Naar de inhoud
Terug naar het boek

Liefde, relaties en gezin

Verliefd op mijn beste vriend

Hoofdstuk 1

Verliefd op mijn beste vriend — De sleutel

Daan stond in mijn keuken met een schroevendraaier tussen zijn tanden. Achter hem stroomde water uit het kastje onder de gootsteen.

‘Niet die kraan,’ zei hij.

Ik draaide toch.

‘Noor. De andere.’

Het water stopte. Vanuit de woonkamer klonk gejuich. Mijn dochter dacht dat wij een spel deden.

‘Gewonnen?’ riep ze.

‘Bijna, Saar.’

Het was zaterdagmiddag. Saar werd zeven. Over twintig minuten zouden negen kinderen ons kleine huis in de Utrechtse wijk Zuilen binnenvallen. De taart stond op de wasmachine. Onder de eettafel lagen slingers die ik nog moest ophangen. En mijn beste vriend zat met natte knieën tussen de vuilniszakken.

Zo ging het meestal. Ik belde niet eens altijd om hulp. Soms stuurde ik alleen een foto van iets dat misging. Daan verscheen dan met gereedschap, boodschappen of een belachelijk voorstel.

We kenden elkaar elf jaar. Eerst als collega’s bij een drukkerij in Nieuwegein. Later als vrienden die elkaar bleven zien nadat we allebei ander werk hadden gevonden. Hij was bij mijn bruiloft geweest. Hij had Saar vastgehouden toen ze nog geen dag oud was. En twee jaar geleden had hij dozen gedragen toen Bram vertrok.

Daan kreeg het lek dicht met een nieuwe ring die hij toevallig in zijn gereedschapskist had.

‘Tijdelijke oplossing,’ zei hij.

‘Dat zei mijn verhuurder in november ook.’

Hij grijnsde. Ik gaf hem een handdoek. Onze vingers raakten elkaar. Niets bijzonders. Dat gebeurde voortdurend.

Alleen trok ik mijn hand deze keer te snel terug.

Tijdens het feestje maakte Daan tosti’s. Ik begeleidde een speurtocht door de straat. Saar liep voorop met een plastic vergrootglas. Bij de derde aanwijzing begon het te regenen. Tien minuten later zaten alle kinderen druipend in de woonkamer. Eén huilde om een verloren haarspeld. Twee maakten ruzie over dezelfde stoel.

Daan zette een bakje komkommer op tafel en riep dat komkommer eten verplicht was voor wie later bij de politie wilde.

‘Dat is niet waar,’ zei Saar.

‘Goed. Jij mag meteen rechercheur worden.’

Ik keek naar hem terwijl hij een gevallen beker opraapte. Naar zijn grijze trui. Zijn donkere haar, te lang in zijn nek. Naar de manier waarop hij nooit boven kinderen ging staan praten, maar door zijn knieën zakte.

Het gevoel kwam niet zacht. Het zat er ineens, zo helder dat ik even niet wist waar ik mijn handen moest laten.

Ik wilde hem zoenen.

Niet bedanken. Niet omhelzen omdat hij weer had geholpen. Zoenen.

‘Mam?’

Saar trok aan mijn mouw.

‘Je giet limonade op tafel.’

Na het feest kwam Bram haar ophalen. Hij bleef in de deuropening staan, met zijn autosleutel al in zijn hand.

‘Druk geweest?’

‘Valt mee,’ loog ik.

Saar holde langs hem naar buiten. Daan bracht haar tas. Bram bedankte hem zonder hem aan te kijken. Dat kleine ongemak kende ik. Tijdens ons huwelijk had Bram nooit openlijk geklaagd over Daan. Wel vroeg hij soms of mijn vriend geen eigen huis had.

Toen de auto weg was, ruimden Daan en ik zwijgend op. Buiten tikte regen tegen het keukenraam.

‘Ik heb trouwens nieuws,’ zei hij.

Ik trok een slinger los van de lamp.

