Naar de inhoud
Terug naar het boek

Verlies en rouw

Verdriet in een leeg huis

Gaat over overlijden en rouw.

Hoofdstuk 1

Verdriet in een leeg huis — De sleutel

De sleutel bleef steken. Ik trok hem terug en probeerde het opnieuw. Achter me stond mijn zus met een ovenschaal tegen haar buik. In de auto wachtte mijn dochter Lotte. Ze had haar schoenen uitgedaan. Haar zwarte panty zat vol pluisjes van de achterbank.

‘Je moet de deur iets optillen,’ zei Marjan.

‘Dat weet ik.’

Ik zei het zo hard dat ze een stap achteruit deed.

Ik heet Noor van Dijk. Ik was vierenveertig toen mijn man Thomas stierf. Die donderdag hadden we hem begraven op Moscowa in Arnhem. Nu kreeg ik onze eigen voordeur niet open.

Binnen rook het naar koffie van die ochtend. Op de kapstok hing zijn blauwe jas. Eén mouw zat binnenstebuiten. Ik had er voor vertrek nog naar gekeken. Even had ik gedacht dat ik die mouw recht moest trekken. Alsof er bezoek kwam waarvoor het huis netjes moest zijn.

Marjan zette de schaal in de keuken.

‘Oven op honderdtachtig. Een halfuur.’

Ik knikte.

‘Zal ik blijven?’

‘Nee.’

‘Alleen tot jullie gegeten hebben?’

‘Marjan.’

Ze legde haar hand even op mijn rug. Toen haalde ze Lotte uit de auto. Mijn dochter liep zonder schoenen langs ons naar boven. Vijftien jaar. Die ochtend had ik haar geholpen met de rits van een jurk die ze waarschijnlijk nooit meer zou aantrekken.

Toen de voordeur dichtviel, bleef ik staan.

Tijdens de afgelopen zes dagen was er steeds iemand geweest. Een arts. Een uitvaartverzorger. Mijn zus. Thomas’ broer Erik, die koffie zette en vergat water in het apparaat te doen. Nu hoorde ik de koelkast aanslaan. Boven schoof een stoel over de vloer.

Op de keukentafel lag een kassabon van de bouwmarkt. Vier pluggen. Een doos schroeven. Schuurpapier.

Thomas had op zaterdag een plank opgehangen in de bijkeuken. Ik was boodschappen gaan doen. Toen ik thuiskwam, lag hij naast de wasmand. De boormachine stond nog op de vloer.

Ik dacht eerst dat hij was gevallen.

‘Wat doe jij nou?’ had ik gezegd.

Dat was mijn eerste zin geweest. Niet zijn naam. Geen vraag of hij me hoorde. Wat doe jij nou.

De vrouw van de alarmcentrale liet me tellen. Ik duwde op zijn borst. Mijn boodschappentas stond open in de gang. Er rolde een sinaasappel uit. Die bleef tegen de plint liggen terwijl ik op mijn knieën naast mijn man zat.

Later vertelde een arts dat zijn hart plotseling was gestopt. Ze hadden het niet meer op gang gekregen.

Ik had gevraagd hoe lang ik dan weg had moeten blijven.

De arts begreep mijn vraag niet.

Ik ook niet meer.

‘Mam?’

Lotte stond onderaan de trap. Ze had een grijze joggingbroek aan en een trui van haar vader.

‘Is er eten?’

Ik keek naar de ovenschaal. Marjan had aluminiumfolie over het deksel gedaan. Met zwarte stift stond er lasagne op. Alsof er verwarring mogelijk was.

‘Over een halfuur.’

‘Ik heb nu honger.’

Ik pakte brood. De eerste boterham scheurde toen ik er boter op smeerde. De tweede ook. Daarna gooide ik het mes in de gootsteen.

Lotte keek naar mijn handen.

‘Ik doe het wel.’

We aten boterhammen met kaas aan de tafel. Zijn stoel bleef leeg. Ik wilde zeggen dat ze daar best mocht zitten. Maar ze zat goed waar ze zat. Het was mijn probleem, niet het hare.

Om negen uur vroeg ze of de televisie aan mocht.

‘Natuurlijk.’

‘Ook iets grappigs?’

Ik keek haar aan.

‘Ja. Ook iets grappigs.’

Ze koos een spelprogramma. Toen iemand struikelde, lachte ze kort. Meteen hield ze haar hand voor haar mond.

