Naar de inhoud
Terug naar het boek

Mantelzorg en ouder worden

Vergeten hoe je moet koken

Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.

Hoofdstuk 1

De lege pan

De pan stond op het grootste vuur. Er zat niets in. Mijn moeder hield een aardappel boven de rook en keek alsof ze wachtte tot iemand haar vertelde wat ze ermee moest doen.

‘Mam. Leg neer.’

Ze draaide haar hoofd. ‘Je hoeft niet zo te schreeuwen, Marieke.’

Ik draaide het gas uit. De bodem van de pan was blauw uitgeslagen. Op het aanrecht lagen zes geschilde aardappelen. In de gootsteen lag de telefoon tussen de schillen.

‘Waarom ligt die daar?’

‘Die ging steeds.’

Ik wilde zeggen dat ik dat was geweest. Vier keer. Maar eerst zette ik het raam open. Buiten reed een bus door de natte straat. Een vrouw met een kinderwagen keek omhoog naar de keuken van mijn moeder, op de eerste verdieping van een portiekflat in Zwolle.

Mijn moeder begon de aardappel te schillen die ze al geschild had.

Ik pakte voorzichtig haar pols.

‘We bestellen iets.’

‘Onzin. Het is bijna klaar.’

Ze was negenenzeventig. Tot een jaar eerder kookte ze op zondag voor acht mensen zonder iets op te schrijven. Draadjesvlees. Stoofperen. Aardappelkroketjes voor mijn zoon Sam, omdat hij gewone aardappelen kinderachtig vond. Nu stond ze met een mesje boven een bleke knol en wist ze niet verder.

Ik was tweeënvijftig en werkte vier dagen per week bij een woningcorporatie. Ik kon lekkages regelen, boze huurders terugbellen en een planning omgooien als iemand ziek was. Voor dit probleem had ik geen formulier.

‘Is dit vaker gebeurd?’ vroeg ik.

‘Wat?’

Ik wees naar de pan.

‘Die is oud.’

In de koelkast vond ik drie geopende pakken melk. Een daarvan was dik. Achter een bakje smeerkaas lag gehakt dat negen dagen over de datum was. Ik gooide het weg terwijl mijn moeder naar de woonkamer liep.

‘Niet alles weggooien. Ik ben niet rijk.’

Ik knoopte de vuilniszak dicht. Op de eettafel lag een aanmaning van de energiemaatschappij. Daarnaast lagen zeven ongeopende enveloppen en een verjaardagskaart die ik haar twee maanden eerder had gegeven.

Ik had de losse dingen wel gezien. Een dubbele afspraak. Een verdwenen pinpas. Een verhaal dat ze opnieuw vertelde. Ik had ze telkens apart gehouden. Ouderdom. Slecht slapen. Verdriet om mijn vader, die drie jaar dood was.

Samen pasten ze niet meer in die uitleg.

We aten nasi uit plastic bakjes. Mijn moeder schoof de stukjes ei naar de rand.

‘Je vader komt laat,’ zei ze.

Mijn vork bleef boven mijn bakje hangen.

‘Papa is dood, mam.’

Ze keek me aan. Eerst boos. Daarna bang.

‘Dat weet ik toch.’

Ze stond op en liep naar de keuken. Ik hoorde een kastje dichtgaan. Toen nog een. Ik volgde haar niet. Ik schaam me daar nog steeds voor. Ik bleef zitten omdat ik even niet wilde zien wat er gebeurde.

Mijn broer Peter nam pas bij de derde poging op. Hij woont in Amersfoort en werkt als accountmanager. Op de achtergrond hoorde ik een richtingaanwijzer.

‘Ze wordt vergeetachtig,’ zei hij.

‘Ze had een lege pan op hoog vuur.’

‘Dat overkomt iedereen.’

‘En ze wacht op papa.’

Het tikken stopte.

‘O.’

Ik vroeg of hij zaterdag kon komen. Hij moest naar een wedstrijd van zijn dochter. Misschien zondagmiddag.

Toen ik ophing, stond mijn moeder in de deuropening.

‘Je praat over mij.’

‘Ik maak me zorgen.’

‘Dan moet je minder vaak komen.’

Haar stem was scherp. Ik kende die stem. Daarmee had ze vroeger een fietsenmaker aangesproken die mij voor een reparatie liet betalen zonder iets te repareren. Het was de stem waarmee ze mij verdedigde. Nu stond ik aan de verkeerde kant.