‘Elise heeft gevraagd of ik bij haar kom wonen.’

Het plakband scheurde. Een stukje bleef aan het plafond zitten.

Elise. Zijn vriendin. Natuurlijk was er Elise. Ze waren acht maanden samen. Ik mocht haar. Ze werkte als fysiotherapeut, fietste sneller dan Daan en stelde vragen waarop ze echt een antwoord wilde.

‘In Amersfoort?’ vroeg ik.

‘Ja. Mijn huur loopt in augustus af. Het is eigenlijk logisch.’

‘Ja,’ zei ik. ‘Logisch.’

Hij keek op.

‘Je klinkt alsof ik naar Australië verhuis.’

‘Ik ben moe.’

Daan haalde zijn sleutelbos uit zijn broekzak. Mijn reservesleutel zat eraan, met een rood labeltje. Die had ik hem gegeven toen Bram vertrok en ik mezelf tweemaal in één week had buitengesloten.

‘Deze moet ik dan ergens apart bewaren,’ zei hij. ‘Anders fiets ik op een dag met jouw sleutel naar haar huis.’

Ik lachte. Het geluid klopte niet.

Toen hij weg was, ging ik op de keukenvloer zitten. Mijn sok werd nat van water dat we hadden gemist.

Ik was vierendertig. Ik had een kind, een baan bij een woningcorporatie en een redelijk werkende omgangsregeling. Ik wist hoe je moeilijke gesprekken voerde.

Maar ik had geen idee hoe ik mijn beste vriend moest vertellen dat ik niet meer alleen zijn beste vriendin wilde zijn.

Hoofdstuk 2

Geen gewone wandeling

De week erna probeerde ik het gevoel weg te werken. Ik maakte lijstjes. Betaalde rekeningen. Haalde de winterjassen van de kapstok, hoewel het pas april was en Saar haar dikke jas nog nodig had.

Daan stuurde een foto van een scheef gemonteerde boekenplank bij Elise.

‘Zie je. Bij jou doe ik extra mijn best.’

Ik typte drie antwoorden. Ik verstuurde alleen een lachend gezichtje.

Mijn zus Lotte merkte het op woensdag. We zaten bij het zwembad in Overvecht. Achter glas oefende Saar haar rugslag.

‘Je hebt nu vier keer je telefoon omgedraaid,’ zei Lotte.

‘Werk.’

‘Dan moet je ontslag nemen. Je kijkt alsof ze een nier vragen.’

Ik bleef naar het zwembad kijken.

‘Ik geloof dat ik verliefd ben op Daan.’

Lotte zette haar koffie neer.

‘Sinds wanneer?’

‘Zaterdag. Of langer. Dat weet ik niet.’

‘En hij?’

‘Gaat samenwonen.’

Ze knikte langzaam. Geen opgetogen gil. Geen verhaal over hoe zij het altijd had geweten. Daar was ik haar dankbaar voor.

‘Wat wil je doen?’

‘Wachten tot het overgaat.’

‘Kan. Maar dan moet je misschien niet elke avond met hem appen.’

Dat was precies het probleem. Daan was degene aan wie ik alles vertelde. Ook dingen die nergens over gingen. De collega die vergaderingen steeds een kwartier liet uitlopen. Saar die vroeg of slakken konden denken. De angst dat ik mijn hele leven degene zou blijven die opvang moest regelen voordat ze iets leuks kon doen.

Om van hem los te komen, moest ik juist hem missen.

Vrijdag kwam Elise mee eten. Dat had al weken in de agenda gestaan. Ik had overwogen af te zeggen, maar Saar had zelf placemats getekend. Op die van Elise stond een paard met zes benen.

Elise bewonderde het zonder te lachen.

‘Handig,’ zei ze. ‘Dan wordt hij minder snel moe.’

Tijdens het eten vertelde ze over haar appartement. Over de tafel die eruit moest als Daans bureau erbij kwam. Ze vroeg of ik zin had om een keer mee te gaan naar een kringloopwinkel.

