Werk en maatschappij
Van kantoor naar de boerderij
Hoofdstuk 1
De lift
De lift bleef tussen de derde en vierde verdieping staan. Ik drukte op vier. Nog eens. Achter mijn ribben begon iets te bonken dat niet meer ophield.
‘Hij doet dit vaker,’ zei de jongen naast me.
Hij droeg een doos met beeldschermen. Ik kende zijn gezicht, niet zijn naam. Op kantoor kende ik vooral functies. Verkoop. Administratie. Tijdelijke kracht.
‘Gaat het?’ vroeg hij.
Ik wilde ja zeggen. Er kwam geen geluid.
Mijn naam is Nora van Dijk. Ik was negenendertig en werkte als transportplanner bij Rijnland Distributie in Utrecht. Zestien jaar lang had ik vrachtwagens door Nederland gestuurd. Ik wist welke chauffeur je om vijf uur kon bellen. Welke klant loog over zijn lostijden. Waar je op vrijdag nooit langs moest rijden.
In die lift wist ik niet meer hoe ademhalen werkte.
De deuren gingen open. Ik liep naar de toiletten, sloot mezelf op en ging op de vloer zitten. Mijn broek raakte een natte plek. Het kon me niets schelen.
Mijn telefoon trilde.
Bas: Waar blijf je? Klant wacht.
Nog een bericht.
Bas: Nora?
Ik belde mijn zus Eva.
‘Ik denk dat ik doodga.’
Ze vroeg waar ik was. Daarna bleef ze praten. Over de straat buiten. Over haar fiets. Over de deur die ik van het slot moest halen.
Twintig minuten later zat ze naast me. Ze werkte twee wijken verderop, bij een tandarts. Haar witte werkschoenen stonden op de toiletvloer.
‘We gaan naar de huisarts,’ zei ze.
‘Ik heb een overleg.’
Ze keek me aan. Niet boos. Dat was erger.
Mijn huisarts onderzocht me en stelde vragen. Over slapen. Eten. Druk op mijn borst. Hoe lang ik al huilde onderweg naar huis.
‘Niet iedere dag,’ zei ik.
‘Hoe vaak wel?’
Ik keek naar het model van een knie op zijn bureau.
Die avond meldde ik me ziek. Bas nam meteen op.
‘Morgen ook?’
‘Dat weet ik niet.’
‘We zitten met de nieuwe klant.’
Ik hoorde mezelf sorry zeggen.
Na het gesprek bleef ik aan de keukentafel zitten. Mijn jas was nog dicht. In de gootsteen stond een pan met rijst van twee dagen eerder. Ik woonde alleen in een huurappartement in Nieuwegein. Niemand had gezien hoe klein mijn leven was geworden.
Werken. Boodschappen bestellen. Slapen proberen. Op zondag alvast bang zijn voor maandag.
Het was niet begonnen met één ramp. Twee collega’s waren vertrokken. Hun werk was verdeeld. Daarna kwam nieuwe planningssoftware. Daarna een klant die dagelijks wijzigingen stuurde. Bas noemde het tijdelijk.
Tijdelijk duurde inmiddels veertien maanden.
Ik had zelf ook geholpen. Ik nam mijn laptop mee naar huis. Ik antwoordde tijdens het eten. Als een collega zei dat iets niet kon, deed ik het alsnog. Ik vond mezelf betrouwbaar.
Nu kon ik geen boterham smeren zonder halverwege te vergeten wat ik deed.
De volgende ochtend ging om zes uur mijn wekker. Ik stond op, douchte en trok mijn werkbroek aan. Pas bij de voordeur herinnerde ik me dat ik ziek was.
Ik ging op de onderste traptrede zitten.
Om acht uur belde Bas. Ik nam niet op. Om kwart over acht belde personeelszaken. Die nam ik wel op. De vrouw sprak vriendelijk en snel. Er kwam een afspraak met de bedrijfsarts. Ik hoefde niet uit te leggen wat mijn huisarts had gezegd. We zouden contact houden.
Toen ze ophing, had ik nauwelijks iets onthouden.
Eva kwam die avond met soep. Ze legde mijn telefoon in een la.
‘Even niet,’ zei ze.
‘Ze hebben me nodig.’
‘Jij hebt eten nodig.’
Ik werd kwaad. Ze begreep mijn werk niet. Ze begreep niet wat er gebeurde als een vrachtwagen op de verkeerde plek stond.
