Tegenslag en opnieuw beginnen
Van de straat naar een sleutel
Hoofdstuk 1
Van de straat naar een sleutel — 1. De laatste trap
De deurwaarder stond om kwart over negen voor mijn deur. Ik had hem pas om tien uur verwacht. Dat verschil van drie kwartier maakte me woedend. Niet de huurachterstand. Niet het vonnis op tafel. Die vijfenveertig minuten.
‘Ik moet nog inpakken,’ zei ik.
Hij keek langs me heen. In de gang stonden twee vuilniszakken en een open sporttas.
‘Neem eerst uw medicijnen en papieren mee, meneer De Bruin.’
Ik heet Niels de Bruin. Ik was tweeënveertig en woonde al negen jaar in een bovenwoning aan de Mathenesserweg in Rotterdam. Ik kende de kapotte trede tussen de eerste en tweede verdieping. Ik wist bij welke wind mijn keukenraam floot. Binnen een uur mocht ik er niet meer in.
Achter de deurwaarder stonden een slotenmaker en twee mannen van een verhuisbedrijf. Een van hen droeg blauwe handschoenen. Hij vroeg welke spullen mee moesten.
‘Alles,’ zei ik.
Niemand antwoordde.
Het begon niet met één grote klap. Mijn knie raakte beschadigd toen ik in het magazijn van een groothandel van een laadklep stapte. Mijn tijdelijke contract liep af tijdens mijn herstel. Daarna kwamen maanden met minder inkomen, losse klussen en formulieren die steeds iets anders van me wilden. De huur betaalde ik eerst nog. Vervolgens bijna. Daarna niet meer.
Ik had betalingsafspraken gemaakt en verbroken. Een keer omdat mijn uitkering later kwam. Een keer omdat ik een oude schuld aan mijn broer belangrijker vond. Daarna nam ik de telefoon niet meer op. Dat laatste was mijn eigen keuze. Een slechte keuze, die ik iedere ochtend opnieuw maakte.
De brieven lagen in een broodtrommel. Alsof ze daar minder geldig waren.
Ik liep naar mijn slaapkamer. Op de kast stond een foto van mijn dochter, Isa. Veertien was ze inmiddels. Op de foto miste ze haar voortanden. Ik haalde het glas uit het lijstje en schoof de foto tussen twee shirts.
Mijn ex, Marieke, wist van de achterstand. Ze wist niet van vandaag.
Ik pakte mijn telefoon en typte: Het gaat even niet goed met wonen.
Ik verwijderde het bericht.
In de keuken stond nog koffie. Ik schonk een halve mok in en dronk staand. Door het raam zag ik buurvrouw Ria haar fiets uit het schuurtje trekken. Ze keek omhoog. Ik stapte achteruit, tegen de koelkast.
‘Meneer?’ riep de deurwaarder.
Ik ging naar de gang met mijn mok nog in mijn hand.
Hij legde uit waar mijn spullen naartoe zouden gaan en gaf me een papier. Ik vroeg hoe ik daarvoor moest betalen. Hij wees op een telefoonnummer. Toen vroeg ik of ik die nacht misschien nog mocht blijven.
‘Dat kan niet.’
Hij zei het rustig. Daar werd ik nog bozer van.
‘Jij gaat straks gewoon naar huis.’
‘Ja,’ zei hij.
Dat ene woord haalde alle lucht uit mijn ruzie.
Beneden schoof ik de sporttas over mijn schouder. Mijn knie trok. De twee vuilniszakken schuurden over de stoep. In een ervan zaten schoenen, een pan en een handdoek. Waarom die pan mee moest, weet ik nog steeds niet. Ik had geen plek om te koken.
Ria kwam naast me staan.
‘Niels. Waar ga je heen?’
‘Een vriend.’
‘Welke vriend?’
‘Ria, alsjeblieft.’
Ze knikte en liet me met rust. Vijf minuten later kwam ze terug met een fles water en twee boterhammen in aluminiumfolie. Ze vroeg niets meer. Dat was het vriendelijkste wat iemand die ochtend deed.
Ik belde Stefan, met wie ik vroeger avonddiensten draaide. Hij nam niet op. Mijn broer nam wel op.
‘Je kunt hier niet weer komen,’ zei hij voordat ik iets vroeg.
Ik hoorde zijn kinderen op de achtergrond.
‘Het is maar voor een paar nachten.’
‘Dat zei je vorige keer ook.’
Hij had gelijk. Ik had drie weken op zijn bank gelegen, niets geregeld en tegen zijn vrouw gelogen over afspraken. Toch drukte ik kwaad het gesprek weg.