Ik deed alsof ik de afstandsbediening zocht.

Die nacht ging ik pas na tweeën naar boven. Ik poetste mijn tanden naast zijn elektrische tandenborstel. Het lampje op de oplader brandde groen. Ik trok de stekker eruit. Daarna stak ik hem weer terug.

In bed lag ik op mijn eigen helft. Mijn voeten bleven koud. Normaal duwde ik ze tegen Thomas aan, waarna hij overdreven klaagde.

Nu kwam er geen geluid.

Om kwart over drie hoorde ik iets beneden. Een droge tik. Daarna nog één.

Ik stond op en pakte mijn telefoon. In de gang bleef ik luisteren. Heel even dacht ik dat hij in de keuken was. Niet als een geest. Gewoon Thomas, die niet kon slapen en een glas water pakte.

Ik liep naar beneden.

De achterdeur bewoog in de wind. De nachtschoot zat niet dicht.

Ik draaide hem om. Controleerde hem nog eens. Daarna ging ik op de onderste traptrede zitten.

Daar vond Lotte me om zeven uur.

Hoofdstuk 2

De rode envelop

Drie weken later lag er een rode envelop tussen de reclame. Ik zag Thomas’ naam en schoof hem onder een folder van de supermarkt.

Sinds de begrafenis bestond mijn administratie uit stapels. Eén voor brieven die ik begreep. Eén voor brieven die iemand anders moest begrijpen. En één die ik niet durfde te openen.

Die laatste stapel groeide het hardst.

Thomas regelde de verzekeringen en de vaste lasten. Ik deed afspraken, schoolzaken en boodschappen. We noemden dat een handige verdeling. Nu wist ik niet eens waar de gegevens van onze hypotheek stonden.

Mijn zus kwam op dinsdag met haar laptop.

‘We doen alleen wat vandaag moet,’ zei ze.

Ze schoof de rode envelop naar zich toe.

‘Deze bijvoorbeeld.’

‘Die hoeft niet.’

‘Noor.’

‘Hij is pas dood.’

Ze legde de envelop terug. Dat vond ik nog erger dan wanneer ze hem had opengemaakt.

Ik scheurde hem zelf open.

Er stond een bedrag van 8.740 euro. Daaronder woorden als achterstand, termijn en contact opnemen. Ik las de brief drie keer. Toen legde ik hem plat op tafel.

‘Wat heeft hij gedaan?’

Marjan zei niets.

‘Wat heeft hij verdomme gedaan?’

Ik trok een la open. Pennen vielen op de grond. In de volgende la lagen handleidingen, batterijen en een oude mobiele telefoon. Geen uitleg. Geen briefje met: trouwens, Noor, er is nog iets.

Thomas was installateur geweest. Twee jaar eerder had hij zijn eigen bedrijf opgeheven en was hij in loondienst gegaan bij een firma in Duiven. Een grote opdrachtgever had niet betaald. Daar hadden we toen veel ruzie over gehad. Daarna had hij gezegd dat het geregeld was.

Ik had hem geloofd.

Marjan vond een map achter de printer. In een insteekhoes zat een betalingsregeling voor een zakelijke lening. Het openstaande bedrag klopte met de brief. Op een los vel had Thomas termijnen genoteerd. De laatste betaling was van de maand voor zijn dood.

‘Hij betaalde dus wel,’ zei ze.

‘Hij zei dat het weg was.’

Ik liep de tuin in, zonder jas. Het had geregend. Op de tuintafel stond een pot met dode basilicum. Ik pakte hem en smeet hem tegen de schutting.

De pot brak niet. Hij viel in de modder.

Dat maakte me nog bozer.

Binnen hoorde ik Marjan bellen. Ze vroeg welke afdeling over een overleden klant ging. Daarna bleef het lang stil.

Ik wilde Thomas spreken. Niet om afscheid te nemen. Ik wilde hem aan onze tafel zetten en die brief onder zijn neus duwen. Ik wilde weten waarom hij mij dit had laten uitzoeken.

Vervolgens schaamde ik me zo dat ik mijn handen voor mijn gezicht hield.

Hij lag onder de grond. Ik stond te schelden om geld.

Marjan kwam naar buiten.

‘We hoeven vandaag niets over te maken. Ze sturen informatie. En we vragen eerst advies voordat je ergens voor tekent.’

‘Ik ben kwaad op hem.’

‘Dat hoor ik.’

‘Dat kan toch niet?’

