Tegenslag en opnieuw beginnen
Van nul naar een leven
Hoofdstuk 1
De laatste sleutel
De deurwaarder stond om kwart over acht voor mijn deur. Ik had zijn auto al gezien. Een grijze Opel, half op de stoep. Toch bleef ik op de bank zitten totdat hij voor de tweede keer aanbelde.
‘Meneer De Bruin?’
Ik knikte.
‘U weet waarvoor we komen.’
Achter hem stond een man met een gereedschapskoffer. Verderop wachtte iemand van de woningcorporatie. Drie mensen die hun werk kwamen doen. Ik was dat werk.
Mijn naam is Niels de Bruin. Ik was eenenveertig en woonde tot die ochtend in een portiekwoning in Arnhem-Zuid. Twee slaapkamers. Een balkon waar precies twee stoelen pasten. In de kleinste kamer stond het bed van mijn dochter Noor. Ze was elf. Op het dekbed zaten gele vlekken van een slijmexperiment.
‘Hebt u uw persoonlijke spullen gepakt?’ vroeg de deurwaarder.
Naast de bank stond een sporttas. Onderbroeken, twee truien, mijn scheerapparaat. Op tafel lagen ongeopende enveloppen. Ik legde er een tijdschrift overheen.
De man keek ernaar. Hij zei niets.
Ik liep naar Noors kamer. Op haar bureau stond een foto van ons bij Burgers’ Zoo. Ze had haar handen voor haar gezicht omdat ik naast een beeld van een aap dezelfde houding aannam. Ik stopte de foto tussen mijn truien.
Daarna trok ik het dekbed recht.
Dat was kennelijk belangrijk. Mijn huis werd ontruimd en ik streek een kreuk glad.
Acht maanden eerder had ik nog een baan gehad bij een installatiebedrijf in Duiven. Ik plande onderhoud, reed materialen rond en sprong bij waar handen tekortkwamen. Na het faillissement dacht ik binnen twee weken iets anders te vinden.
De eerste weken solliciteerde ik veel. Daarna minder. Een afwijzing werd er vijf. Mijn WW was lager dan mijn loon. De huur ging gewoon door. Net als de energierekening en de afbetaling van de auto die ik na mijn scheiding had gehouden.
Ik betaalde wat het hardst schreeuwde.
De verhuurder stuurde brieven. Ik belde één keer. Er kwam een betalingsregeling. Die hield ik twee maanden vol. Daarna kwam ik een afspraak niet na. Vervolgens nam ik de telefoon niet meer op.
In mijn hoofd was elke nieuwe envelop bewijs dat het al te laat was.
‘Waar gaat u vannacht slapen?’ vroeg de vrouw van de woningcorporatie.
‘Bij iemand.’
‘Is dat geregeld?’
‘Ja.’
Het was niet geregeld.
Ik gaf de sleutels af. Mijn vingers bleven even rond de ring zitten. Toen liet ik los.
Buiten regende het zacht. Ik zette mijn tas onder het afdak van de fietsenstalling en belde mijn oudere broer Bas. We hadden elkaar zes weken niet gesproken. De laatste keer had hij gevraagd hoe het met werk ging. Ik had gezegd: bijna rond.
‘Wat is er?’ vroeg hij.
‘Kan ik een paar nachten bij jou slapen?’
Hij zweeg.
‘Wat is er gebeurd, Niels?’
Ik keek naar een slak op de muur.
‘Ik ben mijn huis kwijt.’
‘Hoe bedoel je kwijt?’
‘Ze vervangen nu het slot.’
Een deur sloeg dicht aan zijn kant van de lijn. Toen hoorde ik alleen zijn adem.
‘Kom maar. Ik ben om zes uur thuis. Ellen is er al.’
Ik wilde uitleggen dat ik het had geprobeerd. Dat het ingewikkeld was. Dat niemand wist hoe snel alles kon gaan.
Bas was me voor.
‘Geen verhaal nu. Eerst hierheen.’
In de bus naar Velp belde mijn ex, Marieke. Ik nam niet op. Meteen kwam een bericht.
Noor vraagt of je vrijdag pannenkoeken maakt. Zal ik haar om vijf uur brengen?
Ik las het drie keer. Buiten trok een schoolklas over het zebrapad. Gele hesjes, natte rugzakken. Een meisje liep achterstevoren en zwaaide naar de bus.
Ik typte: Er is iets met de woning. Ik bel straks.
Daarna zette ik mijn telefoon uit.
Ellen deed open met een vaatdoek in haar hand. Ze keek naar mijn tas en stapte opzij.