‘Jij ziet altijd dingen die ik voorbijloop.’

Ik voelde me beroerd. Ze deed niets verkeerd. Ze zat gewoon aan mijn tafel, at mijn pasta en nam aan dat we elkaar mochten. Dat deden we ook.

Toen ze in de keuken hielp, zag ze de nieuwe ring onder de kraan.

‘Daan zei dat jullie hier een zwembad hadden.’

‘Een heel kleine.’

‘Hij was blij dat hij kon helpen.’ Ze spoelde een bord af. ‘Jullie zijn belangrijk voor hem.’

Ik kon geen antwoord vinden dat niet vals voelde.

Die nacht sliep ik nauwelijks. Zaterdag stuurde ik Daan een bericht.

‘Kunnen we morgen wandelen? Zonder Saar. Ik moet iets zeggen.’

Hij belde meteen.

‘Is er iets met Bram?’

‘Nee.’

‘Met jou?’

‘Niet iets medisch. Morgen, goed?’

We spraken af bij station Utrecht Zuilen. Het was koud. Daan had twee bekers koffie meegenomen. Hij gaf me de verkeerde; ik kreeg zijn suiker. Normaal hadden we daar een minuut over kunnen zeuren.

Nu liepen we zwijgend richting de Vecht.

Bij een bankje bleef ik staan.

‘Ik ben verliefd op je.’

Hij keek me aan. Zijn mond ging even open, maar hij zei niets.

‘Ik zeg dit niet om je bij Elise weg te halen,’ ging ik verder. ‘Ik zeg het omdat ik afstand nodig heb. En omdat je anders denkt dat je iets verkeerd hebt gedaan.’

Een fietser belde. We stonden half op het pad. Daan stapte opzij. Dat gewone gebaar maakte het erger. De wereld bleef gewoon doorgaan terwijl ik het liefst terug wilde naar vijf minuten eerder.

‘Hoelang?’ vroeg hij.

‘Ik weet het niet precies.’

‘Noor...’

‘Je hoeft niet vriendelijk te zijn. Wel duidelijk.’

Hij keek naar zijn beker.

‘Ik ben met Elise.’

‘Dat weet ik.’

‘En ik kan niet doen alsof dit niets verandert.’

Ik knikte. Mijn gezicht werd heet.

‘Dus voorlopig geen etentjes. Geen dagelijkse berichten. Saar zal vragen stellen. Ik zeg dat je druk bent. Niet dat jij ons niet meer wilt zien.’

‘Dat wil ik ook niet.’

‘Maar dit wil je ook niet.’

Hij antwoordde niet meteen.

‘Ik kan je niet geven wat je vraagt.’

Ik wilde zeggen dat ik niets vroeg. Dat zou niet eerlijk zijn. Er had ergens toch een klein, dom deel van mij gehoopt op een ander antwoord.

Bij het station nam hij me niet in zijn armen. Hij vroeg of ik alleen naar huis wilde.

‘Ja,’ zei ik.

Thuis zette ik zijn koffie op het aanrecht. Pas toen zag ik dat ik de hele wandeling de beker met suiker had vastgehouden.

Hoofdstuk 3

De lege stoel

De eerste dagen zonder Daan waren vooral onhandig. Dat vond ik vernederend. Ik wilde groots verdriet hebben, iets waarvoor je onder een deken mocht verdwijnen. In plaats daarvan miste ik iemand die wist welke maat fietsband Saar nodig had.

Ik pakte mijn telefoon bij ieder klein voorval. Daarna legde ik hem terug.

Op dinsdag vroeg Saar of Daan donderdag kwam eten.

‘Even niet.’

‘Waarom?’

‘We hebben wat ruimte nodig.’

Ze keek naar de lege stoel naast haar.

‘Er zijn vier stoelen.’

Ik ging tegenover haar zitten.