Bij het Marconiplein zette ik mijn tassen naast een bankje. Ik telde mijn geld. Achtendertig euro contant. Op mijn rekening stond elf euro en zes cent.
Ik kocht geen eten. Ik had Ria’s boterhammen. Ik kocht ook geen kaartje. Eerst moest ik bedenken waarheen.
De middag werd avond terwijl ik mensen zag overstappen. Iedereen had haast. Ik bleef zitten tot een conducteur vroeg of het goed ging.
‘Ik wacht op iemand,’ zei ik.
Hij liep verder.
Om halfelf stuurde ik Marieke eindelijk een bericht. Niet over Isa. Niet over geld.
Ik heb geen woning meer.
Daarna zette ik mijn telefoon uit. Ik wilde niet zien hoe snel ze antwoordde.
Hoofdstuk 2
De nachtprijs
Mijn eerste slaapplaats lag achter een kantoorpand bij de Vierhavensstraat. Er zat een afdak boven de nooduitgang. De grond was droog. Dat waren mijn eisen geworden: droog, uit het zicht, niet naast een afvalcontainer.
Ik legde een vuilniszak onder mijn heup. Mijn sporttas gebruikte ik als kussen. Iedere keer dat ik mijn ogen sloot, hoorde ik iets. Een scooter. Een deur. Schoenen op grind. Tegen drie uur begon een ventilator boven mijn hoofd te draaien. Ik dacht eerst dat iemand een elektrisch mes aanzette.
Slapen lukte pas toen de lucht lichter werd.
Een beveiliger maakte me wakker met zijn schoen tegen mijn zool.
‘Je moet weg hier.’
‘Ik doe toch niks?’
‘Daar gaat het niet om.’
Hij bleef staan terwijl ik inpakte. Mijn been was stijf. Ik kreeg mijn schoen niet aan en deed alsof ik iets zocht, zodat hij mijn handen niet zag trillen.
Bij een supermarkt kocht ik een broodje en ging ik naar het toilet. Ik waste mijn gezicht. Daarna mijn oksels, met wc-papier dat direct uit elkaar viel. Er werd op de deur geklopt.
‘Moment!’
Mijn stem klonk als die van een boze klant. Dat stelde me vreemd genoeg gerust.
Buiten zette ik mijn telefoon aan. Marieke had zes keer gebeld. Er stonden drie berichten. Het laatste was kort: Laat weten dat je leeft.
Ik belde haar.
‘Waar ben je?’ vroeg ze.
‘Delfshaven.’
‘Waar heb je geslapen?’
Ik keek naar een man die kratten uit een bestelbus tilde.
‘Buiten.’
Ze bleef even stil.
‘Isa weet het nog niet. Wat mag ik zeggen?’
‘Dat ik tijdelijk ergens anders zit.’
‘Ik ga niet tegen haar liegen, Niels.’
Ik zei dat ik iets zou regelen. Ze bood aan een tas schone kleren klaar te zetten. Binnenkomen en blijven slapen bood ze niet aan. Ik vroeg het niet. We kenden onze grenzen te goed.
Die middag liep ik naar een gemeentelijk loket. Ik had op mijn telefoon gezocht waar ik moest zijn. Bij de balie kreeg ik een ander adres en een nummer. Mijn batterij stond op negen procent. Ik schreef het nummer op de achterkant van het papier van de deurwaarder.
Het was vrijdag. Ik had veel te laat besloten om hulp te vragen.
Aan de telefoon legde iemand uit waar ik me kon melden voor een beoordeling en hoe ik buiten kantooruren contact kon krijgen. Ik hoorde woorden als beschikbaarheid en toegang. Ik vroeg alleen of er vanavond een bed was.
‘Dat kan ik u niet toezeggen.’
Ik hing op voordat ze klaar was.
Dat kostte me nog drie nachten.
Bij Rotterdam Centraal ontmoette ik Mo. Hij zat bij de fietsenstalling en repareerde de sluiting van zijn rugzak met een paperclip. Hij vroeg niet om geld. Hij vroeg of ik een aansteker had.
‘Ik rook niet.’
‘Goedkoopste hobby die er is.’
Hij zag mijn tassen.
‘Eerste week?’
Ik vroeg waaraan hij dat zag.
‘Je sleept een pan mee.’
Voor het eerst sinds de ontruiming moest ik lachen. Kort, tegen mijn zin.
Mo vertelde waar ik overdag kon zitten zonder steeds weggestuurd te worden. In de bibliotheek kon ik mijn telefoon opladen. Bij een inloop kon ik douchen, als ik vroeg genoeg kwam. Hij waarschuwde me om mijn identiteitsbewijs niet bij mijn geld te bewaren.
