durven. Kom donderdag een halfuur kijken. Daarna mag je weg.’

Donderdag liep ik tot aan het zaaltje. Door het raam zag ik mensen aan een tafel. Mijn hand lag al op de deurklink.

Ik haalde hem er weer af.

Toen zag Farida me. Ze zwaaide niet uitbundig. Ze wees alleen naar een vrije stoel.

Ik ging naar binnen.

Hoofdstuk 6

Niet meteen beter

De vrije stoel stond naast Henk, een man van tweeënzeventig die wortels sneed met een mes dat veel te klein leek.

‘Kun jij uien doen?’ vroeg hij.

‘Ja.’

Hij schoof een snijplank naar me toe. Niemand vroeg waarom ik alleen was. Niemand wilde weten of ik hersteld was. Binnen vijf minuten prikten mijn ogen en had ik een concrete reden om weinig te praten.

Dat hielp.

Na een halfuur zei Farida dat ik mocht vertrekken. Ik bleef tot de pannen op tafel stonden. Daarna bleef ik nog om af te wassen.

Toen ik thuiskwam, rook mijn trui naar gebakken ui. Ik hing hem niet meteen in de was. De geur herinnerde me eraan dat ik ergens geweest was.

Toch ging het niet daarna elke week beter.

Op de tweede gezamenlijke kantoordag kwam ik te laat omdat er een storing was bij Amersfoort. Ik liep bezweet het overleg in. Jeroen maakte een grap over mensen die de trein niet meer gewend waren.

Iedereen lachte kort. Ik ook.

De hele middag dacht ik dat hij mij zwak vond.

Vroeger had ik hem misschien teruggeplaagd. Nu hoorde ik in een losse opmerking een oordeel over mijn hele functioneren. Annelies hielp me later dat verschil te zien. Niet door te zeggen dat ik me aanstelde. Wel door te vragen wat Jeroen precies had gezegd, en wat ik er zelf aan had toegevoegd.

Ik begon dat op te schrijven. Feiten aan de ene kant. Mijn invulling aan de andere. Soms stond er aan de tweede kant veel meer.

Halverwege de zes weken ging het opnieuw mis met mijn grenzen. Er viel een collega uit. Erik vroeg of ik tijdelijk een deel van haar dossiers kon overnemen.

‘Alleen deze week,’ zei hij.

‘Prima,’ hoorde ik mezelf zeggen.

Diezelfde avond zat ik om negen uur nog achter mijn laptop. Mijn geplande wandeling had ik overgeslagen. Op mijn telefoon stond een bericht van Daan dat ik niet had geopend.

Ik herkende het, en toch ging ik door.

De volgende ochtend werd ik misselijk wakker. Ik schaamde me dat één drukke week genoeg was om terug te vallen. Ik dacht aan het gesprek met de bedrijfsarts. Aan alle afspraken. Aan de mensen die hun best voor mij deden.

Ik wilde de afspraak met Annelies afzeggen. Juist daarom ging ik.

‘Wat gebeurde er toen Erik het vroeg?’ zei ze.

‘Ik was blij dat hij me weer vertrouwde.’

‘En wat kostte dat antwoord je?’

Ik keek naar mijn handen.

We oefenden een ander antwoord. Het voelde kinderachtig om hardop tegen haar te zeggen dat ik geen extra dossiers kon aannemen. Daarna oefenden we het nog een keer, met minder uitleg.

Ik belde Erik vanuit huis.

‘Ik heb gisteren te snel ja gezegd. Het past niet binnen onze afspraken. Welke taken laat ik liggen als ik dit overneem?’

Hij was even stil.

‘Ik dacht dat het alweer beter ging.’

‘Het gaat beter omdat de belasting lager is. Niet omdat alles voorbij is.’

We verdeelden de dossiers opnieuw. Hij klonk geïrriteerd. Dat vond ik moeilijk. Toch gebeurde er verder niets. Ik kreeg geen waarschuwing. Mijn baan verdween niet. Aan het einde van de dag sloot ik om vier uur af.

De dinsdagproef werd geëvalueerd. Niet iedereen was enthousiast. Reizen bleef reizen. Maar Yara liet zien dat vragen sneller werden opgelost als we samen zaten. Ook de controle op facturen liep beter. We besloten de dag te houden en hem na drie maanden opnieuw te bespreken.

Ik had gehoopt dat iemand zou zeggen dat ik gelijk had gehad. Dat gebeurde niet. Het hoefde ook niet, merkte ik later. De afspraak zelf was belangrijker.

Bij de buurtmaaltijd sloeg ik een week over. Ik was moe en wilde alleen zijn. Daarna dacht ik dat ik niet meer terug kon komen zonder uitleg.

Farida stuurde: ‘Donderdag soep. Henk vraagt of jij de uien weer doet.’

Ik schreef dat ik er zou zijn.

Die donderdag brak ik tijdens het afdrogen een glas. Ik schrok zo dat Henk opkeek.

‘Stoffer staat naast de koelkast,’ zei hij.

Meer niet.

Ik ruimde de scherven op en pakte een nieuwe theedoek. Het was prettig om ergens een fout te mogen maken die gewoon een fout bleef.