‘Koffie?’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Water dan.’
Ze zette een glas neer. Ik dronk het in één keer leeg.
Die avond maakten Bas en ik het logeerbed op. Het stond tussen een hometrainer en dozen kerstspullen. Toen hij een hoeslaken strak trok, vroeg hij hoeveel schuld ik had.
‘Ik weet het niet.’
‘Ongeveer?’
‘Echt niet.’
Hij bleef staan met een hoek van het laken in zijn hand.
‘Dan beginnen we daar morgen mee.’
Toen hij weg was, haalde ik de foto van Noor uit mijn tas. Er zat een vouw door mijn gezicht. Ik zette hem tegen een doos en ging op bed zitten, met mijn jas nog aan.
Hoofdstuk 2
Alles op tafel
Om half zeven hoorde ik Bas beneden boterhammen smeren. Ik wachtte tot zijn bestelbus wegreed. Daarna wachtte ik tot Ellen naar haar werk ging. Pas toen kwam ik de kamer uit.
Op het aanrecht lag een briefje.
Brood in de vriezer. Vanavond zeven uur: post uitzoeken. Bas.
Ik had de enveloppen meegenomen in een plastic boodschappentas. De deurwaarder had me daar nog op gewezen. Administratie, had hij gezegd, alsof het een verzameling keurige mappen was.
Ik zette de tas op tafel. Daarna liep ik naar buiten.
Bij het station van Velp kocht ik koffie voor drie euro twintig. Ik had nog zesentwintig euro op mijn rekening. Toch kocht ik die koffie. Ik wilde ergens klant zijn. Iemand aan wie je vroeg of hij een deksel op zijn beker wilde.
Marieke belde toen ik op een bankje zat.
‘Waar ben je?’
‘Bij Bas.’
‘En je woning?’
Ik vertelde het. Niet alles. Wel genoeg.
Ze zei een tijd niets.
‘Sinds wanneer wist je dat dit ging gebeuren?’
‘Er waren brieven.’
‘Niels.’
‘Een paar weken. De datum wist ik een paar weken.’
‘En Noor zou vrijdag bij jou slapen.’
‘Ik dacht dat ik nog iets kon regelen.’
‘Wat dan?’
Daar had ik geen antwoord op.
Ze begon niet te schreeuwen. Dat maakte het lastiger. Ze stelde vragen over spullen, veiligheid en slapen. Daarna zei ze dat Noor voorlopig bij haar bleef. Ik mocht haar zien. Natuurlijk mocht ik haar zien. Maar zonder verhalen over een lekkage of verbouwing.
‘Je vertelt haar wat er speelt. Op een manier die zij aankan.’
Die middag zat ik bij Marieke aan de keukentafel in Huissen. Noor had haar schooltas nog om toen ze binnenkwam.
‘Waarom ben jij hier?’
Ik vroeg of ze wilde zitten.
‘Er is iets misgegaan met mijn geld. Ik kon de huur niet meer betalen. Daarom kan ik niet meer in het huis wonen.’
Ze keek naar Marieke.
‘Waar is mijn bed?’
Ik slikte.
‘De spullen zijn weggehaald. Ik moet uitzoeken wat ik nog terug kan krijgen.’
‘En mijn blauwe doos?’
In die doos zaten schelpen, armbandjes en een tand in een zakje. Ik had hem zien staan. Ik had hem niet meegenomen.
‘Die heb ik laten staan.’
‘Waarom?’
Ik kon geen antwoord bedenken dat het beter maakte.
‘Ik was in de war. Het spijt me.’
Ze trok haar tas van haar schouders en liep naar boven. Geen deur die knalde. Alleen voetstappen. Ik hoorde hoe ze halverwege even bleef staan. Toen liep ze verder.
Om zeven uur legde Bas alle enveloppen op zijn eettafel. Ellen schoof een vuilniszak onder mijn stoel voor lege omslagen.
‘Jij maakt open,’ zei Bas. ‘Ik schrijf op.’
De eerste brief was van de zorgverzekeraar. De tweede van een incassobureau. Bij de derde zag ik alleen het bedrag en schoof ik hem weg.
Bas schoof hem terug.
‘Ook die.’
Na anderhalf uur stond er een voorlopig totaal: 18.463 euro. Huur, energie, zorgpremie, een doorlopend krediet en extra kosten waarvan ik niet meer wist wanneer ze waren ontstaan.
‘Je zei vorig jaar dat die lening afgelost was,’ zei Bas.
‘Ik schaamde me.’
Hij legde zijn pen neer.
‘Ik heb je toen geld geleend.’
‘Weet ik.’