‘Ik bedoel dat we elkaar een tijdje minder zien. Dat heeft niets met jou te maken.’

‘Hebben jullie ruzie?’

‘Nee. Maar ik ben wel verdrietig.’

‘Door hem?’

Ik wilde eerlijk zijn zonder haar iets te geven wat ze niet kon dragen.

‘Omdat ik iets graag wil wat niet kan. Grote mensen hebben dat ook.’

Ze prikte in haar aardappel.

‘Zoals ik een hond.’

‘Een beetje.’

Daar nam ze voorlopig genoegen mee.

Daan stuurde na een week één bericht. Hij vroeg wat ik prettig vond rond Saar. Ik schreef dat een kaartje voor haar kon. Geen bezoek. Nog niet. Twee dagen later lag er een kaart met een slechte woordgrap op de mat. Saar zette hem naast haar bed.

Ik las hem niet vaker dan nodig was. Althans, dat zei ik tegen mezelf.

Op mijn werk maakte ik fouten. Ik verstuurde een afspraakbevestiging met de verkeerde datum en vergat een collega terug te bellen. Mijn leidinggevende, Anja, schoof op donderdag een stoel bij mijn bureau.

‘Moet er iets van je bord?’

‘Nee. Ik slaap gewoon slecht.’

‘Dat was niet mijn vraag.’

Ik vertelde niets over Daan. Wel dat er privé iets speelde. Ze nam twee lastige dossiers over voor een week. Het voelde eerst als falen. Daarna vooral als opluchting.

De echte klap kwam op een woensdagavond. Saar kreeg hoge koorts. Tegen middernacht ademde ze snel en wilde ze niet drinken. De huisartsenpost vroeg of we konden komen.

Mijn eerste beweging was naar Daans naam in mijn telefoon.

Ik stopte.

Bram nam na vijf keer overgaan op. Ik hoorde een televisie op de achtergrond.

‘Ik heb wijn gedronken,’ zei hij nadat ik het had uitgelegd.

‘Kun je een taxi nemen?’

‘Naar jou?’

‘Naar de huisartsenpost. Ze is ook jouw dochter.’

Er viel een stilte.

‘Ja,’ zei hij toen. ‘Natuurlijk.’

Ik belde Lotte voor vervoer. Ze stond twintig minuten later voor de deur, in een joggingbroek en met haar winterjas over haar pyjama.

In de wachtkamer zakte Saar tegen me aan. Haar haar rook naar zweet. Bram kwam binnen met zijn overhemd scheef dichtgeknoopt. Hij hurkte voor haar stoel.

‘Hé, Saar. Slechte avond?’

Ze stak haar hand naar hem uit.

Het bleek een luchtweginfectie. Ze was niet ernstig uitgedroogd, maar we kregen duidelijke instructies. Wanneer bellen. Waarop letten. Kleine beetjes drinken.

Bram ging mee naar huis. Hij sliep op de bank, niet omdat we weer iets probeerden, maar omdat ik vroeg of hij de helft van de nacht wilde doen.

Om vier uur vond ik hem op de overloop. Saar sliep eindelijk.

‘Waar is Daan eigenlijk?’ vroeg hij zacht.

‘Niet beschikbaar.’

Hij knikte.

‘Je had mij eerder kunnen bellen.’

Ik voelde boosheid opkomen.

‘Jij had eerder kunnen vragen of ik hulp nodig had.’

‘Ook waar.’

We stonden daar een tijdje. Geen grote verzoening. Wel spraken we af dat hij voortaan de zwemles op woensdag zou doen. En dat een ziek kind niet automatisch mijn planning zou opslokken.

De volgende ochtend zette hij koffie. Ik liet hem zoeken naar de filters. Vroeger had ik ze al gepakt voordat hij kon vragen waar ze lagen.

Zes weken gingen voorbij. Ik repareerde Saars fiets niet zelf. Ik bracht hem naar de fietsenmaker. Ik ging met Lotte naar de film. Ik at op een kindvrije avond chips als avondeten en vond dat heerlijk tot ik misselijk werd.