Ik bleef tot ze naar bed ging. Daarna draaide ik het gaskraantje onder het aanrecht dicht. Ik vertelde het haar niet.

Thuis trok ik mijn jas niet uit. Ik ging op de trap zitten en belde mijn man, Erik, die boven de was ophing.

Hij kwam naar beneden met een natte sok in zijn hand.

‘Wat is er?’

‘Ik denk dat mijn moeder niet meer weet hoe ze moet koken.’

Dat hardop zeggen maakte het erger. En duidelijker. Erik ging naast me zitten. Mijn telefoon lag tussen ons in. Ik zette een wekker voor acht uur. Dan ging de huisartsenpraktijk open.

Hoofdstuk 2

De gesloten deur

Mijn moeder deed de ketting niet van de deur.

‘Ik ga niet mee.’

Door de kier zag ik haar oog en een stukje van haar blauwe vest. Ik had vrij genomen voor de afspraak bij huisarts Van Dijk. Mijn moeder had de avond ervoor gezegd dat het goed was. Ze wilde zelf ook weten waarom ze zo slecht sliep.

‘We zouden je medicijnen bespreken,’ zei ik.

‘Ik slik niks verkeerd.’

‘Dat zeg ik niet.’

‘Je behandelt me alsof ik achterlijk ben.’

Beneden klapte de portiekdeur. Een buurman kwam langs met een boodschappentas. Ik ging opzij. Mijn moeder bleef achter de ketting staan tot hij boven was.

Toen zei ik: ‘Ik ben bang dat je brand krijgt.’

Ze keek naar de vloer.

‘Je had het gas uitgezet.’

‘Ja.’

‘Ik dacht dat de boel kapot was. Ik heb de buurvrouw gevraagd.’

Daar had ik niet aan gedacht. Natuurlijk zou ze hulp zoeken. Natuurlijk was een dichtgedraaide kraan geen oplossing als zij niet wist waarom hij dicht was.

Ik bood mijn excuses aan. Niet omdat ik het gas had uitgezet, maar omdat ik het stiekem had gedaan. Ze liet me binnen. Tien minuten later zat ze naast me in de auto, met haar handtas stevig tegen haar buik.

Bij de huisarts vertelde ze dat alles prima ging. Ze deed boodschappen. Ze kookte. Ze hield haar huis netjes.

Van Dijk keek niet meteen naar mij.

‘Wat heeft u gisteren gegeten, mevrouw De Boer?’

‘Gewoon. Warm.’

‘Wat was het?’

‘Moet ik dat soms bijhouden?’

Ik zag haar vingers aan de sluiting van haar tas trekken.

De huisarts vroeg of hij mijn aantekeningen mocht lezen. Ik had drie velletjes meegenomen. Tijdens het schrijven had ik gehuild om de zakelijkheid ervan. Telefoon in gootsteen. Gehakt bedorven. Vraagt naar overleden echtgenoot.

Mijn moeder staarde naar het papier.

‘Je hebt een dossier over me.’

‘Ik vergeet anders wat ik moet zeggen.’

Ze lachte kort. Niet vriendelijk.

Er volgden bloedonderzoek en een verwijzing naar de geheugenpoli in Isala. Er kwam geen antwoord die ochtend. Wel een afspraak dat de huisarts contact zou opnemen met de wijkverpleging. Mijn moeder vond dat overdreven. Ik vond het tegelijk te veel en te weinig.

Die zondag kwam Peter. Hij bracht bloemen mee en deed alsof we gewoon koffie kwamen drinken.

‘Nou, ma. Marieke zegt dat je ons een beetje laat schrikken.’

‘Marieke maakt zich overal druk om.’

Ze knipoogde naar hem. Ik voelde iets lelijks in mijn buik. Zij waren ineens samen, en ik was degene met de lijst.

Peter bleef twee uur. Mijn moeder vertelde over vroeger. Over de winkel in Assendorp waar ze had gewerkt. Over een klant die steevast op vrijdag een overhemd kwam ruilen. Ze vertelde vlot. Hij lachte.

In de keuken zei hij zacht: ‘Ze komt eigenlijk heel goed over.’

Ik zette mijn kopje harder neer dan nodig was.

‘Blijf dan tot morgen.’

‘Dat kan niet.’

‘Nee. Precies.’