‘Nee. Je weet dat ik het gaf. Je hebt mij laten denken dat het probleem daarmee klaar was.’
Ellen stond op en zette thee. Niemand dronk.
‘Je kunt hier voorlopig blijven,’ zei Bas uiteindelijk. ‘Maar ik betaal dit niet. En je gaat hulp zoeken.’
De volgende ochtend belde ik het gemeentelijke loket. Na twee keer doorverbinden sprak ik een vrouw die vroeg waar ik feitelijk verbleef, waar ik ingeschreven stond en of er inkomen was.
Ik raakte de draad kwijt.
‘Ik ben gisteren mijn woning kwijtgeraakt,’ zei ik.
Ze vertraagde.
‘Goed. Dan doen we één vraag tegelijk.’
Een week later zat ik tegenover schuldhulpverlener Samira. Ze had mijn stapel brieven in twee handen nodig.
‘Wat verwacht u van ons?’ vroeg ze.
‘Dat u zegt dat het nog kan.’
Ze keek me aan.
‘Er kan veel. Maar niet als u verdwijnt zodra het moeilijk wordt.’
Ik knikte te snel.
‘Ik meen het,’ zei ze. ‘Ook komen als u niets hebt ingevuld. Ook opnemen als u slecht nieuws verwacht.’
We maakten een lijst voor de komende dagen. Bankafschriften. Inkomsten. Zorgverzekering. Verblijfsadres. Geen nieuw leven op één vel papier. Alleen taken.
Ik vouwde het vel dubbel en stopte het in mijn jaszak. Deze keer gooide ik het thuis niet op een stapel.
Hoofdstuk 3
Een bed met regels
Na drie weken wist ik precies welke traptrede bij Bas kraakte. Ik sloeg hem over als ik ’s nachts naar de wc ging. Overdag probeerde ik onzichtbaar te zijn. Dat lukte slecht met een sporttas naast de wasmachine en mijn schoenen in hun gang.
Ellen werkte soms thuis. Ik hoorde haar vergaderen terwijl ik boven formulieren invulde. Dan durfde ik beneden geen koffie te zetten. Zij begon juist te denken dat ik haar ontweek.
Op een donderdag vroeg ze of ik mijn was wilde opruimen.
‘Doe ik straks.’
‘Je zei gisteren ook straks.’
‘Ik ben bezig.’
Ze keek naar het scherm van mijn telefoon. Daarop stond een filmpje van iemand die een oude brommer repareerde.
‘Waarmee?’
Ik stond te snel op.
‘Ik weet dat ik in de weg loop.’
‘Dat zeg ik niet. Ik vraag of je je was opruimt.’
Maar ik was al boos. Niet op die was. Toch kreeg Ellen het over zich heen.
Die avond zei Bas dat we een einddatum moesten afspreken. Hij zei het rustig. Ik hoorde alleen dat ik weer weg moest.
‘Dus jullie zetten me ook buiten.’
Hij schoof zijn stoel achteruit.
‘Pas op.’
Ik zweeg.
‘Je slaapt hier. Je eet hier. We helpen je. Maar wij mogen nog steeds iets vragen.’
De volgende ochtend bood ik Ellen mijn excuses aan. Zonder uitleg over stress. Dat wilde ik erbij zeggen, maar ik slikte het in.
Bij Samira vertelde ik dat het logeren niet lang meer kon.
Ze belde niet één nummer waarna er een woning klaarstond. Ze belde meerdere nummers. Ik belde ook. Soms kregen we een wachtlijst. Soms was ik niet de juiste doelgroep. Soms moest een andere gemeente eerst iets beoordelen.
Intussen liep mijn WW bijna af. We regelden de papieren voor een aanvraag voor inkomensondersteuning en zochten uit hoe ik bereikbaar kon blijven voor officiële post. Ik moest telkens opnieuw vertellen waar ik sliep. Alsof ik het zelf ook niet zeker wist.
Na verschillende gesprekken kwam er een tijdelijke plek in een woonvoorziening in Arnhem. Een eigen kleine kamer, gedeelde keuken, begeleiding op afspraak. Geen zelfstandig huurcontract. Geen oplossing voor jaren. Wel een deur die ik achter me kon sluiten.
Bas bracht me erheen.
‘Bel gewoon,’ zei hij terwijl hij mijn tas uit de bus pakte. ‘Niet pas als alles weer brandt.’
Ik knikte.
Hij gaf me een korte omhelzing. Zijn werkschoenen lieten modder achter in de hal.
Mijn kamer had een bed, een kast en een tafel die wiebelde. Op de muur zat een donker vierkant waar eerder iets had gehangen. Ik zette Noors foto op de vensterbank.