‘Vertel het dan,’ zei ze.
Ik begon over een levering in Venlo. Over tijdsloten en boetes. Halverwege stopte ik. Ik kon niet meer op de naam van een vaste chauffeur komen.
Daar schrok ik meer van dan van de lift.
Die nacht sliep ik twee uur. Daarna lag ik stil en luisterde naar een scooter buiten. Om vier uur pakte ik mijn telefoon uit de la. Er stonden achttien nieuwe werkmails.
Ik opende de eerste.
Eva had op een briefje naast de waterkoker geschreven: Je hoeft vandaag niets op te lossen.
Ik las het drie keer. Toen zette ik mijn telefoon uit.
Hoofdstuk 2
Dagen zonder rooster
Na zes weken wist ik hoe laat de buurman zijn vuilnis buiten zette. Ik wist wanneer de post kwam. Verder wist ik weinig.
De bedrijfsarts sprak over ernstige overspanningsklachten. Later gebruikte mijn behandelaar het woord burn-out. Het woord gaf even opluchting. Er was iets aan de hand. Ik was niet zomaar lui geworden.
Daarna bleef dezelfde ochtend over. Dezelfde afwas. Hetzelfde hoofd dat bij een simpele vraag vastliep.
Tijdens het eerste gesprek met de bedrijfsarts zat ik op mijn handen.
‘Wanneer kan ik weer beginnen?’ vroeg ik.
‘Eerst wil ik weten wat u nu aankunt.’
‘Ik kan werken.’
‘U bent hier met uw zus gekomen omdat u niet zelf durfde te rijden.’
Ik keek naar het raam.
Hij adviseerde rust, behandeling en een voorspelbaar contactmoment met mijn werkgever. Geen losse telefoontjes over spoedklussen. Bas zou iedere donderdag bellen.
Op woensdag sliep ik daardoor nog slechter.
Mijn behandelaar, Samira, vroeg wat ik merkte voordat het misging.
‘Dat ik harder moest werken.’
‘Dat is wat je deed. Wat merkte je?’
Ik vond haar soms irritant. Ze liet stiltes vallen waarin ik niet kon ontsnappen naar een planning of een grap.
Ik vertelde over hoofdpijn. Over broodjes eten boven mijn toetsenbord. Over het moment waarop ik bij een rood stoplicht niet meer wist waar ik naartoe reed.
‘Waarom heb je toen niets gezegd?’
‘Omdat iedereen moe was.’
Dat klonk logisch. Tot ik het hardop hoorde.
Mijn wereld werd klein. In de supermarkt waren de piepjes van de kassa te hard. Als iemand achter me zuchtte omdat ik langzaam inpakte, wilde ik mijn boodschappen laten staan. Soms deed ik dat ook.
Een buurvrouw vroeg op de galerij of ik vakantie had.
‘Ziek,’ zei ik.
‘Maar je ziet er goed uit.’
Ik glimlachte. Binnen trok ik de gordijnen dicht.
In maart, bijna vier maanden na de lift, nam Eva me mee naar Bunnik. Ze kocht daar eieren op een boerderij. Ik ging alleen mee omdat ze beloofde dat we nergens koffie hoefden te drinken.
Het erf lag aan een smalle weg buiten het dorp. Er stond een lage stal, een woonhuis en een schuur met een scheve schuifdeur. Op een bord stond: De Lage Weide.
Een vrouw in een blauwe overall kwam uit de stal.
‘Twaalf?’ vroeg ze aan Eva.
‘Twintig. Mijn kinderen groeien op eieren.’
De vrouw lachte. Ze heette Marieke Vermeer. Onder haar nagels zat zwart vuil. Haar telefoon ging terwijl ze de eieren telde. Ze keek op het scherm en drukte hem weg.
‘Kan wachten.’
Ik keek naar haar hand. Zo eenvoudig kon die beweging dus zijn.
Een kalf riep vanuit de stal. Ik draaide mijn hoofd.
‘Wil je kijken?’ vroeg Marieke.
‘Ze hoeft niets,’ zei Eva meteen.
‘Dat vroeg ik ook niet.’
Ik liep achter Marieke aan.
Binnen rook het naar stro, melk en mest. Het was geen nette kinderboerderij. Er lagen slangen op de grond. Een ventilator ratelde. Verderop sloeg een koe met haar staart tegen een hek.