Ik dacht dat hij overdreef.
Zondagochtend was de kleine rugzak uit mijn sporttas verdwenen. Mijn oplader zat erin. Mijn bankpas. Nog twaalf euro. Ik had mijn identiteitskaart gelukkig in mijn jaszak gestoken, vooral omdat die anders krom boog.
Ik trok alle kleren op de stoep uit mijn tas. Twee keer. Toen liep ik achter een jongen aan die dezelfde zwarte rugzak droeg.
‘Hé! Wacht!’
Hij draaide zich om. Zeventien, misschien. Doodsbang.
Het was mijn tas niet.
Ik mompelde iets en liep weg. In een portiek sloeg ik met mijn vuist tegen de muur. Daarna moest ik kokhalzen. Er kwam niets.
Toen ik Mo terugvond, vroeg hij niet waarom ik niet beter had opgelet.
‘Pas blokkeren,’ zei hij. ‘Eerst dat.’
Ik mocht zijn telefoon gebruiken.
Maandagochtend zat ik ruim voor opening bij de toegang tot de opvang. Mijn knie was dik. Mijn sokken roken zuur. Voor me stond een vrouw met een rolkoffer. Ze hield haar handen strak om het handvat.
Toen ik aan de beurt was, vroeg de medewerker waarmee ze me kon helpen.
Ik begon mijn verhaal over het magazijn.
Ze liet me uitpraten. Daarna vroeg ze: ‘Waar slaapt u vannacht?’
‘Dat weet ik niet.’
Dit keer bleef ik zitten.
Hoofdstuk 3
Bed zeventien
De intake duurde langer dan ik verwachtte. Niet omdat iemand moeilijk deed. Omdat mijn leven niet in de juiste vakjes paste. Wanneer was mijn laatste loon betaald? Had ik inkomen? Schulden? Familie? Kon ik ergens logeren? Was ik in behandeling? Dronk ik?
‘Soms,’ zei ik.
De medewerker keek op.
‘Hoe vaak is soms?’
‘De laatste dagen iedere avond.’
‘Hoeveel?’
‘Drie sterke bieren. Vier.’
Ze schreef het op zonder haar gezicht te veranderen. Daar was ik dankbaar voor. Tegelijk wilde ik weten wat ze precies noteerde.
Mijn contactpersoon heette Lotte van Dijk. Ze had een blauwe trui aan met een losse draad bij de mouw. Terwijl ik sprak, draaide ze die draad om haar vinger.
‘Vandaag zoeken we een veilige slaapplek,’ zei ze. ‘Daarna inkomen, post en zorg. Niet alles tegelijk.’
‘En een huis?’
‘Daar kan ik je nu niets over beloven.’
Ik haatte dat antwoord. Het was wel het eerste antwoord dat ik geloofde.
Die avond kreeg ik een plek in een nachtopvang. Er was ruimte vrijgekomen. Ik moest me aan de huisregels houden en op tijd binnen zijn. Een medewerker controleerde mijn naam en wees me een kastje en bed zeventien.
De zaal rook naar wasmiddel, vochtige schoenen en warme lichamen. Aan het plafond zat een ventilatierooster dat tikte. Het bed naast me was van Gert, een brede man met een bril die met plakband bij elkaar zat.
‘Snurk je?’ vroeg hij.
‘Geen idee.’
‘Dan hoor ik het vanzelf.’
Ik legde mijn schoenen onder mijn bed. Daarna zette ik ze toch in het kastje. Ik controleerde drie keer of het slot dichtzat.
Onder de douche trok ik mijn sokken uit. Aan mijn rechterhiel zat een open plek. Het warme water prikte. Ik bleef langer staan dan nodig was, tot iemand vroeg of ik opschoot.
Die nacht sliep ik vier uur achter elkaar. Toen schreeuwde iemand in zijn slaap. Verderop vloekte een man. Een medewerker kwam de zaal in en sprak zacht. Ik lag met mijn ogen open tot het licht aanging.
Een bed was niet hetzelfde als rust. Dat moest ik nog leren.
Overdag gingen we naar buiten. Ik hing in de bibliotheek boven een krant die ik niet las. Mijn bankpas was geblokkeerd. Mijn nieuwe pas kon niet naar mijn oude adres. Voor een briefadres moest ik stukken aanleveren. Welke stukken waar lagen, wist ik niet.
Lotte maakte een lijst met me. Geen keurige lijst met twintig doelen. Vier regels op een vel papier. Identiteitsbewijs kopiëren. Inkomen controleren. Briefadres aanvragen. Huisarts bellen.