Hij keek gekwetst. Ik liet hem zo staan.

Na zijn vertrek trof ik mijn moeder bij de kapstok. Ze had haar winterjas over haar nachtjapon aangetrokken. Het was halfzes. Ze wilde naar de winkel omdat er niets te eten was.

Op tafel stond de ovenschotel die Peter had meegenomen.

‘O ja,’ zei ze toen ik ernaar wees.

Ze trok haar jas uit en begon te huilen. Zonder geluid. Haar gezicht bleef bijna stil.

‘Ik raak het kwijt,’ zei ze.

Ik sloeg mijn armen om haar heen. Ze voelde kleiner dan vroeger. Onder mijn hand voelde ik haar schouderblad.

‘Wat raak je kwijt?’

‘Hoe het moet.’

Ik zei dat we hulp gingen regelen. Het klonk stevig. Ik wist niet eens wie ik maandag moest bellen.

Die avond maakte ik een rooster. Boodschappen. Eten. Medicijnen ophalen. Afspraken. Ik zette mijn eigen naam bijna overal neer. Bij zondag schreef ik Peter, met een vraagteken.

Toen stuurde ik hem een bericht over de jas en de ovenschotel. Ik typte ook: Zie je nou wel.

Dat haalde ik weg.

Ik stuurde: Ik kan dit niet alleen. Kies twee vaste taken. Niet helpen als het uitkomt. Vast.

Hij antwoordde pas de volgende ochtend.

Dinsdag administratie. Zondag eten. Ik bel je vanavond.

Hoofdstuk 3

Een woord op papier

Op de geheugenpoli moest mijn moeder een klok tekenen. Ik zat in de wachtkamer en wist dat pas later. Ze vertelde het alsof iemand haar een rare grap had laten uitvoeren.

‘Alsof ik geen klok ken.’

Ze had de cijfers aan één kant gezet. Dat vertelde de arts ons tijdens het uitslaggesprek, een paar weken later. Er waren meer onderzoeken geweest. Gesprekken. Een scan. Vragen die mijn moeder kwaad maakten omdat ze het antwoord bijna wist.

De arts sprak rustig. Het beeld paste bij de ziekte van Alzheimer. Ze legde uit waar die conclusie op gebaseerd was en wat nog onzeker bleef. Ik hoorde vooral één woord.

Alzheimer.

Mijn moeder haalde een pepermunt uit haar tas. Het papiertje kraakte.

‘Dus ik word zoals mijn zus.’

Haar zus was jaren geleden overleden in een verpleeghuis. Mijn moeder had haar iedere woensdag bezocht. Soms kwam ze thuis met een volle trommel koekjes, omdat haar zus niet meer wilde eten.

‘Niet iedereen doorloopt hetzelfde,’ zei de arts.

‘Maar beter wordt het niet.’

‘Nee.’

Ik was dankbaar dat ze dat niet mooier maakte.

Op de parkeerplaats kon ik mijn auto niet vinden. Mijn moeder liep zwijgend achter me aan. Ik drukte drie keer op de afstandsbediening voordat ergens lampen knipperden.

‘Jij moet ook maar zo’n test,’ zei ze.

Ik schoot in de lach. Zij ook. Het duurde maar even, maar ik kon weer ademhalen.

Een week later kwam Nadine, de casemanager dementie. Ze trok haar schoenen uit omdat het regende en mijn moeder net had gedweild. Dat hielp meer dan haar hele voorstelronde.

‘U beslist mee,’ zei Nadine. ‘We kijken wat lukt en waar ondersteuning nodig is.’

‘Ik wil hier blijven.’

‘Dat begrijp ik.’

‘Dat zegt iedereen voordat ze je ergens instoppen.’

Nadine antwoordde niet meteen. Ze vroeg waar mijn moeder graag zat. Bij het raam, bleek. Daar kon ze zien wie naar de bakker ging. Ze vroeg wat mijn moeder miste. Mijn vader. Werk. Een reden om vroeg op te staan.

Ik had al weken vooral gevraagd of ze gegeten had.

We regelden maaltijdbezorging en ochtendzorg voor haar medicijnen. Peter maakte met haar een afspraak bij de bank om de administratie goed te regelen zolang ze daar nog over kon beslissen. We vervingen het gasfornuis niet door iets ingewikkelds. Koken zou voortaan samen gebeuren. Mijn moeder stemde daar die middag mee in.