Het kalf stond alleen in een hok met dik stro. Er hing een kaartje aan het hek: 184.
‘Geen naam?’ vroeg ik.
‘Mijn dochter noemt haar meestal Disco. Maar op de registratie heet ze anders.’
Het dier duwde zijn natte neus tegen mijn vingers.
Voor het eerst die dag dacht ik niet aan mijn hartslag.
Mariekes man kwam binnen met een kapotte drinkbak. Henk. Hij knikte en begon meteen over een leverancier die niet kwam.
‘Morgen,’ zei Marieke.
‘Dat zei hij gisteren ook.’
Ze praatten verder terwijl ik bij het kalf bleef staan. Dit was ook werk. Er ging iets kapot. Iemand kwam zijn afspraak niet na. Toch voelde ik geen telefoon in mijn hand, geen scherm voor mijn gezicht.
Toen we weggingen, vroeg Marieke of ik nog eens terugkwam.
‘Misschien.’
‘Donderdag is het rustig. Rond tien uur.’
In de auto zei Eva niets. Daar was ik haar dankbaar voor.
Thuis rook mijn mouw nog naar de stal. Ik hield hem even bij mijn neus. Daarna voelde ik me belachelijk.
Donderdag trok ik dezelfde jas aan.
Hoofdstuk 3
Twee uur
De eerste keer kwam ik te vroeg. Om kwart voor tien stond ik voor het erf. Ik wachtte in de auto tot precies tien uur.
Marieke zag me uitstappen.
‘Je had best binnen mogen komen.’
‘Ik wilde niet storen.’
Ze wees naar een stapel emmers.
‘Koffie of eerst kijken?’
‘Kan ik iets doen?’
Daar was ik weer. Nog geen minuut binnen en ik probeerde mijn aanwezigheid te verdienen.
Marieke gaf me geen emmer. Ze schonk koffie in een mok met een afgebroken oor. We zaten in een kleine kantine naast de melkruimte. Op het prikbord hingen roosters, een dierenartsrekening en een foto van een meisje op een pony.
‘Lotte,’ zei ze toen ze mijn blik zag. ‘Zeventien. Wil later iets doen waarbij ze in het weekend vrij is.’
Ik vertelde over mijn werk. Niet alles. Alleen de versie die ik inmiddels kon uitspreken zonder te huilen.
‘En nu wil je op een boerderij werken?’ vroeg ze.
‘Nee. Ik wil even ergens zijn.’
Ze knikte.
De weken daarna kwam ik soms langs. Ik keek naar de kalveren. Ik liep over het erf. Eén keer zat ik na tien minuten alweer in de auto omdat een machine te veel lawaai maakte.
Marieke zwaaide toen alleen. Ze vroeg niet of ik het toch wilde proberen.
Thuis wilde ik voortdurend bewijzen dat het beter ging. Hier mocht ik blijkbaar ook weer vertrekken.
Na een paar maanden vroeg ik de bedrijfsarts of ik voorzichtig iets op de boerderij kon doen. Inmiddels probeerde ik korte bezoeken aan kantoor. Die liepen slecht. Alleen het geluid van onze telefoons maakte me misselijk.
Hij vond een afgebakende proef het bespreken waard. Met duidelijke afspraken. Geen stiekeme tweede baan. Geen vervanging van de afspraken met mijn werkgever.
Er kwamen gesprekken. Formulieren. Een plan met taken, begeleiding en verzekering. Personeelszaken wilde weten wat het doel was. Ik schreef: belastbaarheid opbouwen in een andere werkomgeving.
Wat ik bedoelde was: ontdekken of ik nog ergens bruikbaar ben.
We begonnen met twee uur op dinsdagochtend. Van tien tot twaalf. Niet melken. Geen machines. Geen grote dieren verplaatsen. Eerst lege voerbakken schoonmaken en materialen klaarzetten, onder begeleiding.
De eerste dinsdag kocht ik onderweg zelf werkhandschoenen. Alsof ik daarmee minder ziek zou lijken.
Marieke hing een keukenwekker aan een haak.
‘Kwart voor twaalf ruimen we op.’
‘Dat kan ik zelf wel bijhouden.’
‘Mooi. Dan zijn we met twee.’