Begeleider Joost kwam de afspraken doornemen. Geen bezoek zonder overleg. Geen middelengebruik in het pand. Rekening houden met andere bewoners. Afspraken nakomen.
‘Ik ben geen kind,’ zei ik.
‘Nee,’ zei hij. ‘En dit is een huis waar veel mensen onder spanning wonen. Daarom zijn er regels.’
Die eerste nacht hoorde ik iemand huilen. Later sloeg beneden een deur. Om drie uur maakte iemand eten in de keuken. De geur van gebakken ui kroop onder mijn deur door.
Ik sliep met mijn tas naast het bed.
Aan het ontbijt ontmoette ik Kees. Zesenvijftig, grijze baard, pantoffels met harde zolen. Hij las de aanbiedingenfolder alsof er dringend nieuws in stond.
‘Nieuw?’
‘Sinds gisteren.’
Hij wees naar een keukenkastje.
‘Zet je naam op je melk.’
‘Wordt hier gestolen?’
‘Hier wordt vooral veel verkeerd onthouden.’
Ik lachte voor het eerst in dagen.
Een week later kwam Noor langs. Marieke bleef het eerste halfuur erbij. Ik had toestemming gevraagd en koekjes gekocht. Het pak lag keurig in het midden van de tafel.
Noor bekeek mijn kamer.
‘Is dit alles?’
‘Ja.’
‘Waar slaap ik dan?’
‘Voorlopig slaap je bij mama. Hier kan dat niet.’
Ze ging op mijn stoel zitten. Die wiebelde.
‘Deze is kapot.’
‘De tafel ook.’
Ze trok een gevouwen kassabon uit haar jaszak en schoof hem onder een tafelpoot. Daarna duwde ze tegen het blad.
‘Nu niet meer.’
We aten koekjes. Marieke vertrok even om boodschappen te doen. Noor vertelde over een jongen in haar klas die tijdens een spreekbeurt was flauwgevallen.
Toen ze weg was, bleef de kassabon liggen.
Ik raakte hem met mijn schoen bijna los. Voorzichtig schoof ik hem terug. Daarna belde ik Bas. Niet omdat er iets mis was. Ik vertelde alleen dat Noor was geweest.
Hoofdstuk 4
De verkeerde ochtend
Het uitzendbureau belde op maandag. Er was werk in een magazijn op bedrijventerrein Bijsterhuizen, bij Wijchen. Orders verzamelen. Vroeg beginnen. Vier dagen per week.
‘Heb je eigen vervoer?’ vroeg de medewerker.
Mijn auto was al maanden weg. Verkocht voor minder dan de openstaande lening.
‘Een fiets.’
‘Om zes uur beginnen gaat met het openbaar vervoer lastig worden.’
Ik zei dat ik het regelde.
Daar was die zin weer.
Dit keer belde ik Bas voordat het misging. Hij leende me een oude elektrische fiets. De accu hield niet lang meer vol, maar met de trein naar Nijmegen en daarna fietsen kon ik de latere dienst draaien. Het uitzendbureau vroeg het na. Vanaf half acht mocht ook.
De eerste ochtend stond ik een kwartier te vroeg bij het hek.
Voorman Patrick gaf me een scanner en een veiligheidshesje.
‘Eerst meelopen met Yassin. Niet gokken als je een code niet snapt.’
Yassin was vierentwintig. Hij kende elk gangpad.
‘Je hoeft niet te rennen,’ zei hij. ‘Dan pak je alleen sneller het verkeerde.’
Aan het eind van de dag brandden mijn voeten. Ik had drie fouten gemaakt. Twee zelf gezien. Eén had Yassin hersteld voordat de doos dichtging.
In de trein naar Arnhem viel ik bijna in slaap. Toch was ik tevreden. Ik had iets gedaan waarvoor niemand mijn schuld hoefde te kennen.
Het loon veranderde niet meteen alles. Ik moest inkomsten doorgeven. Er kwamen verrekeningen. Mijn bijdrage voor de woonplek kon veranderen. Samira liet me bedragen apart houden totdat duidelijk was wat ik werkelijk kon besteden.
Ik vond dat oneerlijk.
‘Ik werk nu toch?’
‘Ja,’ zei ze. ‘Daarom moeten we voorkomen dat je over twee maanden geld moet terugbetalen dat al op is.’
Ik hoorde haar uitleg. Ik vond het nog steeds oneerlijk. Beide konden tegelijk waar zijn.