‘Ik ben geen kleuter,’ zei ik.
‘Nee. Je hebt nauwelijks geslapen. Daarom schrijven we het op.’
Ik vouwde het papier op en stopte het in mijn jas.
Bij de huisarts moest ik uitleggen waarom ik twee controles had gemist. Hij bekeek mijn knie en mijn hiel. Er zat geen ernstige infectie, maar doorlopen op die plek was dom. Hij zei niet dat ik rust moest nemen. Hij vroeg waar ik overdag kon zitten.
Dat verschil merkte ik.
Op donderdag kwam Marieke naar de bibliotheek. Ze droeg een boodschappentas met ondergoed, twee truien en mijn oude scheerapparaat. We zaten bij het raam, tussen studenten met laptops.
‘Isa wil je zien,’ zei ze.
‘Nu niet.’
‘Ze denkt dat ze iets verkeerd heeft gedaan.’
‘Waarom zou ze dat denken?’
‘Omdat je haar niet belt.’
Ik keek naar mijn handen. Mijn knokkels waren nog open van de muur.
‘Zaterdag,’ zei ik. ‘Een uurtje. Ergens buiten.’
We spraken af in het park bij de Euromast. Marieke zou in de buurt blijven. Ik vond dat vernederend, maar ik had geen recht om haar voorzichtigheid weg te praten.
Die avond verdween Gerts tabak. Hij wees naar mij.
‘Jij lag hier vanmiddag.’
‘Ik was niet eens binnen.’
Hij kwam vlak voor me staan. Ik voelde zijn adem. Mijn vingers knepen om de rand van mijn kastje.
Een medewerker stapte ertussen. We moesten allebei afstand nemen. Later bleek de tabak in Gerts jas te zitten. Hij zei geen sorry. Hij legde een mandarijn op mijn bed.
Ik wilde hem teruggooien.
In plaats daarvan ging ik naar de gang en belde Lotte haar voicemail.
‘Ik wil hier weg,’ zei ik. ‘Maar ik ga niet. Bel me morgen.’
Daarna at ik de mandarijn. Ik had nog steeds honger.
Hoofdstuk 4
Twee uur werk
Isa had haar haar korter geknipt. Dat was het eerste wat ik zag toen ze zaterdag naar me toe liep. Daarna zag ik dat ze me niet meteen wilde omhelzen. Ik hield mijn handen in mijn zakken.
‘Hoi, pap.’
‘Hé, meis.’
We liepen naar een bankje. Marieke bleef op een ander pad staan en keek op haar telefoon. Ik had twee flesjes appelsap gekocht. Isa lustte al jaren liever water. Ze nam het flesje toch aan.
‘Mama zegt dat je in een opvang slaapt.’
‘Dat klopt.’
‘Met veel mensen?’
‘Ja.’
‘Worden je spullen daar gestolen?’
‘Ik heb een kastje met een slot.’
Ze draaide de dop van haar flesje los en weer vast.
‘Waarom heb je niks gezegd?’
Ik had antwoorden voorbereid. Over volwassenen en geldzorgen. Over haar niet belasten. Nu ze naast me zat, klonken die antwoorden laf.
‘Ik schaamde me. En ik dacht steeds dat ik het nog kon oplossen.’
‘Maar je loste het niet op.’
‘Nee.’
We keken naar een hond die een tak uit een plas trok. Daarna vertelde ze over school. Ik onderbrak haar niet. Toen ons uur voorbij was, vroeg ik of ik haar woensdag mocht bellen.
‘Wel echt,’ zei ze.
Ik zette het tijdstip in mijn telefoon terwijl ze erbij stond.
De weken daarna bestonden uit afspraken. Ik kreeg een briefadres na de beoordeling van mijn aanvraag. Mijn inkomen werd uitgezocht en uiteindelijk rechtgetrokken. Ik hoefde niet meer iedere boodschap af te wegen tegen een busrit. Toch bleef ik kassabonnen controleren alsof er elk moment iets verkeerd kon gaan.
Bij de schuldhulpverlening zat ik tegenover Farid. Hij vroeg of we mijn schulden op een rij konden zetten. Ik haalde een plastic map uit mijn tas. De broodtrommel was uit de opslag gekomen, samen met een doos papieren. Lotte had me geholpen dat te regelen.
We maakten drie stapels. Bekend. Onduidelijk. Dubbel.
Er zat een rekening tussen waarvan ik zeker wist dat ik hem betaald had. Dat bleek niet zo te zijn. Er zat ook een incassobrief tussen met kosten die Farid wilde laten controleren.