Ik werkte naast Jamal, een vaste medewerker van vierentwintig. Hij had een agrarische opleiding gedaan en kende iedere leiding in de stal. Ik vroeg of hij van het buitenleven hield.
Hij keek naar de regen achter het open hek.
‘Vandaag niet bijzonder.’
Daarna legde hij uit welk schoonmaakmiddel ik moest gebruiken. Hij liet me het etiket lezen en wees naar de veiligheidsbril.
‘Niet combineren met die andere fles. Ook niet als het sneller lijkt.’
Ik voelde me een stagiair. Mijn oude functie gaf hier geen voorsprong. Ik wist niet hoe je een slang ophing zonder dat hij bleef nadruppelen. Ik wist niet dat een kalf ook van achteren hard kon trappen.
Om elf uur trilden mijn handen. Ik deed alsof ik een emmer controleerde.
Jamal zag het.
‘Pauze?’
‘Straks.’
‘Je hoeft mij niet bij te houden.’
Ik ging zitten. Buiten reed een vrachtwagen achteruit het erf op. Automatisch keek ik naar de tijd en bedacht ik of de chauffeur zijn volgende adres nog zou halen.
Toen besefte ik dat niemand dat aan mij vroeg.
Om twaalf uur stopte ik. De helft van de bakken was nog vuil.
In de auto huilde ik. Niet van geluk. Ik was boos dat twee uur me zo had uitgeput.
Thuis sliep ik tot half vier. Het avondeten werd een boterham. De volgende ochtend had ik spierpijn in mijn schouders en schaamte in mijn buik.
Donderdag belde Bas.
‘Dus op een boerderij lukt het wel?’
Ik kneep mijn telefoon vast.
‘Twee uur,’ zei ik. ‘Met pauzes.’
Er viel een stilte.
Vroeger zou ik die hebben opgevuld met beloften. Nu wachtte ik tot hij zelf weer begon.
Hoofdstuk 4
Het open hek
In augustus werkte ik twee ochtenden per week op De Lage Weide. Drie uur per keer. Ik kon voerbakken schoonmaken, stro aanvullen en bestellingen voor de eierkast klaarzetten. Daarna was ik klaar. Meestal hield ik me daaraan.
Marieke zei dat ik nauwkeurig werkte. Ik bewaarde die zin alsof het geld was.
Juist daardoor ging het mis.
Op een donderdag was Jamal naar de tandarts. Henk stond achter in het land bij een monteur. Marieke had een koe apart gezet voor de dierenarts. Het was warm. Vliegen plakten tegen het raam van de kantine.
Mijn wekker ging om kwart voor twaalf.
Ik zag drie lege kratten naast de schuur. Die kon ik nog even wegzetten. Daarna zag ik stro op het pad. Dat kon ik ook opruimen.
Marieke riep vanuit de stal of ik vertrok.
‘Zo!’
Ik trok een volle kruiwagen richting mestplaat. Daarvoor moest ik door een hek. Ik schoof de grendel terug, duwde het hek open en zette de kruiwagen erdoor.
Mijn telefoon trilde in mijn borstzak.
Bas.
Ik keek op het scherm. Alleen maar kijken. Toch liet ik het hek los.
Achter me klonk geschuif.
Toen ik omdraaide, stonden twee pinken in de doorgang. Jonge runderen. Zwaarder dan ik dacht. Eén duwde langs het hek. De andere volgde.
‘Nee,’ zei ik.
Alsof dat een bruikbaar commando was.
Ze liepen het erf op, richting de open inrit. Verderop kwam een bestelbus over de weg.
Ik begon te rennen.
‘Stop!’ schreeuwde Marieke.
Ik verstijfde midden op het erf.
‘Niet erachteraan. Ga achter dat hek staan!’
Haar stem was hard. Zonder ruimte voor overleg.
Ze pakte haar telefoon en riep Henk. Daarna liep ze in een boog naar de inrit. Niet snel. Haar armen iets opzij. Ik stond achter het hek bij de eierkast en zag hoe een van de dieren haar hoofd optilde.
De bestelbus remde.
Henk kwam vanaf het land aanlopen. Samen kregen ze de pinken terug naar het afgezette deel van het erf. Het duurde misschien vier minuten. In mijn hoofd was de middag al geëindigd met een ongeluk, een ambulance en mijn naam op een schadeformulier.
Toen het hek dichtzat, begon ik te praten.