Na vijf weken vroeg Patrick of ik extra uren wilde. Ik zei ja voordat ik mijn rooster bekeek. Meer uren betekende meer loon. Het betekende ook dat ik een afspraak met Joost verschoof en mijn gesprek bij de schuldhulp vergat.
Samira belde. Ik zag haar naam en nam niet op.
Die avond lag er een nieuwe brief. Een schuldeiser had aanvullende kosten opgevoerd. Ik begreep niet waarom. We waren toch bezig?
Ik legde de brief onder mijn bord.
Kees zag het.
‘Smaakt papier lekker?’
‘Bemoei je met jezelf.’
Hij haalde zijn schouders op en liep weg.
Ik wist meteen dat ik fout zat. Toch bleef ik zitten.
Die nacht sliep ik nauwelijks. Om vijf uur keek ik nog op de klok. Mijn wekker ging om zes uur. Ik zette hem uit en werd om negen uur wakker.
Zes gemiste oproepen.
Mijn eerste gedachte was dat ik koorts had kunnen hebben. Mijn tweede dat ik mijn telefoon kwijt was geweest. Ik oefende de zinnen terwijl ik mijn broek aantrok.
Toen belde Patrick opnieuw.
‘Waar ben je?’
‘Op mijn kamer.’
‘Dat merk ik. Waarom ben je niet hier?’
Ik ging op de rand van het bed zitten.
‘Ik heb niet geslapen. Ik ben door mijn wekker heen gegaan. En daarna durfde ik niet te bellen.’
Hij zweeg even.
‘Kun je veilig hierheen komen?’
‘Ja.’
‘Dan kom je. We praten als je er bent.’
In zijn kantoor stond geen stoel voor bezoekers. Ik bleef bij de deur staan terwijl hij mijn urenstaat opzocht.
‘Je doet je werk goed genoeg. Maar ik moet kunnen rekenen op wie er ingepland staat. Ik kan niet elke ochtend uitzoeken of jij nog komt.’
‘Ik weet het.’
‘Dit is een waarschuwing. Bespreek met het bureau welk rooster je aankunt.’
Ik verloor die dag uren. Geen baan. Dat verschil voelde groter dan het bedrag dat ik misliep.
In mijn pauze belde ik Samira terug. Daarna Joost. Mijn brood bleef onaangeroerd naast me liggen.
Een paar dagen later zat ik bij de huisarts. Niet omdat iemand me dwong. Ik vertelde over het wakker liggen, het vermijden en de druk op mijn borst als mijn telefoon ging.
Hij stelde vragen. Ook vragen waarop ik liever nee had gezegd. Over eten. Over sombere gedachten. Over hoeveel koffie ik dronk.
We maakten een afspraak bij de praktijkondersteuner.
Die avond zocht ik Kees op in de keuken.
‘Dat van gisteren was niet tegen jou.’
‘Ik stond anders behoorlijk dichtbij.’
‘Je hebt gelijk. Sorry.’
Hij schoof de melk naar me toe.
Mijn naam stond erop.
Hoofdstuk 5
Wat er overblijft
De spullen uit mijn oude woning stonden niet eindeloos op me te wachten. Er waren termijnen, kosten en telefoontjes die ik te lang had uitgesteld. Met hulp van Joost zocht ik uit wat nog beschikbaar was en wat het zou kosten om iets op te halen.
Mijn bank wilde ik niet terug. De kast ook niet. Ik wilde Noors blauwe doos.
Bas reed mee naar de opslag. In de bus zei hij weinig. Ik hield een lijst op schoot met de spullen die ik wilde zoeken. Documenten. Fotoalbums. Een gereedschapskist. De doos.
Een medewerker schoof een hek open.
‘U moet even zelf kijken. Er is niet per lade geregistreerd wat erin zit.’
Mijn meubels stonden tussen dozen en losse planken. Zonder kamers eromheen leken ze kleiner. Op de eettafel zat een kras die er vroeger niet was. Ik streek eroverheen en ergerde me. Daarna schaamde ik me dat ik me daar nog druk om maakte.
Bas trok een lade uit Noors bureau.
‘Hier.’
De blauwe doos had een gebroken hoek. Er zat een elastiek omheen. Ik maakte hem open. Schelpen, kralen, een kaartje van de dierentuin. Het zakje met de tand lag onderin.
Ik ging op een omgekeerde krat zitten.
Bas zette zijn hand even op mijn schouder.
‘Gevonden.’
Meer zei hij niet.
De zaterdag daarna gaf ik de doos aan Noor. We zaten op een bank bij het water in Huissen. Ik had boterhammen mee en twee appels. Ze haalde alles eruit en legde het op haar jas.