‘Het gebeurt toch.’

Ik keek naar de basilicum in de modder.

Die middag gingen we door de rest van de map. Er waren bankafschriften en verzekeringspapieren. Marjan schreef telefoonnummers op. Ik maakte foto’s van brieven. Na een uur kon ik geen bedragen meer lezen. De cijfers leken telkens van plaats te wisselen.

Toen Lotte thuiskwam, lag de hele tafel vol.

‘Gaan we verhuizen?’ vroeg ze.

‘Nee,’ zei ik meteen.

Marjan keek op.

Ik haatte die blik. Niet omdat hij streng was. Omdat ze terecht vond dat ik iets beloofde wat ik nog niet wist.

Lotte liet haar tas op de grond zakken.

‘Waarom liggen dan alle papieren hier?’

‘Omdat ik moet uitzoeken wat er binnenkomt en wat eruit gaat.’

‘Dat deed papa.’

‘Dat weet ik.’

Ze trok haar schouders op. Ik hoorde aan mijn eigen stem dat ik haar had afgesnauwd.

‘Sorry,’ zei ik. ‘Je vraagt niets verkeerds.’

Die avond zat ik met een notitieblok aan tafel. Mijn salaris van de tandartspraktijk. Mogelijk partnerpensioen. De hypotheek. Energie. Schoolkosten. Overal zette ik vraagtekens bij.

Om elf uur vond ik tussen de papieren een boodschappenlijst van Thomas.

Koffie. Vuilniszakken. Maandverband voor Lot.

Ik bleef naar die laatste regel kijken. Zijn slordige letters. De moeite die hij had gedaan om het juiste merk te onthouden.

Ik stopte het lijstje niet bij de administratie.

Ik legde het in de la naast mijn bed, boven op de rode envelop.

Hoofdstuk 3

Niet opgenomen

De eerste keer dat ik weer naar mijn werk ging, bleef ik op het parkeerterrein zitten. Het was halfacht. In de praktijk aan de Velperweg brandde al licht. Mijn collega Fatima hing haar jas op. Door het raam zag ik haar haar vastmaken.

Ik had daar twaalf jaar gewerkt. Ik wist welke la klemde. Welke patiënt flauwviel bij het woord verdoving. Hoe tandarts Jansen zijn koffie dronk.

Toch kreeg ik mijn autogordel niet los.

Mijn telefoon trilde.

Fatima: Ik zie je. Zal ik komen?

Ik typte nee. Wiste het. Typte ja.

Ze stapte zonder jas naar buiten en ging naast me zitten.

‘Je hoeft nog niet naar binnen.’

‘Ik ben toch hier.’

‘Dat zie ik.’

We bleven zitten tot de ramen besloegen. Daarna liep ik met haar mee. Ik zou twee uur eenvoudige taken doen. Geen volle behandeldag. Alleen voorraad controleren en instrumenten klaarleggen.

Na twintig minuten liet ik een metalen bakje vallen.

Het geluid sloeg door mijn lijf. Ik stond ineens weer in onze bijkeuken. De boormachine naast zijn been. De stem uit mijn telefoon die zei dat ik moest doorgaan.

Fatima raakte mijn arm aan. Ik trok hem weg.

‘Niet doen.’

Ze liet me meteen los.

In het personeelskamertje kreeg ik water. Mijn handen trilden zo dat ik het bekertje op tafel moest laten staan.

‘We bellen iemand die met je mee kan,’ zei ze.

‘Ik kan zelf rijden.’

‘Misschien. Maar nu even niet.’

Marjan haalde me op. Onderweg praatte ze over een omleiding bij het station. Ik was haar dankbaar dat ze niet vroeg hoe het ging.

Thuis opende ik voor het eerst de oproepenlijst op mijn telefoon.

Daar stond het nog.

Thomas. Zaterdag. 10.41 uur. Gemiste oproep.

Ik was bij de supermarkt in Presikhaaf geweest. Mijn telefoon zat onder in mijn tas. Ik had hem wel horen trillen, maar stond bij de zelfscan met een pak dat niet werd herkend. Daarna was ik de oproep vergeten.

Om 11.08 uur had ik 112 gebeld.

Zevenentwintig minuten.

Ik had die tijd al honderd keer uitgerekend.

Lotte kwam binnen terwijl ik naar het scherm keek.

‘Wat is er?’

Ik drukte mijn telefoon uit.

‘Niets.’

Ze bleef in de deuropening staan.