‘Ik wilde alleen die kruiwagen, en toen belde—’
‘Eerst zitten,’ zei Marieke.
‘Het spijt me.’
‘Zitten.’
In de kantine schoof ze een glas water naar me toe. Haar hand trilde ook.
Dat maakte het erger.
‘Er had iemand gewond kunnen raken,’ zei ze.
Ik knikte.
‘Waarom was je nog bezig?’
‘Het moest af.’
‘Van wie?’
Ik keek naar de klok. Twaalf over twaalf.
Henk kwam binnen. Zijn gezicht stond strak.
‘Telefoon blijft voortaan weg tijdens het werk.’
‘Ja.’
‘En we kijken opnieuw welke hekken jij gebruikt. Dit klopt zo niet.’
Ik hoorde vooral: jij klopt niet.
Thuis stuurde ik Marieke een bericht dat ik beter niet meer kon komen. Daarna legde ik mijn telefoon op bed en ging op de badkamervloer zitten. Dezelfde houding als op kantoor. Knieën opgetrokken. Rug tegen een muur.
Ze belde een uur later.
‘We hebben een fout gemaakt,’ zei ze.
‘Ik heb dat hek opengelaten.’
‘Ja. En wij hebben te weinig rekening gehouden met wat er gebeurt als hier iedereen ergens anders is.’
Ik zei niets.
‘Dinsdag bespreken we het. Geen werk. Alleen bespreken.’
Ik wilde dat ze zei dat het niet erg was. Ze zei het niet. Dat geloofde ik tenminste.
Dinsdag maakten we nieuwe afspraken. Mijn telefoon bleef in een kastje. Geen taken achter dat hek. Een duidelijke afsluiting van iedere ochtend. Niet nog snel een klus erbij.
Ook de bedrijfsarts kreeg een terugkoppeling over de overbelasting, zonder dat mijn hele behandeling op het erf werd besproken.
Henk bleef tijdens het gesprek staan.
‘Als je twijfelt, vraag je,’ zei hij. ‘Liever tien keer dan één keer gokken.’
Een week later vond ik een loszittende grendel. Ik haalde hem erbij.
Hij testte hem, pakte gereedschap en zei: ‘Goed gezien.’
Ik bleef tot hij klaar was. Daarna ging ik op tijd naar huis.
Hoofdstuk 5
Niet terug
Na ruim een jaar ziekte zat ik weer in de vergaderkamer van Rijnland Distributie. De plant bij het raam was vervangen door een plastic exemplaar. Verder zag alles er hetzelfde uit.
Bas schoof een vel papier naar me toe.
‘We hebben aangepast werk bekeken.’
Er stonden taken op. Leverbonnen controleren. Achterstanden bijwerken. Geen klantcontact. Korte blokken.
Het klonk redelijk. Dat maakte het moeilijk.
We hadden eerder al voorzichtige werkhervatting geprobeerd. Eerst een uur. Daarna twee. Telkens ging het thuis mis. Slecht slapen. Trillen. Niets meer kunnen nadat ik op kantoor was geweest.
Niet alleen de drukte speelde mee. Ik bleef iedereen horen. Ik zag fouten op een scherm en kon ze niet laten staan. Collega’s liepen naar mijn bureau omdat ik antwoorden wist.
‘Je moet beter je grenzen aangeven,’ zei Bas.
Ik keek naar hem.
‘Dat probeer ik. Maar de vragen blijven komen.’
Hij leunde achterover.
‘Ik kan niet iedere collega persoonlijk tegenhouden.’
De casemanager, Annemiek, legde haar pen neer.
‘Dan moeten we ook naar de inrichting van het werk kijken. Niet alleen naar Nora.’
Ik voelde opluchting en werd daar meteen verdrietig van. Blijkbaar had ik gewacht tot iemand anders dit zei.
Een arbeidsdeskundige onderzocht wat nog mogelijk was. Binnen mijn eigen functie. Binnen het bedrijf. En elders. Ik vulde lijsten in en voerde gesprekken. Mijn leven paste ineens in vakjes met woorden als belastbaarheid en passend werk.
Omdat duurzaam terugkeren bij Rijnland onzeker bleef, werd een tweede-spoortraject ingezet. De mogelijkheden bij mijn werkgever bleven daarnaast in beeld.
Mijn begeleider heette Daan. Hij droeg nette schoenen en vroeg wat ik graag deed.