‘Je hoeft niet alles klakkeloos te slikken,’ zei hij. ‘Maar we moeten wel alles weten.’
Ik vertelde hem over mijn broer. Nog achthonderd euro. Geen officiële brief, wel een schuld.
Farid schreef het erbij.
Na zes weken kon ik naar een kleinschaligere opvangplek met een eigen kamer. De muren waren dun. De keuken deelde ik met vier anderen. Toch kon ik er mijn deur sluiten. De eerste middag deed ik dat zeven keer. Open, dicht, op slot. Ik wilde voelen of het echt werkte.
Via een trajectbegeleider kwam ik bij een fietsenwerkplaats in Rotterdam-Zuid. Geen baan, nog niet. Eerst twee ochtenden meedraaien. Uitzoeken wat mijn knie aankon en of ik afspraken kon vasthouden. Alles werd afgestemd met de mensen die over mijn inkomen gingen.
De chef heette Kees. Hij zette een kinderfiets op een standaard.
‘Achterband,’ zei hij. ‘Gereedschap hangt daar.’
‘Ik heb in een magazijn gewerkt.’
‘Dan kun je vast een pomp vinden.’
Hij keek niet mee over mijn schouder. Ik kreeg de band los, controleerde de binnenkant en vond een klein stukje glas. Het zat diep in het rubber. Als ik het had laten zitten, was de nieuwe binnenband meteen weer lek gegaan.
Kees knikte toen ik het liet zien.
‘Mooi. Koffie?’
Na twee uur deed mijn knie pijn. Ik wilde blijven tot de middag. Bewijzen dat ik niet moeilijk was. Kees zag hoe ik op één been leunde.
‘Morgen heeft die knie ook een dienst,’ zei hij. ‘Klaar voor vandaag.’
In de tram terug voelde ik voor het eerst in maanden gewone vermoeidheid. Niet de uitputting van slecht slapen of nergens willen zijn. Ik had iets gedaan dat af was.
Woensdag belde ik Isa om zeven uur. Ze nam pas bij de derde keer overgaan op.
‘Je bent op tijd,’ zei ze.
‘Ja.’
Ze vertelde over een toets. Ik vertelde over het stukje glas. Geen groot verhaal. Twaalf minuten duurde ons gesprek.
Daarna zette ik mijn werkschoenen naast de deur. Niet in mijn tas. Ik zou ze vrijdag weer nodig hebben.
Hoofdstuk 5
De gemiste ochtend
Na drie maanden kende ik het geluid van iedere deur in de opvangwoning. De buitendeur viel hard dicht. Het slot van kamer twee schraapte. Mijn eigen deur bleef bij vochtig weer tegen de vloer hangen. Ik sliep beter, maar nog steeds licht.
Ik werkte inmiddels drie korte ochtenden bij Kees. Hij wilde kijken of er later betaald werk mogelijk was. Geen toezegging. Hij zei dat er meteen bij. Ik hoorde vooral het woord betaald.
Toen kwam de brief over mijn schuldenoverzicht.
Ruim negentienduizend euro. Huur, kosten, oude leningen, zorgpremie. Ik had bedragen gezien en parafen gezet. Toch kwam het totaal binnen alsof iemand het voor mijn ogen had verzonnen.
Diezelfde middag vertelde een huisgenoot dat hij een woning aangeboden had gekregen. Hij was twee maanden later ingestroomd dan ik.
‘Goed voor je,’ zei ik.
Ik meende het niet.
Lotte legde uit dat routes verschilden. Andere begeleiding, andere afspraken, een andere woning die passend was. Ze kon me niet vertellen wanneer ik aan de beurt zou zijn.
‘Dus als ik alles goed doe, kan ik hier alsnog blijven hangen?’
‘Het duurt langer dan jij wilt. Dat klopt.’
‘Zeg dan gewoon dat dit nergens heen gaat.’
‘Dat zeg ik niet, omdat het niet waar is.’
Ik liep weg voordat het gesprek klaar was.
Op de Beijerlandselaan kocht ik vier blikjes sterk bier. Ik had weken niet gedronken. Daar maakte ik iets positiefs van: ik kon dus best een keer drinken. Het eerste blik trok ik open achter een elektriciteitshuisje. Het was nog geen vier uur.
Om zes uur had ik nieuwe gehaald.
Ik miste het eten. Ik miste een bericht van Isa. Tegen middernacht stond ik voor de opvangdeur en kreeg mijn sleutel niet goed in het slot. De nachtdienst rook de alcohol meteen.
‘Niels, eerst even zitten.’