‘Waarom zeg je dat steeds?’

Ik wilde geen antwoord geven. Ze had al genoeg. Dat zei ik tegen mezelf. Ondertussen stond ze naar mijn gezicht te zoeken alsof daar iets stond wat zij moest oplossen.

‘Papa heeft me gebeld voordat ik thuiskwam,’ zei ik. ‘Ik heb niet opgenomen.’

Ze ging zitten.

‘Was hij toen al ziek?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Maar jij denkt dat wel.’

Ik knikte.

Ze keek naar haar handen.

‘Ik was bij Esmee. Ik had ook thuis kunnen zijn.’

‘Nee. Lot. Dit is niet jouw schuld.’

Ze keek op.

‘Waarom dan wel die van jou?’

Ik had geen antwoord dat ik hardop kon zeggen.

Die avond belde ik de huisarts. De assistente hoorde me drie zinnen zeggen en gaf me een afspraak voor de volgende ochtend.

Huisarts De Bruin schoof geen doos tissues naar me toe. Hij vroeg eerst of ik sliep. Of ik at. Hoe vaak ik dat beeld van de bijkeuken zag.

‘Ook als ik wakker ben,’ zei ik.

‘Juist als je wakker bent?’

Ik knikte.

Daarna vertelde ik over de oproep.

‘Misschien had hij alleen een vraag over de boodschappen,’ zei hij. ‘Misschien voelde hij zich niet goed. We weten het niet. Die gemiste oproep vertelt ons niet wanneer de hartstilstand begon.’

‘Maar als ik had opgenomen—’

‘Dan weten we nog steeds niet of de afloop anders was geweest.’

Dat was geen geruststelling waar ik iets stevigs van kon maken. Ik wilde zekerheid. Desnoods een veroordeling. Hij gaf me geen van beide.

We spraken af dat ik hulp zou krijgen voor de herbelevingen en het slechte slapen. Hij wilde me de week erop terugzien.

Buiten belde ik Lotte tijdens haar pauze.

‘Je hoeft niet op mij te letten,’ zei ik.

‘Dat doe ik toch.’

‘Ik weet het. Maar er gaan ook andere mensen helpen.’

Aan de andere kant hoorde ik stemmen uit haar schoolkantine.

‘Oké,’ zei ze.

Voor het eerst klonk dat niet als een antwoord om van me af te zijn.

Hoofdstuk 4

Waar is Lotte?

In december ruimde ik Thomas’ schoenen op. Niet omdat ik eraan toe was. Ik struikelde erover toen de bezorger aanbelde. Het pakket viel uit mijn handen en ik begon te vloeken.

Er stonden vijf paar onder de kapstok. Werkschoenen. Sportschoenen. Bruine veterschoenen. Twee paar oude gympen die hij allebei nodig vond.

Ik haalde een vuilniszak uit de keuken.

De werkschoenen waren zwaar. Er zat opgedroogde klei onder. Bij de hiel had hij een stukje stof kapotgelopen. Ik deed ze in de zak en pakte het volgende paar voordat ik kon nadenken.

Lotte kwam thuis toen ik de knoop aantrok.

‘Wat zit daarin?’

‘Schoenen.’

Ze keek onder de kapstok.

‘Van papa?’

‘Ze blijven niet voor altijd hier staan.’

‘Wie zegt dat?’

‘Lotte, ik struikel er steeds over.’

Ze trok de zak uit mijn hand. De knoop zat los. Een schoen viel op de mat.

‘Je gooit hem gewoon weg.’

‘Het zijn schoenen.’

Zodra ik het zei, wist ik dat ik fout zat. Niet omdat het geen schoenen waren. Omdat ik deed alsof dat alles was.

‘Voor jou misschien.’

Ze pakte de gympen die hij op vakantie droeg en drukte ze tegen haar jas.

‘Weet je wat?’ zei ik. ‘Zet dan alles maar terug. Laat alles maar precies zo.’

Haar gezicht veranderde. Ze werd niet rood. Ze werd stil.

Daarna liep ze naar boven.

Ik hoorde laden opengaan. Tien minuten later kwam ze naar beneden met haar rugzak.

‘Waar ga je heen?’

‘Weg.’

‘Niet zo tegen me praten.’

De deur sloeg dicht.

Ik liet haar gaan. Daar schaamde ik me later het meest voor. Ik was zo kwaad dat ik dacht: zoek het even uit.

Om zes uur stuurde ik een bericht.