‘Niet telefoneren.’
‘Dat is wat je niet wilt.’
‘Voorlopig is dat mijn meest concrete antwoord.’
Hij glimlachte niet. Daar was ik blij om.
We bekeken vacatures. Administratief medewerker. Medewerker orderverwerking. Receptie bij een zorginstelling. Overal stond dat je flexibel moest zijn. Stressbestendig. Snel kunnen schakelen.
Ik draaide mijn laptop dicht.
‘Dan blijft er niets over.’
‘Vandaag vinden we het niet,’ zei Daan. ‘Dat is iets anders.’
Ondertussen werd mijn inkomen lager volgens de afspraken die voor mijn tweede ziektejaar golden. Ik maakte een lijst van vaste lasten. Huur. Energie. Zorgverzekering. Boodschappen.
Mijn auto kostte te veel. Zonder auto kwam ik moeilijk op de boerderij. Het was een soort som waarbij iedere oplossing weer een ander probleem maakte.
Eva bood geld aan.
‘Nog niet,’ zei ik.
‘Je hoeft niet eerst helemaal vast te lopen.’
Ik herkende de woorden. Dat maakte aannemen niet makkelijker.
Bij de verjaardag van mijn vader vroeg mijn oom hoe lang dat gedoe met mijn werk nog duurde.
‘We zijn bezig met ander werk,’ zei ik.
‘Je kunt toch gewoon ergens achter een balie zitten?’
Mijn vader sneed de taart. Hij keek naar het mes.
Ik vertelde dat een balie ook werk was. Dat drukte niet verdween als je er een stoel bij zette. Mijn stem trilde. Mijn oom haalde zijn schouders op.
In de keuken vroeg mijn vader of ik boos was.
‘Ja.’
‘Hij bedoelt het niet verkeerd.’
‘Waarom moet ik dan steeds uitleggen dat ik niet expres thuiszit?’
Mijn vader legde het taartmes neer.
‘Dat weet ik niet,’ zei hij.
Het was geen groot gesprek. Hij sloeg geen arm om me heen. Maar later zette hij koffie voor me en vroeg hoe het met de kalveren ging.
Op de boerderij vertelde ik Marieke over de vacatures.
Ze keek naar een stapel bestelbriefjes.
‘Ik heb hier eigenlijk iemand nodig voor de bestellingen en voorraad. Jamal doet het tussen alles door.’
Mijn hart sloeg sneller.
‘Is dat een baan?’
‘Misschien een kleine. Geen hele. En ik moet rekenen.’
Ze hield haar hand op voordat ik kon aanbieden het gratis te doen.
‘Echt rekenen. Ook wat het jou kost.’
Die avond maakte ik voor het eerst in maanden een spreadsheet. Na twintig minuten sloot ik hem.
Hij was nog niet af.
Ik liet hem staan tot de volgende ochtend.
Hoofdstuk 6
Een prijs voor werk
Marieke kon zestien uur betalen. Verdeeld over vier ochtenden. Niet voor het loon dat ik als planner had verdiend.
We zaten met Daan in de kantine. Henk had een rekenmachine meegenomen. Naast zijn koffie lag een envelop met bedragen erop.
‘Meer ruimte is er niet,’ zei hij.
Ik had meteen ja willen zeggen. Een week eerder al. Nu had ik mijn eigen lijst voor me liggen.
‘Dan moet ik weten wat er precies onder valt.’
Het voelde brutaal.
Daan vroeg naar de taken. Bestellingen verwerken voor de kleine erfwinkel. Voorraad bijhouden. Leveranciers ontvangen. Eenvoudige verzorgingstaken die ik inmiddels veilig kon doen. Geen vervanging bij het melken. Geen oproepdiensten.
‘En als er iemand ziek is?’ vroeg Henk.
Ik keek naar mijn papier.
‘Dan moeten we apart bekijken wat kan. Het is niet automatisch mijn dienst.’
Hij trok zijn wenkbrauwen op.
‘Op een boerderij kun je niet alles plannen.’
‘Dat kon in het transport ook niet.’
Het bleef stil.
‘Daarom moeten we dit vooraf zeggen,’ voegde ik eraan toe.
Marieke draaide haar mok rond.
‘Ze heeft gelijk. Als we iemand nodig hebben die altijd kan invallen, zoeken we iemand anders.’