Hoofdstuk 7

Dinsdag staat vast

Een halfjaar na die dubbele factuur zat ik weer aan mijn eettafel te werken. Dezelfde tafel. Dezelfde straat. Buiten zette iemand een fiets tegen de gevel.

Toch zag mijn dag er anders uit.

Mijn laptop stond niet meer tussen de broodkruimels en ongeopende post. Overdag werkte ik meestal aan een klein bureau in de tweede slaapkamer. Die ochtend zat ik beneden omdat de schilder boven bezig was. Aan het einde van de middag zou alles weer weggaan.

Dat opruimen was geen wondermiddel. Maar ik at niet meer met mijn werk naast mijn bord.

Ik werkte inmiddels weer mijn gewone uren. Niet altijd op volle kracht. Soms controleerde ik een bedrag drie keer omdat ik mijn aandacht niet vertrouwde. Dan gebruikte ik de lijst, vroeg iets aan Yara of liep even weg van het scherm. Ik probeerde niet meer met extra avonduren te bewijzen dat ik nuttig was.

Op dinsdag ging ik naar Utrecht. Meestal waren we met zes mensen. Soms met vier. Jeroen kwam om de week. Lotte sloot na haar zorgtaken aan. Het was niet de oude situatie, en ook niet perfect eerlijk voor iedereen. We bleven erover praten.

De directie wilde later nog meer kantoorruimte afstoten. Via de ondernemingsraad gaven we door wat onze teamdag opleverde en welke ruimte daarvoor nodig was. Andere teams deden hetzelfde. Er kwam een aangepast plan, met vaste samenwerkplekken.

Ik had een korte bijdrage geschreven. Niet over mijn medische klachten. Wel over het verschil tussen thuis kunnen werken en nergens anders terechtkunnen.

Mijn naam stond eronder.

Dat vond ik spannender dan ik had verwacht.

Erik sprak me er later op aan bij de koffieautomaat.

‘Helder stuk,’ zei hij.

‘Dank je.’

Hij draaide zijn beker tussen zijn handen.

‘Ik heb te lang alleen gekeken of het werk afkwam.’

Ik had allerlei scherpe antwoorden kunnen geven. Dat ik mezelf ondertussen aan het wegwerken was. Dat hij mijn avondberichten best had kunnen opmerken. Het was ook waar dat ik lang had gezegd dat alles goed ging.

‘Ik ook,’ zei ik.

Daarna bespraken we een leverancier die zijn facturen telkens verkeerd aanleverde. Een gewoon werkgesprek. Ik was blij dat niet elk contact over mijn herstel hoefde te gaan.

Met Daan wandelde ik meestal op zondag om de week. Soms zei hij af vanwege zijn dochter. Dan stelde ik meteen een andere datum voor. Soms kon ik niet. Onze vriendschap bleek dat te kunnen verdragen.

Marieke belde ik ook als ik niets bijzonders had meegemaakt. Ik vroeg naar haar werk. Naar de kapotte vaatwasser. Naar mijn nichtje, dat inmiddels haar gymtas meestal zelf terugvond.

Mijn laatste afspraak met Annelies lag achter me. We hadden besproken waaraan ik kon merken dat het weer misging: boodschappen vermijden, afspraken afzeggen, na het eten opnieuw inloggen. Als meerdere dingen tegelijk terugkwamen, zou ik contact opnemen. Ik had die signalen opgeschreven in mijn telefoon.

Er waren nog lege avonden.

Eén vrijdag in november vond ik bijzonder moeilijk. Het regende. Daan had een zieke dochter. Marieke was weg. De buurtmaaltijd was pas de week erna. Ik scrolde door foto’s van mensen in restaurants en werd kwaad op iedereen die plezier leek te hebben.

Toen legde ik mijn telefoon weg. Ik trok mijn jas aan en liep naar de supermarkt. Niet omdat een wandeling alles oploste. Ik had eten nodig. Buiten zijn maakte de avond in elk geval anders dan de dag.

Bij de groente stond Farida.

‘Kom je zondag koffie drinken?’ vroeg ze. ‘Mijn zus komt ook. Zij kent hier nog bijna niemand.’

‘Ja,’ zei ik. ‘Hoe laat?’

Thuis kookte ik voor mezelf. Ik at aan tafel. De televisie bleef uit tot ik klaar was.

Ik miste nog steeds gezelschap. Alleen voelde dat gemis niet meer als bewijs dat er iets verkeerd was aan mij. Ik wist nu wat ik miste. Mensen naast me. Kleine gesprekken. Een plek waar mijn afwezigheid werd opgemerkt zonder dat mijn werk bleef liggen.

Op zondag nam ik koekjes mee naar Farida. Haar zus heette Samira. Ze zat op de rand van de bank en hield haar jas nog vast.

Ik herkende die houding.

‘Ik ben Simon,’ zei ik. ‘Ik woon hiernaast.’

Farida vroeg of ik koffie wilde. Ik schoof op zodat Samira wat meer ruimte had.

Daarna vroeg ik haar hoe haar verhuizing was gegaan. Ik had geen bijzonder verhaal klaar. Dat bleek ook die middag niet nodig.