Ben je bij Esmee?

Geen antwoord.

Om kwart over zes belde ik. Haar telefoon ging over. Daarna voicemail.

Ik zette twee borden op tafel. Haalde ze weer weg. Buiten werd het donker en begon het hard te regenen.

Om zeven uur belde ik Esmees moeder, Sandra.

‘Nee,’ zei ze. ‘Ze is hier niet. Ik vraag het aan Esmee.’

Ik hoorde gedempte stemmen.

‘Esmee heeft haar na school niet gezien.’

Mijn borst trok samen.

Ik zag de Rijn. Het donkere fietspad. Een ambulance met de achterdeuren open. Mijn hoofd maakte beelden waar ik niet om had gevraagd.

Ik belde Marjan.

‘Kom hierheen.’

Ze stelde geen vragen tot ze binnen was. Ik had toen drie vriendinnen gebeld en alle berichten opnieuw gelezen.

‘Wat zei ze precies?’ vroeg Marjan.

‘Dat ze wegging.’

‘Heeft ze haar fiets mee?’

Ik wist het niet. Ik rende naar de schuur. Haar fiets stond er niet.

We besloten dat ik Sandra nog één keer zou bellen en dat Marjan daarna de politie zou bellen voor advies. Ik wilde niet langer afwachten.

Toen ging de deurbel.

Lotte stond naast Erik. Haar haar plakte tegen haar wangen. Ze had Thomas’ gympen in een plastic tas.

Ik greep haar bij haar bovenarmen.

‘Waar was jij?’

Ze trok zich los.

‘Bij oom Erik.’

Hij stak zijn handen op.

‘Ze kwam net aan. Ze had eerst rondgefietst. Haar telefoon zat onder in haar tas. Toen ik hoorde dat jij niets wist, zijn we meteen gekomen.’

‘Je neemt je telefoon op,’ zei ik tegen Lotte. ‘Je laat weten waar je bent.’

‘Ja.’

‘Ik dacht—’

Ik kon de zin niet afmaken.

‘Ik ben niet dood, mam.’

Het werd stil in de gang.

Ik ging op de trap zitten. Dezelfde trede als na de begrafenis. Mijn knieën hielden me niet meer.

Lotte bleef staan. Toen zakte ze naast me neer, met ruimte tussen ons.

‘Je had het moeten vragen,’ zei ze.

‘Ja.’

‘Over die schoenen.’

‘Ja. Dat had ik moeten doen.’

Ik vertelde haar niet dat ik gek werd van al zijn spullen. Niet op dat moment. Ik vroeg welke ze wilde bewaren.

‘Deze,’ zei ze. ‘De rest weet ik nog niet.’

Erik zette thee. Marjan belde Sandra terug. In de gang maakten Lotte en ik de zak weer open.

We spraken af dat we voorlopig niets van hem wegdeden zonder overleg. Ook spraken we af dat boos weggaan mocht, maar verdwijnen niet.

Die avond zette ik de werkschoenen in een krat in de schuur.

Lotte zette de gympen onder haar bed.

Hoofdstuk 5

Aan de lange tafel

De lotgenotengroep zat in een buurthuis in Arnhem-Zuid. Ik kwam te vroeg en bleef buiten staan bij een fietsenrek. Door het raam zag ik een lange tafel, een schaal koekjes en acht stoelen.

Ik wilde geen vrouw worden die op woensdagavond in een kring over haar overleden man praatte.

Maar ik was ook moe van de vrouw die iedere woensdagavond alleen de televisie aanzette om het huis niet te horen.

Binnen vroeg een vrijwilliger hoe ik heette.

‘Noor.’

‘Ik ben Ria. Koffie of thee?’

Geen zachte stem. Geen schuin gehouden hoofd. Gewoon een vraag.

‘Koffie.’

Naast me zat een man met een fietshelm op schoot. Hij heette Henk. Zijn vrouw was elf maanden dood. Aan de overkant zat Aylin, die haar partner na een lang ziekbed had verloren.

Toen ik aan de beurt was, zei ik Thomas’ naam en de datum waarop hij was gestorven. Daarna wist ik niets meer.

Ria wachtte even.

‘Je mag het daarbij laten.’

Dus dat deed ik.

Henk vertelde dat hij vorige week ruzie had gemaakt bij de bakker. De verkoopster had gevraagd of hij weer eens iets leuks ging doen.