Ik voelde hoe graag ik wilde terugkrabbelen. Zeggen dat ik heus wel flexibel was. Dat ik geen lastig mens was.
Ik nam een slok water.
We maakten geen afspraak die ochtend. Eerst moest duidelijk worden of zestien uur haalbaar was. De opbouw bleef onderdeel van mijn re-integratie. De begeleiding liep door. Daan en de betrokken deskundigen hielpen de overgang uitzoeken.
Ik liet ook onafhankelijk controleren wat een overstap betekende voor mijn contract, inkomen en rechten. Ik nam niet op goed geluk ontslag. Daarvoor was ik te bang, en inmiddels ook te verstandig.
Ondertussen werkte ik aan de bestellingen. De boerderij leverde eieren en enkele streekproducten aan vaste klanten. Horeca. Een buurtsuper. Mensen die op vrijdag een krat kwamen halen.
Er was geen systeem. Er waren briefjes, berichten en Mariekes geheugen.
Ik maakte een eenvoudig overzicht. Geen duur pakket. Eén lijst met vaste velden. Jamal testte het.
‘Te kleine letters,’ zei hij.
Ik vergrootte ze.
‘En wie vult het in als jij er niet bent?’
Die vraag had ik vroeger als kritiek gehoord. Nu maakten we er een instructie voor.
Op een woensdagochtend belde een restaurant uit Zeist. Ze wilden voor die middag een grotere bestelling.
‘Dat lukt niet,’ zei ik.
De eigenaar werd kortaf.
‘Marieke regelt dat normaal altijd.’
‘Ik kan het voor vrijdag klaarzetten. Of u kunt vandaag ophalen wat op voorraad is.’
Hij vroeg naar Marieke.
Ik gaf haar de telefoon met een dikke keel.
Ze luisterde en keek naar mijn lijst.
‘Wat Nora zegt, klopt,’ zei ze.
Daarna hing ze op.
‘We lopen wel omzet mis,’ zei Henk later.
‘Ja,’ zei Marieke. ‘En anders lopen we weer achter alles aan.’
Ik hoorde dat dit geen strijd tussen goede en slechte mensen was. Henk rekende aan voerprijzen en onderhoud. Marieke rekende aan uren die niemand opschreef. Ze hadden allebei reden om bezorgd te zijn.
Diezelfde week lag er een ziek kalf. Het wilde niet drinken. De dierenarts kwam. Ik bracht op verzoek spullen en bleef op afstand toen er behandeld werd.
De volgende ochtend was het dier dood.
Ik stond voor het lege hok. Jamal pakte de voerbak weg.
‘Gebeurt dat vaak?’ vroeg ik.
‘Niet vaak. Wel soms.’
Ik ging buiten op een omgekeerde krat zitten. Het erf was geen plek waar nare dingen ophielden. Dieren werden ziek. Mensen raakten uitgeput. Rekeningen bleven komen.
Na tien minuten liep ik terug en vroeg welke spullen schoongemaakt moesten worden.
In november kreeg ik een conceptcontract voor twaalf maanden. Zestien uur. Een afgesproken loon. Vakantiedagen. Vaste werktijden. Een evaluatiemoment.
Ik las het thuis aan de keukentafel. Niet één keer, maar drie keer.
Daarna belde ik Eva.
‘Ik heb misschien een baan.’
‘Wil je haar?’
Ik keek naar de bedragen en naar het rooster.
‘Ja,’ zei ik. ‘Als dit de afspraken blijven.’
Hoofdstuk 7
Om twaalf uur weg
Op mijn laatste dag bij Rijnland stond er een taart in de kantine. Er zat een koe van marsepein op.
Ik vond hem lelijk en aardig tegelijk.
Een paar collega’s kwamen afscheid nemen. Sommigen wist ik niets te vragen. We hadden ooit iedere dag naast elkaar gezeten en nu kende ik hun nieuwe projecten niet. Zij kenden mijn dagen ook niet.
Bas gaf me een envelop met een cadeaukaart.
‘Succes met je nieuwe leven,’ zei hij.
‘Dank je.’
Ik wilde zeggen dat ik geen nieuw leven kreeg. Dat mijn huurcontract hetzelfde bleef. Mijn hoofd ook, voor een groot deel. Maar dit was niet het moment om alles recht te zetten.
Bij de lift aarzelde ik.