De volgende dag belde ze dat er vreemden aan haar geld zaten.

Ik reed naar haar toe. Peter had twee automatische betalingen ingesteld. Ik legde het uit. Daarna nog een keer. Mijn moeder bleef kijken naar haar bankafschrift.

‘Ik ben niet gek.’

‘Dat zegt niemand.’

Maar mijn stem klonk moe. Zij hoorde dat eerder dan ik.

Op mijn werk begon ik fouten te maken. Ik stuurde een aannemer naar het verkeerde adres. Ik vergat een overleg. Mijn leidinggevende, Saskia, vroeg of ik tijdelijk minder dossiers wilde.

‘Het gaat wel,’ zei ik.

Op dat moment trilde mijn telefoon. Mijn moeder. Ik drukte haar weg. Meteen belde ze opnieuw.

Saskia schoof een doos tissues naar me toe. Dat maakte me kwaad. Ik wilde geen tissues. Ik wilde dat iemand twee extra dagen in de week maakte.

Die avond zat ik tegenover Sam. Hij was zestien en had een brief van school naast zijn bord gelegd. Een ouderavond. Die was gisteren geweest.

‘Je had gezegd dat je kwam.’

‘Het spijt me.’

‘Ja.’

Hij pakte zijn bord en liep naar de keuken. Niet boos genoeg om me terug te laten vechten. Alleen teleurgesteld.

Later vond Erik me boven met mijn laptop. Ik zocht naar alarmsystemen, maaltijdschema’s en verlofregelingen.

‘Je moet stoppen voor vandaag,’ zei hij.

‘Dat kan niet.’

‘Je moeder slaapt.’

‘Dat weet ik niet.’

Hij ging op de rand van het bed zitten.

‘Nee. Dat weet je inderdaad niet. En dat ga je vannacht ook niet zeker weten.’

Ik klapte de laptop dicht. Ik sliep nauwelijks. Bij ieder geluid dacht ik dat mijn telefoon ging.

De volgende ochtend belde Nadine. Ze vroeg niet hoe het met mijn moeder ging.

‘Hoe gaat het met jou, Marieke?’

Ik wilde automatisch goed zeggen.

In plaats daarvan zei ik: ‘Ik durf niet meer onbereikbaar te zijn.’

Hoofdstuk 4

Het rode portiek

Mijn telefoon ging om kwart over tien ’s avonds. Ik stond onder de douche. Erik bracht hem naar de badkamer en trok zonder iets te zeggen het douchegordijn opzij.

Een onbekend nummer.

‘Met Ellen, van hiernaast. Je moeder heeft aangebeld. Ze zoekt je vader.’

Ik draaide het water uit.

‘Is ze bij u?’

‘Nu wel. Ze heeft geen schoenen aan.’

Ik trok een broek aan over mijn natte benen. Onderweg reed ik een afslag voorbij. Mijn handen zaten zo strak om het stuur dat ze pijn deden.

Mijn moeder zat bij buurvrouw Ellen op de bank. Ze droeg sokken, een rok en de winterjas van mijn vader. Ellen had die jas dichtgeknoopt. Op tafel stond thee.

‘Daar ben je,’ zei mijn moeder. ‘We moeten weg.’

‘Waarheen?’

‘Henk heeft zijn sleutel niet.’

Ik hurkte voor haar neer. Eerder had ik haar verteld dat mijn vader dood was. Iedere keer kwam dat nieuws opnieuw binnen. Deze keer probeerde ik iets anders.

‘Je maakt je zorgen om hem.’

‘Hij staat buiten.’

‘Ik ga met je mee. Eerst je schoenen.’

In haar flat zag ik dat de voordeur openstond. In de gang lag een omgekeerde stoel. Ze had hem waarschijnlijk gebruikt om bij een kastplank te komen. Ik wist het niet. Zij kon het niet vertellen.

Ik bleef slapen op de bank. Om twee uur kwam ze vragen waarom ik daar lag. Om drie uur trok ze de gordijnen open. Om vijf uur was ze boos omdat ik haar tegenhield toen ze naar beneden wilde.

‘Dit is mijn huis.’

‘Ik weet het.’

‘Ga dan weg.’

Tegen de ochtend was ik zo moe dat ik begon te schreeuwen.

‘Ik probeer je veilig te houden!’

Ze kromp ineen.