‘Ik wil naar mijn kamer.’
‘Dat gaan we regelen. Eerst rustig.’
Ik schold hem uit. Niet één woord. Een hele reeks. Hij bleef op afstand staan en riep zijn collega erbij. Ze beoordeelden of ik veilig naar boven kon. Ik moest mijn ongeopende blikken inleveren en de volgende ochtend in gesprek komen.
Ik weet nog dat ik zei dat niemand mijn vader was. Dat soort zinnen klinkt vooral treurig als je ze later terughoort.
De volgende ochtend werd ik om kwart over tien wakker. Mijn telefoon lag onder het bed. Kees had gebeld. De begeleider had geklopt. Ik had overal doorheen geslapen.
Ik meldde me ziek bij de werkplaats.
‘Ben je ziek?’ vroeg Kees.
‘Ja.’
Hij zei niets.
‘Ik heb gedronken,’ zei ik toen.
‘Dat is een ander gesprek. Kom morgen om tien uur. Nuchter.’
Beneden zat Lotte al te wachten met de medewerker die ik had uitgescholden. Hij heette Dennis. Dat wist ik, maar ik had hem in mijn hoofd altijd de nachtdienst genoemd. Dat maakte mijn gedrag niet beter.
‘Sorry,’ zei ik.
‘Waarvoor?’ vroeg hij.
Ik keek hem aan.
‘Voor het schelden. Jij deed je werk. Ik maakte het onveilig.’
Hij knikte. Hij zei niet dat het niets uitmaakte.
We bespraken de regels en wat er moest gebeuren als ik weer zo binnenkwam. De opvangplek was niet onbeperkt bestand tegen mijn gedrag. Tegelijk werd ik niet na één slechte avond buitengezet. Er kwam een duidelijk plan. Bij trek in drank kon ik eerder iemand bellen. Ik kreeg een afspraak om mijn alcoholgebruik te bespreken met een behandelaar.
Ik wilde zeggen dat ik geen alcoholist was.
Lotte was me voor.
‘We hoeven vandaag geen etiket te kiezen. Het drinken kost je wel dingen.’
Bij Kees verloor ik tijdelijk een ochtend. Eerst weer twee keer komen en op tijd zijn. Hij had iemand anders mijn werk moeten laten overnemen.
‘Ik ben geen opvang,’ zei hij. ‘Ik moet op je kunnen rekenen.’
‘Ik weet het.’
‘Laat het dan zien.’
Die avond belde ik Isa. Ik zei dat ik haar bericht had gemist omdat ik had gedronken. Niet omdat mijn telefoon kapot was. Niet omdat ik sliep na een drukke dag.
‘Ga je dat nu weer doen?’ vroeg ze.
‘Ik ga hulp gebruiken om dat te voorkomen.’
‘Dat bedoel ik niet.’
Ik kneep mijn ogen dicht.
‘Ik kan je geen perfecte belofte geven. Wel dat ik het niet voor je ga verstoppen.’
Ze vond dat antwoord niet mooi. Ik ook niet. We bleven toch aan de lijn.
Hoofdstuk 6
De bezichtiging
Het duurde elf maanden vanaf de ontruiming voordat ik een woning kon bezichtigen. In die maanden gebeurde er veel dat niemand op een foto zou zetten. Ik verscheen op afspraken. Ik leverde ontbrekende stukken aan. Ik ging terug als ik bij het verkeerde loket stond. Ik maakte mijn keukenbeurt af, ook als iemand daarna weer kruimels liet liggen.
Het schuldhulptraject kreeg eindelijk vorm. Niet alle schuldeisers reageerden snel. Farid hield bij wie nog moest antwoorden. Ik leerde zijn berichten dezelfde dag te openen, ook als er boven stond dat er iets ontbrak.
Mijn broer en ik hadden weer contact. Hij wilde zijn geld terug. Dat kon niet buiten de schuldregeling om worden opgelost alsof de andere schuldeisers niet bestonden. Hij vond dat moeilijk te accepteren. We dronken koffie bij hem in de keuken en praatten er zonder geschreeuw over. Dat was voorlopig genoeg.
Bij Kees kreeg ik een klein betaald contract, passend bij wat ik aankon. We gaven de inkomsten door. Er werd opnieuw gerekend. Mijn inkomen sprong niet ineens omhoog, maar ik kreeg loonstroken. Ik bewaarde ze in een map met tabbladen.
Lotte lachte toen ze die zag.
‘Niet te vroeg juichen,’ zei ik. ‘Er zit nog rommel achterin.’