De jongen met de beeldschermen liep toevallig langs. Hij heette Pieter, wist ik inmiddels. Hij werkte er nu vast.
‘Neem je de trap?’ vroeg hij.
‘Ja.’
‘Ik ook. Ding staat weer te stotteren.’
We liepen samen naar beneden. Hij vertelde over zijn dochter, die net kon fietsen. Op de begane grond hield hij de deur voor me open.
Buiten stond Eva te wachten. Niet omdat ik niet zelf kon rijden. Omdat ik had gevraagd of ze kwam.
De overstap naar De Lage Weide werd pas definitief nadat de betrokken adviseurs de afspraken en gevolgen met me hadden doorgenomen. Er waren handtekeningen, eindafrekeningen en vragen waar ik hulp bij nodig had.
Niets daarvan voelde als bevrijding. Het voelde als administratie met echte gevolgen.
Mijn eerste betaalde ochtend begon met regen. Ik zette mijn fiets onder het afdak en trok een droge trui aan. Ik had mijn auto verkocht. Met de elektrische fiets die ik tweedehands had gekocht, was de afstand te doen. Bij gladheid mocht ik met Eva iets regelen, had ze gezegd. Ik probeerde niet alvast iedere winterdag op te lossen.
Jamal tikte op het rooster.
‘Je staat erop.’
Mijn naam stond tussen die van hem en Marieke.
Nora. Acht tot twaalf.
Geen therapeutische uren. Geen bezoek. Werk.
Ik ging naar de kantine en controleerde de bestellingen. Daarna maakte ik materialen klaar voor de kalververzorging. Om tien uur at ik twee boterhammen. Gewoon aan tafel. Niet boven een toetsenbord.
Dat bleef wennen.
Ook het lagere inkomen bleef wennen. Ik kon mijn vaste lasten betalen, maar nauwelijks sparen. Vakanties werden voorlopig losse dagen. Mijn vader hielp met een kapotte wasmachine. Ik nam het geld aan en sprak een terugbetaling af.
Ik vond afhankelijk zijn nog steeds moeilijk. Alleen maakte ik er minder ruzie over.
Niet iedere ochtend ging goed. Een keer sliep ik zo slecht dat ik om zeven uur Marieke belde. Ik schaamde me al voordat ze opnam.
‘Ik red het vandaag niet.’
Ze vroeg wat voor die ochtend moest worden overgenomen. Daarna wenste ze me beterschap.
De week erna bespraken we de werkdruk. Geen strafgesprek. Ook geen geruststelling dat alles zomaar kon. Afwezigheid had gevolgen voor een klein bedrijf. Mijn gezondheid ook. We pasten een taak aan en bleven volgen of het werkte.
Drie maanden na mijn start kwam Daan nog eenmaal langs. Hij vroeg wat ik miste aan kantoor.
‘Het salaris,’ zei ik.
Hij schreef niets op.
‘En sommige collega’s. Goed zijn in iets zonder eerst overal over na te denken.’
‘Wat gaat hier beter?’
Ik keek naar het raam. Henk reed langzaam met de trekker voorbij.
‘Ik merk eerder wanneer het te veel wordt. En ik zeg het soms op tijd.’
‘Soms?’
‘Vaker dan vroeger.’
Dat leek ons een eerlijk antwoord.
Op een vrijdag viel vlak voor twaalf uur een levering binnen. De chauffeur stapte uit en vroeg of ik even kon helpen lossen.
Ik keek naar de klok. Naar de pallets. Naar Jamal, die achter in de schuur stond.
Vroeger had ik mijn jas uitgetrokken.
Nu liep ik naar Jamal en droeg de levering over. Ik vertelde welke dozen gekoeld moesten blijven. Hij herhaalde het en pakte de palletwagen.
Marieke stond bij de deur toen ik mijn fiets haalde.
‘Maandag?’
‘Maandag.’
Op de terugweg begon het opnieuw te regenen. Mijn broek werd nat boven mijn knieën. Ik dacht aan droge sokken, aan de boodschappen die ik nog moest doen en aan een rekening die maandag betaald moest worden.
Thuis zette ik mijn schoenen bij de verwarming. Op mijn telefoon stond een foto van Eva’s nieuwe kat.
Ik belde haar terug.
‘Heb je zin om straks te wandelen?’ vroeg ik.
Er moest nog van alles gebeuren. Ik had er ook nog tijd voor.