Ik zie dat nog. Niet de stoel. Niet de open deur. Haar schouders die omhooggingen toen ik schreeuwde.

Ik ging in de badkamer zitten en deed de deur dicht. Daar belde ik Peter. Het was zes uur.

‘Je moet komen.’

‘Wat is er?’

‘Ik trek het niet.’

Hij kwam om halfacht. Voor het eerst gaf ik geen instructies. Ik pakte mijn tas en liep weg.

De huisarts onderzocht mijn moeder die ochtend. Er was geen duidelijke lichamelijke oorzaak voor de onrust. Nadine kwam de volgende dag. We bespraken extra zorg, een deurmelder en dagbesteding. Geen van die dingen maakte de nachten vanzelf veilig. Daar was ze duidelijk over.

Mijn moeder wilde geen dagbesteding. Peter noemde het een koffieochtend. Nadine schudde haar hoofd.

‘We kunnen het eenvoudig uitleggen. Maar we gaan haar niet met een smoes ergens achterlaten.’

Na veel praten stemde mijn moeder in met een proefdag bij een kleine dagopvang in Zwolle-Zuid. Ze mocht helpen bij de lunch. Dat vond ze beter klinken dan activiteiten.

De eerste ochtend reed ik achter het busje aan. Ik had afgesproken dat ik dat niet zou doen. Toch deed ik het.

Ik zag hoe een medewerker haar binnen begeleidde. Mijn moeder keek niet om.

Ik bleef een kwartier in mijn auto zitten. Daarna reed ik naar huis en sliep drie uur.

’s Middags kwam ze terug met een zakje koekjes.

‘Voor Sam,’ zei ze.

‘Hoe was het?’

‘Een hoop oude mensen.’

‘En de lunch?’

‘Ze snijden de komkommer veel te dik.’

Die avond at ze haar maaltijd zonder protest. Ik durfde bijna opgelucht te zijn.

Twee weken later belde de politie.

Een agent had mijn moeder aangetroffen bij het huis waar we vroeger woonden, in een andere wijk. Ze had aangebeld en was boos geworden toen onbekende mensen opendeden. Ze wist haar eigen adres niet. In haar jaszak zat een kaartje met mijn telefoonnummer.

Toen ik aankwam, stond ze naast de politieauto. Achter haar was het portiek rood geverfd. Vroeger was het grijs geweest.

‘Ze hebben alles veranderd,’ zei ze.

Ik nam haar hand. Haar vingers waren koud.

In de auto vroeg ze of ik haar naar huis bracht.

‘Ja,’ zei ik.

Maar ik wist niet meer welk huis ik bedoelde. En ik wist voor het eerst zeker dat mijn rooster niet genoeg was.

Hoofdstuk 5

Niet nog een nacht

Peter schoof zijn stoel achteruit toen ik zei dat we een verpleeghuis moesten gaan zoeken.

‘Dat is wel heel snel.’

We zaten bij mij aan de keukentafel. Er lagen geen koekjes. Ik had zelfs geen koffie gezet. Mijn moeder was op de dagopvang. We hadden twee uur voordat het busje haar terugbracht.

‘Ze is twee keer ’s nachts buiten geweest,’ zei ik. ‘En vorige week overdag.’

‘Dan moet er meer toezicht komen.’

‘Wie?’

‘Professioneel.’

‘Welke uren?’

Hij wreef over zijn voorhoofd. Ik pakte het rooster en draaide het naar hem toe. Wijkzorg kwam kort voor de medicijnen. Dagopvang was er drie dagen. Ellen hield soms een oogje in het zeil. Ik was er dagelijks. Toch bleven er veel uren over.

‘Jij woont dichterbij,’ zei hij.

Het was eruit voordat hij erover nadacht.

‘Ja. Niet omdat ik me heb aangemeld voor iedere nacht.’

Hij keek naar het papier.

‘Dat bedoel ik niet.’

‘Maar daar komt het wel op neer.’

We zwegen. Buiten gooide iemand een glasfles in een container. Het geluid was hard en kort.

Peter trok het rooster naar zich toe.

‘Ik blijf komend weekend bij haar. Vrijdag tot maandag. Jij gaat niet langs.’

Ik wilde meteen uitleggen waar alles lag. Hoe laat de zorg kwam. Welke beker ze prettig vond. Hij stak zijn hand op.

‘Schrijf het op. Daarna neem ik het over.’