‘Die grote schelp komt niet van het strand,’ zei ze. ‘Die hebben we gekocht.’
‘Weet ik.’
‘Jij zei toen dat ik dat tegen niemand hoefde te zeggen.’
Ik herinnerde me de winkel. Een rek met emmers. Zand op de vloer. Mijn haast om naar huis te rijden.
‘Dat was een stom idee.’
Ze keek op.
‘Het is gewoon een schelp, pap.’
Ik begon te lachen. Zij ook, zonder precies te weten waarom.
Later vroeg ze wanneer ik weer een huis kreeg.
‘Dat weet ik niet.’
‘Voor mijn verjaardag?’
‘Dat kan ik niet beloven.’
Ze stopte de schelpen terug.
‘Jij zei vroeger altijd wel ja.’
Ik keek naar mijn handen.
‘Ja.’
‘En dan ging het soms niet door.’
‘Dat wil ik anders doen.’
Ze vroeg of we de week erop weer konden wandelen. Ik keek eerst in mijn agenda. Pas daarna zei ik ja.
Bij de praktijkondersteuner, Fatima, praatte ik over kleine dingen. De afwas die ik uitstelde. Het controleren van mijn saldo, zes keer op een dag. De manier waarop ik een onbekend nummer meteen wegdrukte.
Ik had gedacht dat ik mijn hele jeugd moest uitleggen. Soms kwam die ter sprake. Vaker ging het over dinsdagmiddag.
‘Wat gebeurt er vlak voordat je iets vermijdt?’ vroeg ze.
‘Ik denk dat ik het verpest heb.’
‘En als je niet kijkt?’
‘Dan weet ik het nog even niet zeker.’
Dat schreef ze niet op. Ze liet het stil worden. Ik hoorde zelf hoe weinig die truc me opleverde.
We oefenden met een vaste posttijd. Tien minuten. Niet wachten tot ik me sterk voelde. Als een brief onduidelijk was, hoefde ik hem niet meteen op te lossen. Wel openen, lezen en opschrijven wie ik moest bellen.
Op mijn kamer hing ik een weekplanner op. Werk. Was. Noor. Afspraken. Ik vond het er kinderachtig uitzien. Hij bleef toch hangen.
Ondertussen werkten Samira en haar collega’s aan een schuldregeling. Het duurde. Schuldeisers reageerden laat of wilden extra informatie. Het bedrag veranderde na controles. Sommige vorderingen bleken anders opgebouwd dan ik dacht.
‘Dus het kan nog mislopen?’ vroeg ik.
‘Er zijn vervolgstappen als partijen niet meewerken. Maar vandaag hebben we nog geen akkoord.’
Ik wilde dat ze harder beloofde. Ze deed het niet.
Toen het voorstel uiteindelijk rondkwam, zat ik in de personeelskantine. Samira legde uit wat het saneringskrediet betekende. Welke afspraken golden. Wat ik moest aflossen. Wat ik moest melden als mijn inkomen veranderde.
‘Laat het even bezinken,’ zei ze. ‘Daarna lopen we alles samen door voordat je tekent.’
Ik staarde naar een koffievlek op tafel.
Yassin kwam naast me zitten.
‘Slecht nieuws?’
‘Nee. Ik geloof van niet.’
Ik at mijn boterham op. Voor het eerst in maanden hoefde ik mezelf daar niet toe te dwingen.
Hoofdstuk 6
Een sleutel zonder haast
Mijn eerste bezichtiging duurde zeven minuten. Een particuliere verhuurder liet me een kamer boven een winkel zien. De vloer helde. De douche zat achter een gordijn in de keuken.
‘Borg contant,’ zei hij. ‘Dan kun je er maandag in.’
Ik vroeg om een contract en een overzicht van de kosten.
‘Er staan nog zes mensen te wachten.’
Vroeger had ik die zin gehoord als een startschot. Nu belde ik Joost vanaf de stoep. Hij vroeg wat ik precies wist over de verhuurder en de voorwaarden.
Niet genoeg.
Ik ging terug naar de woonvoorziening. In de trein was ik kwaad. Op die man, op Joost, op iedereen die wél gewoon ergens woonde. Maar ik had mijn geld nog.
Woningen zoeken werd een tweede baan. Reageren, wachten, afwijzingen lezen. Ik stond al jaren ingeschreven, maar lang niet overal maakte dat verschil. Een urgentie bleek geen vanzelfsprekend gevolg van mijn situatie. Er waren voorwaarden en beoordelingen. Ik voldeed niet zomaar aan alles.