Ik miste Daan nog steeds. Soms zo erg dat mijn borst pijn deed. Maar mijn dagen vielen niet uit elkaar.

Op een zondag, terwijl ik schone lakens opvouwde, ging mijn telefoon.

Daan.

‘Elise en ik zijn uit elkaar,’ zei hij.

Ik ging op de rand van mijn bed zitten.

Het eerste wat ik voelde was blijdschap. Meteen daarna schaamte.

Hoofdstuk 4

Niet als reserve

‘Wat naar,’ zei ik.

Dat klonk niet overtuigend. Daan hoorde het waarschijnlijk ook.

‘Ik bel je niet zodat je me troost.’

‘Waarom dan wel?’

Hij haalde hoorbaar adem.

‘Omdat ik het niet via iemand anders wilde laten horen.’

Ik streek een vouw uit het laken naast me.

‘Heeft dit met mij te maken?’

‘Niet alleen.’

Dat antwoord beviel me niet. Ik wilde een geruststellend nee of een duidelijk ja. Iets waar ik tenminste mee kon werken.

‘Wat betekent dat?’

Hij vertelde dat Elise het samenwonen had uitgesteld. Dat zij merkte hoe vaak hij afwezig was. Dat ze hadden gepraat over kinderen, over waar ze wilden wonen en over beslissingen die ze steeds voor zich uitschoven.

‘En over jou,’ zei hij.

Ik sloot mijn ogen.

‘We hadden toch geen contact?’

‘Nee. Maar ik miste je. Dat merkte ze.’

‘Je kunt ook gewoon een vriend missen.’

‘Dat heb ik ook gezegd.’

Ik hoorde wat er achter die zin zat. Hij had dat gezegd, maar wist niet meer of het genoeg verklaarde.

‘Heb je haar verteld wat ik had gezegd?’

‘Ja.’

Ik stond op.

‘Alles?’

‘Dat je gevoelens voor me had. Dat je daarom afstand nam.’

Ik voelde me ineens bekeken in een gesprek waar ik niet bij was geweest.

‘Ik had liever gehad dat je me dat vooraf vertelde.’

‘Dat begrijp ik. Maar ik kon haar niet blijven vertellen dat je het druk had.’

Daar had hij gelijk in. Dat maakte het niet minder vervelend.

We spraken af dat we elkaar nog niet zouden zien. Hij moest zijn relatie afronden zonder mij op de bank klaar te hebben zitten. Ik moest nadenken over wat ik wilde, nu het niet meer alleen een onmogelijke wens was.

Lotte vond dat verstandig.

‘Vervelend verstandig,’ zei ik.

‘Ja. Het minst gezellige soort.’

Drie weken later lag mijn reservesleutel in de brievenbus. In een envelop, met een briefje.

‘Deze hoorde ik eerder terug te geven. Niet als afscheid. Wel zodat ik voortaan aanbellen moet.’

Ik legde de sleutel in de keukenla. Ik begreep het gebaar. Toch huilde ik terwijl ik de vaatwasser uitruimde.

Onze eerste ontmoeting was op een terras aan het Ledig Erf. Ik koos bewust een plek waar we niet eerder samen hadden gezeten. Hij was er te vroeg. Ik ook.

Daan zag er moe uit. Er zat een klein sneetje onder zijn kin.

‘Nieuw scheermes,’ zei hij toen hij merkte dat ik keek.

‘Ik had nog niets gezegd.’

‘Je keek kritisch.’

Even voelde het vertrouwd. Daarna kwam de stilte.

We bestelden koffie. Hij vroeg naar Saar. Ik vertelde over haar zwemdiploma en de spreekbeurt die volledig over de tanden van een haai ging.

‘En met jou?’ vroeg hij.

‘Wisselend.’

‘Met mij ook.’

Hij draaide zijn kopje een kwartslag.