In augustus belde ze over een appartement in IJsselmonde. Het ging om een begeleide uitstroomroute, met afspraken over ondersteuning thuis. Mijn situatie moest passen bij de woning en de voorwaarden. De bezichtiging was nog geen definitieve toewijzing.
Ik vroeg drie keer of ik dat goed begreep.
‘Je mag gaan kijken,’ zei ze. ‘Meer weten we vandaag niet.’
De afspraak was op dinsdag om halfelf. Ik was om kwart voor tien in de straat. Een portiek met gele bakstenen. Beneden stonden twee kinderfietsen. Op de tweede verdieping hing een laken voor een raam.
Mijn woning, dacht ik.
Meteen verbeterde ik mezelf. De woning.
De medewerker van de corporatie heette Anita. Ze droeg platte schoenen en had een bos sleutels aan een rood koord. Lotte kwam naast me staan toen Anita het portiek opende.
Het appartement lag op de eerste verdieping. Geen lift. Eén trap moest lukken met mijn knie. Binnen was het stil. De woonkamer had een brede vensterbank. De keuken was smal. In de badkamer zat een bruine kalkrand langs de kraan.
Ik vond alles prachtig en vertrouwde dat gevoel niet.
‘Er is geen vloerbedekking,’ zei Anita. ‘Dat moet u zelf regelen. We bespreken zo wat wel en niet wordt overgenomen.’
Ik keek naar het kale beton.
‘En die vlek?’
Bij het keukenraam zat een donkere plek.
Anita maakte een foto. Ze zou laten controleren wat de oorzaak was en wat eraan moest gebeuren. Lotte vroeg wanneer ik daar uitsluitsel over kreeg. Ik was blij dat zij het vroeg. Zelf durfde ik nauwelijks lastig te zijn.
In de slaapkamer liep ik van de deur naar het raam. Vier stappen. Terug, vier stappen. Er paste een bed. Misschien een kleine kast. Voor Isa was er geen tweede slaapkamer. Logeren zou voorlopig alleen kunnen als we daar samen een werkbare oplossing voor vonden.
Ik had me groter voorgesteld hoe opnieuw beginnen eruitzag. Meer kamers. Meer afstand van alles wat mis was gegaan.
Toen hoorde ik beneden iemand lachen. Een pannendeksel viel. Verder niets.
‘Ik wil het graag,’ zei ik.
Daarna begon het wachten opnieuw.
Er ontbrak een recente inkomensspecificatie. Mijn oude verhuurder moest informatie aanleveren. De corporatie wilde duidelijkheid over de huurachterstand en het begeleidingstraject. Ik kende de redenen. Toch voelde iedere vraag als iemand die een afwijzing voorbereidde.
Op vrijdag belde ik Lotte vier keer. Bij de vierde keer nam ze op.
‘Ik heb nog geen nieuws, Niels.’
‘Je zou bellen.’
‘Zodra ik iets wist.’
Ik wilde boos worden. Ik zat al rechtop op mijn bed, klaar om haar te vertellen dat niemand begreep wat dit met me deed.
In plaats daarvan zei ik: ‘Ik slaap hier slecht van.’
‘Dat geloof ik. Wat ga je vanmiddag doen?’
Ik ging naar de werkplaats. Niet werken. Alleen mijn gereedschapskist schoonmaken, met toestemming van Kees. Daarna liep ik een stuk en at ik op tijd. Het wachten werd er niet korter door. Ik maakte het alleen niet erger.
Dinsdag kwam het bericht. De toewijzing was akkoord, met begeleiding en de afgesproken voorwaarden. De vochtplek werd aangepakt. Er kon een datum voor het tekenen worden gepland.
Ik zat op de rand van mijn bed en las de mail hardop.
Gert woonde daar allang niet meer. Toch dacht ik aan zijn mandarijn.
Toen belde ik Isa.
Hoofdstuk 7
Mijn eigen slot
Op de ochtend van de sleuteloverdracht werd ik om vijf uur wakker. Mijn spullen stonden klaar in twee tassen en drie kartonnen dozen. Meer had ik niet nodig. Meer had ik grotendeels ook niet meer. Een deel van de meubels uit mijn oude woning was uiteindelijk afgevoerd.
De pan had ik nog wel.
Dennis hielp de dozen naar beneden dragen. Hij hield de onderste tegen zijn buik en keek naar mijn naam op de zijkant.
‘Alles mee?’
Ik keek terug naar het portiek van de opvang.
‘Volgens mij.’
‘Controleer straks je kast nog. Anders hebben wij weer een oplader over.’
We gaven elkaar een hand. Geen speech. Ik had hem gisteren al bedankt, toen we samen de administratie voor mijn vertrek naliepen.