‘Ik vroeg of zij misschien een programma voor me had,’ zei hij.

Aylin snoof in haar koffie.

Ik moest lachen. Harder dan de opmerking verdiende. Daarna schrok ik van mezelf.

Niemand keek verontwaardigd.

Later vertelde ik over de schoenen. Over de schuld. Over de boterhammen op de dag van de begrafenis.

‘En soms ben ik gewoon kwaad dat hij er niet is,’ zei ik. ‘Niet verdrietig. Kwaad. Omdat de afvoer verstopt zit. Omdat ik naar een ouderavond moet. Omdat hij nergens meer antwoord op geeft.’

‘Gisteren was ik kwaad om een dekbedovertrek,’ zei Henk.

Hij trok zijn schouders op.

‘Tweepersoons. Ik kreeg die verrekte hoeken niet goed.’

Op de terugweg huilde ik bij een rood verkeerslicht. Niet omdat het erger was geworden. Ik had twee uur niet hoeven uitleggen waarom een gewoon voorwerp me onderuit kon halen.

Thuis zat Lotte aan de keukentafel met wiskunde.

‘Hoe was het bij de dode-mannenclub?’

Ik hing mijn jas op.

‘Er waren ook dode vrouwen.’

Ze keek op. Toen lachten we allebei.

De volgende ochtend kwam de brief over het partnerpensioen. Een week later hadden Marjan en ik een gesprek met een financieel adviseur. Hij nam de stukken door die ik al die tijd alleen maar had verplaatst.

De uitkering van een overlijdensrisicoverzekering kon een deel van de hypotheek aflossen. Voor de oude zakelijke schuld werd, na controle van de papieren, een haalbare regeling getroffen. Mijn inkomen en het pensioen waren samen genoeg om voorlopig in het huis te blijven.

Er bleef weinig ruimte over.

‘Maar u hoeft niet onder druk te verkopen,’ zei de adviseur.

Ik vroeg hem het nog een keer te zeggen.

Daarna zat ik op het toilet van zijn kantoor en huilde met mijn jas aan. Geld had Thomas niet teruggebracht. Maar die middag hoefde ik Lotte niet te vertellen dat ze ook haar kamer zou verliezen.

In januari begon ik bij een psycholoog, Saskia. We werkten aan de beelden van de reanimatie. Dat was zwaar. Soms sliep ik na een afspraak de hele middag. Soms was ik boos dat praten en behandelen ook energie kostten die ik niet had.

Saskia vroeg wat ik deed wanneer het beeld opkwam.

‘Wegdrukken.’

‘Helpt dat?’

‘Nee.’

We oefenden met terugkomen in de kamer waar ik werkelijk was. Mijn voeten op de vloer. De datum noemen. Om me heen kijken. Geen wondermiddel. Wel iets wat ik om drie uur ’s nachts kon proberen.

Langzaam ging ik vier uur per week werken. Daarna zes. Fatima vroeg niet iedere ochtend hoe het ging. Soms zei ze alleen dat de handschoenen bijna op waren. Ik vond het prettig dat ik weer ergens voor nodig was zonder dat het om mijn verdriet draaide.

Op een vrijdag fietste ik langs de bakker op de Steenstraat. Ik kocht twee gevulde koeken.

Bij de deur draaide ik me bijna om voor een derde.

Thuis aten Lotte en ik ze op. Ik vertelde waarom ik zo stil was.

‘Ik tel hem ook nog mee,’ zei ze.

Ze brak een stuk van haar koek af. We bleven aan tafel zitten tot het buiten donker werd.

Hoofdstuk 6

De bijkeuken

In maart ging de wasmachine kapot. Het water liep niet weg. Ik stond met een emmer bij de deur van de bijkeuken en durfde niet verder.

Sinds Thomas’ dood deed ik daar alleen het noodzakelijke. Was erin. Was eruit. Niet naar de hoek naast de kast kijken. Niet naar de plank die hij nog had afgemaakt.

De boormachine stond inmiddels bij Erik. Daar had ik om gevraagd. Toch zag ik hem soms nog liggen.

Ik belde een monteur. Daarna belde ik af.

De gedachte dat een vreemde precies op die plek zou knielen, was te veel.

Die avond waste ik ondergoed met de hand in de badkamer. Lotte kwam binnen voor haar tandenborstel.

‘Waarom laat je hem niet maken?’

‘Dat komt nog.’

Ze keek naar de emmer.

‘Mam.’

Ik ging op de badrand zitten.