‘Ik wil iets onderzoeken met jou. Maar ik ben bang dat ik je pijn doe.’

‘Dat risico bestaat.’

‘Ik weet niet of ik meteen kan zeggen dat ik verliefd ben zoals jij.’

Dat kwam hard aan. Ik hield mijn handen onder tafel.

‘Dan moet je niet met me afspreken omdat je de vriendschap terug wilt.’

‘Dat doe ik niet.’

‘Of omdat je nu niemand hebt.’

Hij keek me recht aan.

‘Ook niet.’

Ik vroeg wat hij dan wel voelde. Hij dacht lang na. Normaal vulde ik zulke stiltes voor hem. Nu niet.

‘Ik wil dichter bij je zitten,’ zei hij uiteindelijk. ‘Ik denk aan hoe het zou zijn om je te zoenen. En ik word zenuwachtig van het idee dat jij straks opstaat en zegt dat het te laat is.’

Dat was geen grote verklaring. Het was wel iets concreets.

We spraken af om één keer uit eten te gaan. Geen Saar. Geen klussen. Geen avond waarop ik over Bram klaagde en hij mijn afval naar buiten bracht. Een afspraak waarbij we allebei mochten ontdekken dat het niet werkte.

Bij het afscheid liep hij met me naar mijn fiets.

‘Mag ik je vasthouden?’ vroeg hij.

Ik knikte.

Zijn armen voelden bekend. Mijn reactie niet. Ik drukte mijn gezicht even tegen zijn jas en liet toen los.

‘Vrijdag,’ zei ik.

‘Vrijdag.’

Onderweg naar huis fietste ik te hard. Bij een rood licht moest ik remmen met beide handen.

Ik was blij. En bang. Vooral omdat ik niet langer kon doen alsof er alleen iets op het spel stond voor mij.

Hoofdstuk 5

De eerste kus

Op vrijdag trok ik drie keer iets anders aan. Uiteindelijk droeg ik de zwarte broek die ik ook naar mijn werk droeg. Daar schaamde ik me even voor, tot ik bedacht dat Daan me had gezien met een buikgriep en een kapotte pyjamabroek.

Hij belde aan met lege handen.

‘Ik wilde bloemen meenemen,’ zei hij. ‘Maar toen dacht ik dat je dat te veel zou vinden.’

‘Nu weet ik alsnog dat je ze niet hebt gekocht.’

‘Sterk begin.’

We liepen naar een klein restaurant aan de Amsterdamsestraatweg. Saar was bij Bram. Mijn telefoon bleef toch naast mijn bord liggen.

Daan keek ernaar.

‘Sorry,’ zei ik. ‘Gewoonte.’

‘Laat liggen. Je bent moeder, geen voortvluchtige.’

Het eten was goed. Het gesprek eerst niet. We stelden vragen waarop we het antwoord al wisten. Hoe was je werk? Druk. Hoe was jouw week? Ook druk.

Na het voorgerecht legde ik mijn vork neer.

‘Dit is verschrikkelijk.’

Daan begon te lachen.

‘Ik durfde het niet te zeggen.’

‘Vraag iets wat je nog niet weet.’

Hij dacht na.

‘Waarom ben je destijds met Bram getrouwd?’

‘Meteen een gezellige.’

‘Je wilde een nieuwe vraag.’

Ik keek naar de kaars tussen ons.

‘Omdat ik van hem hield. Omdat we plezier hadden. En omdat ik dacht dat liefde betekende dat je verschillen vanzelf minder belangrijk werden.’

‘Welke verschillen?’

‘Ik maakte plannen. Hij wachtte af. In het begin leek dat rustig. Later deed ik alles en was ik boos dat hij niets deed. Dan zei hij dat ik hem nooit een kans gaf.’

‘Gaf je hem die?’

Ik wilde meteen ja zeggen.

‘Niet altijd.’

Daan knikte. Hij ging me niet vertellen dat Bram een sukkel was. Dat had hij vroeger ook nooit gedaan, al had ik daar soms duidelijk op aangestuurd.