Marieke vroeg regelmatig hoe het ging. Ik hoorde soms ongeduld in haar stem. Misschien zat het er ook in. Zij regelde al die tijd Noors school, afspraken en slaapfeestjes. Mijn problemen hadden haar agenda voller gemaakt.
Toen ik een bezoek vergat omdat een dienst was verschoven, zei ze dat ook.
‘Ik ben blij dat je werkt. Maar ik kan niet steeds de rest opvangen zonder te weten wat er gebeurt.’
Ik wilde zeggen dat ik mijn best deed.
In plaats daarvan opende ik mijn agenda.
We spraken een vast moment af waarop ik mijn rooster doorgaf. Geen ingewikkeld systeem. Elke zondag voor zes uur een bericht.
In het magazijn kreeg ik meer verantwoordelijkheid. Patrick liet me nieuwe medewerkers inwerken. De eerste was een man van negenenvijftig die bleef verontschuldigen dat hij de scanner niet begreep.
‘Nog een keer,’ zei ik. ‘Ik wist dit eerst ook niet.’
Toen ik mijn contract via het uitzendbureau kon verlengen met vaste uren, las ik het twee keer. Daarna liet ik Samira meekijken naar wat het voor mijn aflossing betekende. Ik tekende niet in de deuropening.
Er ging nog steeds iets mis. Een automatische incasso kwam een dag eerder dan ik verwachtte. Mijn fiets kreeg een lekke band. Ik verloor een middag aan een formulier dat ik verkeerd had ingevuld.
Maar ik merkte het meestal op tijd.
In het voorjaar kwam er via een traject voor uitstroom uit de voorziening een mogelijkheid voor een kleine corporatiewoning. Er waren gesprekken nodig. Informatie over inkomen. Afspraken over begeleiding. Ik durfde Noor niets te vertellen voordat de bezichtiging vaststond.
De woning lag in Arnhem, op de tweede verdieping van een portiekflat. Een woonkamer, een slaapkamer en een kleine zijkamer. Het balkon keek uit op een parkeerplaats en drie berken.
De medewerker liep met een tablet door de gang.
‘Hier komt nog een reparatie aan de kraan. De vloer moet u zelf regelen.’
Ik draaide de kraan open. Hij drupte na.
‘En de maandelijkse lasten?’ vroeg ik.
Ze liet de bedragen zien. Huur, servicekosten. Andere kosten moest ik apart inschatten. Joost stond naast me met een notitieblok.
In de zijkamer paste een smal bed. Ik mat het na. Twee keer.
Buiten zei Joost dat ik niet meteen hoefde te beslissen.
‘Het lijkt passend. Maar we rekenen het vandaag door.’
We rekenden. Ook de verzekering. Ook de wasmachine die ik nog niet had. Ook geld voor eten wanneer er geen enkele extra dienst beschikbaar was.
Daarna zei ik ja.
Het tekenen voelde niet feestelijk. Mijn hand trilde. Ik las de datum en dacht aan de vorige keer dat ik een huurcontract had getekend. Toen had ik gedacht dat betalen vanzelf zou blijven gaan.
Na afloop stond ik alleen in de woning. Ik had één sleutel in mijn hand en de reservesleutel in mijn jaszak. Buiten achteruit piepte een vrachtwagen.
Ik belde Noor.
‘Er is een kamer waar jij kunt slapen.’
‘Echt?’
‘Als jij wilt. En als we het met mama hebben afgesproken.’
‘Mag ik hem zien?’
‘Zaterdag.’
‘Komt mijn blauwe doos daar?’
Ik keek naar de kale zijkamer.
‘Dat mag jij bepalen.’
Die avond vertelde ik het in de keuken aan Kees. Hij knikte en keek naar mijn mok.
‘Neem die mee. Die is toch van jou.’
Bij het afscheid gaf hij me een stekje in een oude yoghurtbeker. Ik vroeg hoeveel water het nodig had.
‘Weinig,’ zei hij. ‘Dus niet uit schuldgevoel elke dag gieten.’
Hoofdstuk 7
Zaterdag om negen uur
De eerste nacht in mijn woning sliep ik op een matras op de vloer. De koelkast was tweedehands en maakte een tik voordat hij aansloeg. Elke keer werd ik wakker.
Om vier uur stond ik op. Ik controleerde of de voordeur op slot zat. Daarna keek ik op mijn telefoon naar mijn banksaldo. Hetzelfde bedrag als om elf uur.
Een eigen woning had mijn lijf niet uitgelegd dat het mocht stoppen met opletten.