Vrijdagavond reed ik met Erik naar een huisje bij Ommen. Het was zijn voorstel. Ik vond het belachelijk om zo dichtbij weg te gaan. Verder weg durfde ik niet.

In het restaurant keek ik steeds onder tafel naar mijn telefoon. Erik liet het een tijdje gebeuren.

‘Wil je hier eigenlijk zijn?’

‘Ja.’

‘Kijk dan even naar me.’

Ik legde de telefoon naast mijn bord, met het scherm omlaag. Dat was het beste wat ik kon.

Zondagochtend belde Peter. Ik nam op voordat de tweede trilling kwam.

‘Alles goed?’ vroeg ik.

Hij ademde hoorbaar uit.

‘Nee. Niet echt.’

Mijn moeder had hem niet herkend toen hij ’s nachts uit de badkamer kwam. Ze had gedacht dat er een vreemde man in huis was. Ze had met haar tas naar hem geslagen.

‘Ik ben niet gewond,’ zei hij snel. ‘Maar ze is zo bang, Mariek.’

Ik ging op de rand van het bed zitten.

‘Ja.’

‘Dat had je gezegd.’

‘Ja.’

‘Ik had beter moeten luisteren.’

Ik huilde pas nadat we hadden opgehangen. Niet omdat hij ongelijk had gekregen. Omdat ik hem eindelijk niet meer hoefde te overtuigen.

Met Nadine bespraken we de mogelijkheden. Er werd een aanvraag gedaan bij het CIZ voor langdurige zorg. Daarna volgden gesprekken over een plek en de periode die we moesten overbruggen. Er was niet meteen een kamer. We kregen extra ondersteuning, maar geen wonderoplossing.

Mijn moeder zei soms dat ze wel ergens wilde wonen waar ’s nachts iemand was. Een uur later zei ze dat wij haar huis wilden verkopen. We spraken af haar bezwaren steeds serieus te nemen en niet te doen alsof één instemmend moment alles regelde. Nadine betrok de artsen bij wat passend en verantwoord was.

Ondertussen werd mijn wereld klein. Werk. Mijn moeder. Bed. Ik miste Sams voetbalwedstrijd en werd boos toen hij zijn sporttas in de gang liet liggen.

‘Het is maar een tas,’ zei hij.

Hij had gelijk. Ik begon te huilen terwijl ik zijn vieze sokken vasthield.

Diezelfde week meldde ik me gedeeltelijk ziek. De bedrijfsarts noemde uitputting. Ik vond dat een slap woord voor iets wat ik in mijn hele lijf voelde. Mijn hart bonsde als er een deur dichtsloeg.

Nadine stelde een mantelzorggroep voor. Ik ging met tegenzin naar een zaaltje in een wijkcentrum. Naast me zat Fatima, die voor haar man zorgde. Aan de overkant zat een oudere man met een schrift vol telefoonnummers.

Ik vertelde over de lege pan. Daarna over het schreeuwen.

Niemand zei dat het wel meeviel.

Fatima schoof een glas water naar me toe.

‘Wat heb jij nodig om vanavond te slapen?’ vroeg ze.

Ik dacht lang na. Toen belde ik Peter. Niet omdat er iets mis was met onze moeder. Omdat er iets mis was met mij.

Hoofdstuk 6

De kleine kamer

De kamer had een uitzicht op een fietsenstalling. Dat was het eerste wat ik zag. Geen mooie tuin. Geen fontein. Gewoon fietsen, een grijze schutting en een struik die gesnoeid moest worden.

‘Hier?’ vroeg mijn moeder.

Verzorgende Els stond naast ons. Ze droeg geen haast in haar gezicht. Dat viel me op, omdat ik zelf al maanden gehaast keek.

‘We kunnen uw stoel bij het raam zetten,’ zei ze.

Mijn moeder liep naar het raam en keek omlaag.

‘Ze zetten hun fietsen niet netjes neer.’

Els ging naast haar staan.

‘Dat klopt. Vooral die groene staat altijd in de weg.’

Mijn moeder keek haar kort aan. Ze had iets gevonden om het over te hebben.

De verhuizing was niet plotseling gekomen, maar voelde toch als een overval. Er was een plek vrijgekomen in een kleinschalige woonvoorziening in Zwolle. We hadden de kamer bekeken. Mijn moeder had koffie gedronken in de huiskamer en gezegd dat de stoelen goed zaten. Bij het volgende bezoek wist ze niet dat ze er eerder was geweest.