‘Ik vind die ruimte moeilijk.’

‘Ik ook.’

Dat had ze niet eerder gezegd. Ik had aangenomen dat alleen ik de bijkeuken zag zoals hij die zaterdag was geweest. Lotte was pas thuisgekomen toen de ambulance er al stond. Maar zij had andere beelden. De buurvrouw bij de voordeur. Mijn blouse die scheef dichtzat. Mensen die zacht gingen praten zodra ze binnenkwam.

‘Ik wist het meteen,’ zei ze. ‘Niemand zei het nog. Maar ik wist het.’

Ik schoof op zodat ze naast me kon zitten.

‘Het spijt me dat je zo thuiskwam.’

‘Jij kon daar ook niets aan doen.’

Dat kon ze makkelijker zeggen dan ik.

Bij Saskia vertelde ik over de kapotte wasmachine. We maakten een kleine afspraak. Ik zou niet meteen de hele ruimte opruimen. Eerst alleen binnenstaan, met iemand erbij. De deur open. Zelf bepalen wanneer het genoeg was.

Zaterdag kwam Erik. Hij had geen gereedschap bij zich. Dat had ik uitdrukkelijk gevraagd.

We stonden samen op de drempel.

‘Zeg maar wat ik moet doen,’ zei hij.

‘Niets.’

Hij knikte.

Ik zette één voet op de tegels. Daarna de andere. Mijn hart ging snel. De wasmachine rook muf. Op de plank stond een ongeopend pak wasmiddel.

Ik keek naar de vloer.

Daar lag nu niets.

‘Ik ben thuis,’ zei ik zacht. ‘Het is zaterdag. Het is maart.’

Erik keek me niet aan. Hij liet me praten.

Na twee minuten liep ik naar buiten. Ik was bezweet alsof ik had hardgelopen.

We dronken koffie in de tuin. Erik roerde terwijl er geen suiker in zijn kop zat.

‘Ik mis zijn telefoontjes,’ zei hij.

‘Waarover belde hij?’

‘Onzin. Een busje dat hij had gezien. Een klant die een thermostaat achter een gordijn had gehangen.’

Hij glimlachte en begon toen te huilen. Zonder geluid. Hij veegde met zijn mouw over zijn gezicht.

Ik had hem vooral gezien als degene die dingen kwam oplossen. Voor het eerst vroeg ik hoe het met hém ging.

‘Slecht,’ zei hij. ‘Niet altijd. Vaak wel.’

Een week later kwam de monteur. Fatima zat bij mij in de keuken. Ik hoorde gereedschap op de tegels. Mijn adem schoot omhoog, maar ik bleef zitten. Het bleek een vastgelopen pomp. De monteur liet een munt en een krom haarspeldje zien.

‘Deze hebben ruzie gemaakt,’ zei hij.

Ik betaalde en bedankte hem. Toen hij weg was, zette ik zelf een was aan.

In april pakten Lotte en ik Thomas’ kleding uit de kast. We hadden dozen klaargezet. Bewaren. Weggeven. Nog niet.

Die laatste doos zat als eerste vol.

In de zak van zijn winterjas vond ik een parkeerticket uit Nijmegen en een pepermunt zonder papiertje. Ik ging op bed zitten met die twee dingen in mijn hand.

Lotte trok een oud T-shirt over haar eigen trui.

‘Deze houd ik.’

‘Goed.’

‘Vind je dit raar?’

‘Nee.’

We deden die middag één plank en zes hangers. Daarna waren we klaar, ook al was de kast dat niet.

Beneden aten we diepvriespizza. Ik merkte pas na een halfuur dat ik niet aan Thomas had gedacht.

Meteen voelde ik schuld.

Ik wilde terug naar boven om iets van hem vast te pakken. In plaats daarvan bleef ik zitten en luisterde naar Lotte, die vertelde over een leraar die zijn eigen proefwerk kwijt was.

Die avond lachte ik zonder mijn hand voor mijn mond te doen.

Hoofdstuk 7

Een tweede sleutel

Op de eerste sterfdag regende het. Ik was om zes uur wakker en keek meteen op de klok. Daarna legde ik mijn telefoon met het scherm naar beneden.

Ik wilde niet de hele ochtend terugtellen naar 10.41 uur.

Lotte kwam om acht uur mijn kamer binnen. Ze was inmiddels zestien. Onder haar arm hield ze een map met foto’s die Erik voor ons had laten afdrukken.