Mijn broer kwam met een gehuurd busje. Hij had zelf aangeboden te helpen. Toen hij uitstapte, wees hij naar de dozen.
‘Daarvoor heb ik dus een bus gehaald.’
‘Er komt nog een bed bij.’
‘Gelukkig. Anders voel ik me overdreven.’
Bij het kantoor van de corporatie liep Anita de papieren met me door. De huur. De ingangsdatum. De afspraken. Ik las langzaam. Vroeger zette ik snel een handtekening om niet dom te lijken. Nu vroeg ik wat een bepaling betekende en liet ik haar wachten terwijl ik de bedragen controleerde.
Daarna schoof ze de sleutels over tafel.
Drie stuks. Een voor het portiek, twee voor de woning.
Ik pakte ze op. Ze waren warm van haar hand.
In het appartement zette mijn broer de eerste doos midden in de woonkamer. Ik liep meteen naar de keuken. De plek bij het raam was hersteld. De kraan lekte niet. Ik trok het toilet door en keek naar het water dat weer steeg.
‘Inspecteur,’ zei mijn broer vanuit de gang. ‘Kom je dit bed vasthouden?’
Het bed kwam van een kringloop. Een matras had ik met hulp uit een fonds nieuw kunnen kopen. Ook de eerste huur en noodzakelijke inrichting waren vooraf uitgezocht. Niet alles was betaald door anderen. Ik had gespaard, bijdragen aangevraagd en keuzes gemaakt. Gordijnen gingen voor een televisie. Een koelkast voor een bank.
Aan het einde van de middag stond er een tafel met twee verschillende stoelen. De vloer was eenvoudig vinyl. In de slaapkamer hing tijdelijk een deken voor het raam.
Mijn broer ging om vijf uur weg.
‘Bel als er iets is,’ zei hij.
Ik keek hem aan.
‘Ook als ik geen geld nodig heb?’
‘Vooral dan.’
De stilte na zijn vertrek viel tegen. Ik had er maanden naar verlangd. Nu hoorde ik de koelkast aanslaan en dacht ik dat iemand de voordeur opende. Ik ging kijken. Daarna nog een keer.
Ik at soep uit mijn oude pan. Vervolgens bleef ik op mijn stoel zitten tot het donker werd. Niemand zei dat het licht uit moest. Niemand liep langs mijn deur. Ik wist niet goed wat ik met die vrijheid moest.
Lotte kwam de volgende ochtend. We maakten afspraken over haar huisbezoeken, de post en mijn betalingen. De huur zou automatisch worden afgeschreven. Toch zou ik iedere maand controleren of dat gebeurd was.
‘Wat wordt het lastigst?’ vroeg ze.
‘Hier blijven als ik me slecht voel.’
‘Wat bedoel je?’
‘Niet verdwijnen. Geen brieven laten liggen. Niet doen alsof ik onbereikbaar ben omdat mijn telefoon leeg is.’
We schreven op wie ik kon bellen. Haar nummer stond bovenaan, maar niet alleen dat van haar. Mijn broer. De behandelaar. De begeleiding die buiten haar werktijden bereikbaar was.
Isa kwam op zaterdag. Ze inspecteerde eerst het balkon en daarna de koelkast.
‘Je hebt bijna niks.’
‘Ik wist niet wat je wilde eten.’
‘Je had het kunnen vragen.’
We liepen samen naar de supermarkt. Ze koos pasta en tomaten. Bij de kassa liet ik haar zien wat er nog binnen mijn boodschappenbudget paste. Zonder haar verantwoordelijk te maken. Gewoon zodat ik niet weer geheimzinnig deed over geld.
Terug hing ze de oude foto met de ontbrekende voortanden op de koelkast.
‘Er moet wel een nieuwe naast,’ zei ze.
Het is nu vier maanden later. Mijn schulden zijn niet weg. Mijn knie doet pijn als ik te lang sta. Ik werk zestien uur per week. Sommige nachten controleer ik nog steeds het slot.
Vorige week lag er een brief die ik niet wilde openen. Ik schoof hem onder een tijdschrift. Een uur later haalde ik hem terug. Het was een herberekening, geen ramp. Toch belde ik Farid om hem samen door te nemen.
Daar ben ik nu. Niet klaar. Wel bereikbaar.
Vanmorgen vertrok ik naar de werkplaats. Op de stoep voelde ik aan mijn jaszak. Telefoon. Portemonnee. Sleutels.
Ik hoefde niet te bedenken waar ik vanavond zou slapen.
Ik moest alleen zorgen dat ik na het werk nog brood haalde.