We hadden de verhuizing met haar en de betrokken zorgverleners voorbereid. Toch kon niemand voorspellen hoe deze ochtend zou gaan.

Peter bracht de laatste dozen naar binnen. Ik zette de foto van mijn vader op het kastje. Ernaast kwam het houten bakje waarin ze altijd haar bril legde. Haar eigen stoel stond bij het raam. Op bed lag haar groene sprei.

‘Wanneer gaan we weer?’ vroeg ze.

Ik voelde mijn maag samentrekken.

‘Je blijft hier wonen, mam. Omdat er ook ’s nachts hulp nodig is.’

‘Ik heb toch jou?’

Ik kon niet meteen antwoorden.

Els bleef staan, zonder het gesprek van me over te nemen.

‘Ik kan niet iedere nacht bij je zijn,’ zei ik.

Mijn moeder pakte haar handtas.

‘Dan vraag ik Peter.’

Hij zette de doos neer die hij vasthield.

‘Ik kan dat ook niet, mam.’

Ze keek van hem naar mij. Daarna ging ze in haar stoel zitten en draaide haar gezicht naar het raam.

We bleven nog een uur. Het voelde te kort en veel te lang. Toen Els haar meenam om de lunchtafel te bekijken, vertrokken we volgens de afspraak die we met het team hadden gemaakt. Ik had afscheid genomen. Mijn moeder had mijn hand niet gepakt.

In de auto kreeg ik de gordel niet vast. Peter reed. Ik bleef met de metalen sluiting tegen het plastic duwen.

‘Geef maar,’ zei hij.

‘Ik kan het zelf.’

Mijn stem klonk precies als die van mijn moeder.

De eerste weken waren moeilijk. Ze liep veel door de gang. Ze vroeg om haar sleutels. Soms belde ze vijf keer achter elkaar en zei dat niemand haar eten gaf. Wanneer ik navraag deed, bleek ze net gegeten te hebben. Een andere keer was er wel iets mis: haar gehoorapparaat lag leeg in een laatje, waardoor ze gesprekken niet kon volgen.

Ik leerde niet alles af te doen als verwarring. En ook niet iedere angstige zin meteen als een volledig verslag te behandelen.

Met Els maakte ik afspraken over bellen en bezoeken. Ik mocht vragen stellen. Zij mocht zeggen wanneer mijn aanwezigheid mijn moeder juist onrustiger maakte. Dat laatste vond ik het moeilijkst.

Op een donderdag trof ik haar huilend bij de lift.

‘Neem me mee.’

Ik ging naast haar op een bankje zitten.

‘Je wilt weg.’

‘Naar huis.’

Ik wilde beloven dat het later kon. Ik wilde dat ze ophield met huilen. In plaats daarvan bleef ik zitten. Na een tijdje vroeg ik of ze mee wilde lopen naar haar kamer.

Daar zag ze de foto van mijn vader.

‘Hij staat er tenminste,’ zei ze.

Ik bleef tot de koffie kwam.

Thuis opende ik voor het eerst in maanden een boek. Ik las één bladzijde vier keer. Toen legde ik het weg en ging naast Sam zitten, die een wedstrijd op televisie keek.

‘Wie staat er voor?’ vroeg ik.

Hij schoof zijn benen opzij zodat ik beter kon zitten.

Die avond sliep ik zes uur achter elkaar. Toen ik wakker werd, voelde ik opluchting.

Daarna schuld.

Ik vertelde het aan Fatima. Ze knikte alsof ze de volgorde kende.

‘Je mag morgen weer zes uur slapen,’ zei ze.

Ik besloot haar te geloven.

Hoofdstuk 7

Samen aan tafel

Vier maanden na de verhuizing lag er een aardappel in de hand van mijn moeder. Ik keek er meteen naar. Zij keek naar mij.

‘Waarom staar je zo?’

We zaten aan de tafel in de huiskamer van haar woonvoorziening. Els had een schaal sperziebonen neergezet. Ik had aardappelen meegenomen voor de stamppot die we samen met een paar bewoners zouden maken. Niet omdat samen koken alles oploste. Omdat mijn moeder die ochtend had gezegd dat ze nergens voor nodig was.

‘Ik dacht aan vroeger,’ zei ik.