‘Gaan we straks?’ vroeg ze.

‘Als jij wilt.’

‘Ik wil niet de hele dag bij het graf blijven.’

‘Ik ook niet.’

We ontbeten met broodjes uit de oven. Dat had Thomas altijd op zondag gedaan, ook als hij ze vergat en de onderkant zwart werd. Ik haalde ze op tijd eruit. Daar hoefde ik geen betekenis aan te geven. Ze waren gewoon gaar.

Op Moscowa stonden plassen op het pad. Lotte droeg zijn oude gympen. Ze waren te groot, maar ze had dikke sokken aan.

Bij het graf haalde ik bladeren tussen de planten vandaan. Zijn naam stond er nu op een steen. De eerste maanden was er een tijdelijk bordje geweest. Ik had gedacht dat de steen het werkelijker zou maken. Dat gebeurde niet. Het was al werkelijk genoeg.

Lotte vertelde over haar nieuwe klas. Ik stond naast haar en luisterde.

Daarna zei ze: ‘Ik weet niet wat ik verder moet zeggen.’

‘Dan zeggen we niets.’

Na tien minuten gingen we weg.

Bij een café in de stad bestelden we warme chocolademelk. Aan de tafel naast ons maakte een stel ruzie over een parkeerapp. Even kon ik ze niet verdragen. Hun gewone ergernis. De vanzelfsprekendheid waarmee ze aannamen dat er straks nog tijd was om het goed te maken.

Toen zag ik dat de vrouw huilde.

Ik keek weg. Ik wist niets van hen.

Thuis kwamen Marjan en Erik. Geen herdenkingsprogramma. Geen kaarsen die op een bepaald moment aan moesten. We zetten eten op tafel en bekeken de foto’s.

Op één ervan stond Thomas op een camping bij Ommen. Hij droeg een zwembroek, wandelschoenen en een theedoek over zijn schouder.

‘Wat een verschijning,’ zei Marjan.

Lotte lachte zo hard dat ze haar drinken morste.

Even later huilde ze. Erik schoof een keukenrol naar haar toe. Niemand probeerde het ene gevoel met het andere te stoppen.

Een jaar na zijn dood was niet alles beter. Ik controleerde de achterdeur nog te vaak. Bij een ambulance liet ik soms mijn boodschappen staan. De oude schuld werd nog iedere maand afgeschreven. Daar kon ik nog steeds boos om worden.

Maar ik werkte weer drie ochtenden. Ik sliep meestal in bed in plaats van op de bank. Lotte sprak met iemand via school en sprak soms met mij. Ze had ook dingen die ze liever met vriendinnen besprak. Dat vond ik een goed teken, al moest ik eraan wennen.

De week na de sterfdag kwam een slotenmaker voor de voordeur. Het slot haperde al jaren. Thomas had het steeds gesmeerd. Ik had het maanden laten zitten omdat ik niet wist wie ik moest bellen en omdat ieder klusje te groot leek.

Nu stond ik naast de monteur terwijl hij de deur afstelde.

‘Probeer eens,’ zei hij.

De sleutel draaide soepel.

Ik kreeg drie nieuwe sleutels. Eén voor mij. Eén voor Lotte. De derde legde ik eerst op tafel.

Die avond gaf ik hem aan Marjan.

‘Voor als het nodig is,’ zei ik.

‘Ook als je gewoon koffie wilt?’

‘Dan bel je eerst.’

Ze grijnsde en schoof hem aan haar sleutelbos.

In juni ging Lotte een weekend met Esmee mee naar Zeeland. Ik had er weken tegen opgezien. Twee nachten alleen in het huis. Geen voetstappen boven. Geen schooltas in de gang.

Vrijdagavond zwaaide ik haar uit. Daarna liep ik naar binnen. Ik voelde meteen hoe stil het was.

Ik zette geen televisie aan.

Ik maakte eten voor mezelf. Aardappels, spinazie, een gebakken ei. Later belde ik Henk uit de groep. We spraken af om de volgende ochtend langs de Rijn te wandelen.

Voor het slapen ging ik even in de bijkeuken staan. Op Thomas’ plank lagen schone handdoeken. Ik pakte er één en deed het licht uit.

Boven zette ik het raam op een kier. Ik miste hem. Ik wilde nog steeds dat hij naast me lag.

Toch zette ik de wekker. Om halfnegen moest ik opstaan. Er wachtte iemand bij de brug.