De volgende ochtend kwam Bas met gereedschap. Ellen bracht gordijnen die te lang waren. We knipten niets af voordat we hadden gemeten. Die grap maakte Bas drie keer.
Ik lachte alle drie de keren.
We legden een gebruikte vloer. Sommige planken hadden beschadigde randen. Die verdwenen onder de bank die ik via een kringloopwinkel had gekocht. Er kwamen geen spullen op afbetaling binnen. Als iets niet kon, bleef de plek leeg.
Mijn was hing de eerste weken boven het bad.
Noor koos voor haar kamer geen verf, maar een groot prikbord. Daarop kwamen foto’s, schoolbriefjes en een tekening van een hond die wij niet hadden.
‘Voor later,’ zei ze.
‘Daar spreken we nog over.’
‘Dat betekent nee.’
‘Voorlopig wel.’
Ze rolde met haar ogen. Ik vond het prettig dat ze dat weer gewoon deed.
De eerste logeeravond verliep niet zoals ik had bedacht. De pizza verbrandde aan de onderkant. Noor miste haar oplader. Om half elf stond ze in de deuropening met tranen in haar ogen.
‘Ik wil naar mama.’
Mijn maag trok samen. Ik wilde vragen of mijn huis niet goed genoeg was. Ik wilde zeggen hoeveel moeite ik voor die kamer had gedaan.
Ik zei: ‘Zal ik haar bellen?’
Noor knikte.
Marieke kwam haar halen. In de gang verontschuldigde Noor zich.
‘Dat hoeft niet,’ zei ik. ‘Volgende keer proberen we het weer. Of we doen eerst alleen een hele dag.’
Nadat ze weg waren, ruimde ik haar bord op. Daarna ging ik op de bank zitten en huilde. Niet lang. Wel hard.
De maandag erop vertelde ik het aan Fatima. Ik had nog een paar gesprekken bij haar.
‘Je was teleurgesteld,’ zei ze.
‘Meer dan dat.’
‘En je hebt haar toch laten gaan zonder dat ze jou moest troosten.’
Ik knikte. Daar had ik zelf niet aan gedacht.
De tweede keer bleef Noor tot de ochtend. Ze sliep met haar deur open en een lampje in het stopcontact. Om zeven uur hoorde ik haar rommelen in de keuken. Ze had twee boterhammen gesmeerd en de hagelslag op het aanrecht gemorst.
Ik liet de korrels even liggen.
Mijn schuld was niet verdwenen toen ik verhuisde. Het saneringskrediet liep nog. Elke maand ging de afgesproken aflossing eraf. Er waren voorwaarden en ik hield contact met de begeleiding. Mijn inkomen bleef beperkt. Ik koos soms tussen een uitstapje en nieuwe werkschoenen. De schoenen wonnen.
Bas kreeg zijn geleende fiets terug met een nieuwe buitenband. Over het geld dat ik hem eerder schuldig was, maakten we afspraken die pasten binnen mijn regeling. Hij wilde vooral dat ik niets meer buiten beeld hield.
Ons contact werd niet ineens zoals vroeger. Soms vroeg hij twee keer of iets echt geregeld was. Dat stak. Ik begreep ook waarom hij het vroeg.
Kees kwam een keer koffie drinken. Hij liep rechtstreeks naar zijn stekje op de vensterbank.
‘Leeft nog.’
‘Ik ook,’ zei ik.
Hij keek me aan.
‘Dat zie ik. Heb je koek?’
Dat was ongeveer genoeg medeleven voor ons allebei.
Veertien maanden na de ontruiming stond ik op zaterdag om negen uur pannenkoeken te bakken. Noor zat aan tafel huiswerk te maken. Buiten ruimde iemand glas op bij de containers. De koelkast tikte.
Mijn telefoon ging.
Een onbekend nummer.
Mijn hand bleef even boven de pan hangen. Ik voelde dezelfde korte schrik als vroeger. Toen zette ik het vuur lager en nam op.
Het was de tandarts. Er was maandag een plek vrijgekomen.
Ik pakte mijn agenda.
Na het gesprek keek Noor op.
‘Deze wordt zwart.’
Ik draaide de pannenkoek om. Te laat aan één kant, nog eetbaar aan de andere.
‘Die neem ik,’ zei ik.
Ze schoof haar bord dichterbij.
Er lag ongeopende post op het kastje. Twee enveloppen. Die zou ik na het eten bekijken. Mijn huur was betaald. Maandag moest ik werken. Dinsdag had ik een afspraak met Joost.
Ik schonk nieuw beslag in de pan.
‘Hoeveel wil je er?’ vroeg ik.
Noor dacht na.
‘Begin maar met twee.’