‘Daar kun je lang mee bezig blijven.’

Ze legde de aardappel neer en pakte een boon. Ik brak er een voor. Zij deed het na. Bij de derde boon vergat ze het uiteinde eraf te halen. Ik schoof het bakje dichterbij en deed er zelf nog een.

Naast ons zat meneer Smit. Hij sorteerde de bonen op lengte. Niemand hield hem tegen. Aan de andere kant van de tafel zong een vrouw steeds dezelfde twee regels van een lied dat ik niet kende.

Mijn moeder fronste.

‘Kent ze de rest niet?’

‘Misschien niet.’

‘Dan zijn twee regels genoeg.’

Ik lachte. Ze keek tevreden, zonder precies te weten waarom.

Het was niet iedere dag zo. Op dinsdag had ze me beschuldigd van het stelen van haar jas. De jas hing in haar kast. Toen ik hem aanwees, zei ze dat ik hem zeker net had teruggehangen.

Een week eerder had ze me even niet herkend. Ze had beleefd gevraagd of ik van de huishouding was. Ik was naar het toilet gegaan en had daar tegen de deur geleund tot ik weer rustig kon ademen.

Ook hier ging de ziekte door. Haar kamer maakte haar niet beter. De zorg maakte wel verschil. Ze kreeg hulp zonder dat er eerst iemand vanuit een andere wijk hoefde te komen. Als ze ’s nachts bang werd, was er iemand in de buurt. Niet altijd dezelfde persoon. Niet altijd precies zoals ik het zou doen. Wel iemand die wakker was en dienst had.

Ik bezocht haar drie keer per week. Peter kwam op zondag en deed nog steeds de administratie. We hadden een gedeelde agenda. We maakten nog weleens ruzie, maar niet meer over de vraag of ik overdreef.

Mijn werk had ik langzaam opgebouwd. Eerst halve dagen. Daarna meer. Ik had nog steeds minder dossiers dan vroeger. Bij Saskia hoefde ik niet meer te zeggen dat alles goed ging voordat we konden bespreken wat haalbaar was.

Thuis ging mijn telefoon ’s nachts niet meer mee naar boven, behalve wanneer er iets bijzonders speelde. De afdeling had Eriks nummer voor noodgevallen. De eerste avond voelde dat onverantwoord. De derde week merkte ik dat ik weer dromen had die niet over deuren en brand gingen.

Sam werd zeventien. Ik was bij zijn verjaardag, met mijn hoofd erbij. Mijn moeder kon niet de hele middag komen. We gingen daarom de volgende dag met taart naar haar toe.

Ze feliciteerde hem drie keer.

‘Dat is drie keer geld,’ zei hij.

‘Brutaal kind.’

Ze lachte zoals vroeger. Sam maakte er geen foto van. Hij zat gewoon naast haar en at zijn taart.

Aan de tafel met de bonen werd mijn moeder moe. Ze liet haar handen in haar schoot zakken.

‘Ik weet niet meer hoe het verder moet,’ zei ze.

Ik keek naar de aardappelen. Naar het mesje dat buiten haar bereik lag omdat zij er die dag niet veilig mee kon werken. Naar haar handen, die zoveel maaltijden hadden gemaakt.

‘Ik weet het wel,’ zei ik. ‘Ik maak het af. Wil jij even blijven zitten?’

Ze knikte.

In de keuken zette ik de aardappelen op. Water erbij. Deksel schuin. Ik controleerde het fornuis één keer. Daarna liep ik terug naar de tafel.

Mijn moeder schoof een stoel voor me naar achteren.

‘Ga zitten, Marieke. Je loopt maar heen en weer.’

Ze wist mijn naam. Die middag wel. Ik ging zitten en vroeg of ze de jus straks wilde proeven.

Toen het eten kwam, nam ze een klein hapje. Ze dacht even na.

‘Er moet wat zout bij.’

Ik gaf haar het vaatje. Ze strooide voorzichtig, tikte één keer tegen de onderkant en gaf het terug.

We aten samen. Na afloop bracht ik haar naar haar kamer. Ik vertelde wanneer ik terugkwam en schreef het op het bordje naast haar stoel.

Bij de deur draaide ik me om. Ze zat al naar de fietsen te kijken.

Buiten belde ik Erik.

‘Ik kom naar huis,’ zei ik. ‘Zal ik onderweg brood halen?’