Ik vroeg waarom zijn relaties vaak na ongeveer een jaar ingewikkeld werden.

Hij schoof zijn glas opzij.

‘Omdat ik goed ben in er zijn als er iets concreets nodig is. Minder goed als iemand wil weten wat ik over drie jaar wil.’

‘Dat klinkt herkenbaar.’

‘Daar ben ik inmiddels achter.’

Na het eten liepen we langs het water. Het was donker en nog te koud om langzaam te wandelen. Voor mijn deur bleven we staan.

‘Ik wil je zoenen,’ zei hij.

‘Dat mag.’

De eerste kus was kort. Bij de tweede botsten onze neuzen. Ik lachte tegen zijn mond. Daarna hield het lachen op.

Ik nam hem mee naar binnen. We zaten op de bank, dicht tegen elkaar. Later sliepen we samen. Niet moeiteloos, niet alsof onze lichamen elf jaar hadden gewacht en nu precies wisten wat ze moesten doen. We moesten praten. We moesten lachen. Ik vroeg een keer of hij het licht uit wilde doen en zette het daarna zelf weer aan.

De volgende ochtend bakte hij geen pannenkoeken. Hij vroeg waar de koffie stond. Dat beviel me meer dan ik had verwacht.

De weken daarna hielden we het klein. Eén of twee afspraken per week. Als Saar thuis was, kwam hij niet. Dat was lastig, maar nodig. Ik wilde niet dat zij mee moest bewegen met elke twijfel tussen ons.

Na twee maanden vertelde ik Bram wat er speelde. We stonden naast het schoolplein.

Hij keek naar de kinderen achter het hek.

‘Dus toch.’

‘Wat bedoel je?’

‘Ik heb me blijkbaar niet alles ingebeeld.’

‘Tijdens ons huwelijk was er niets.’

‘Voor jou misschien niet.’

Ik voelde mijn boosheid opkomen.

‘Je mag vragen stellen. Maar ik ga niet bekennen wat niet gebeurd is.’

Hij kneep zijn lippen op elkaar.

‘En Saar?’

‘Daarom vertel ik het je. We willen het rustig aan haar uitleggen.’

Een week later zaten Daan en ik met haar aan de keukentafel.

‘Wij zijn niet alleen vrienden meer,’ zei ik. ‘We zijn aan het kijken of we verkering willen blijven houden.’

Saar keek van mij naar hem.

‘Gaan jullie zoenen?’

‘Soms,’ zei Daan.

‘Hier?’

‘Niet boven je boterham.’

Ze dacht na.

‘Ga jij dan papa heten?’

‘Nee,’ zei hij meteen. ‘Je hebt een papa. Ik blijf Daan.’

Ze schoof haar bord van zich af.

‘Dan is het goed. Maar als het uitgaat, wil ik wel weten of je nog op mijn verjaardag komt.’

Ik keek naar Daan. Voor het eerst die middag had geen van ons direct een antwoord.

Hoofdstuk 6

Wat je niet vertelt

We beloofden Saar niet dat alles hetzelfde zou blijven. Dat kon niet. Wel zeiden we dat volwassenen zelf verantwoordelijk waren voor hun afspraken. Dat zij nooit tussen ons in hoefde te gaan staan.

‘Ook niet als jullie boos zijn?’ vroeg ze.

‘Juist dan niet,’ zei ik.

Die zin kwam drie maanden later terug.

Het was september. Daan at inmiddels soms mee als Saar thuis was. Hij bleef dan niet slapen. Op kindvrije weekenden waren we meestal samen. We hadden een prettig ritme gevonden, dacht ik.

Tot zijn telefoon oplichtte terwijl hij boven een vergeten trui pakte.

Ik zat aan de eettafel. Het scherm lag naast zijn bord. Ik las niet bewust mee, maar de naam van zijn zus en de eerste regel waren duidelijk zichtbaar.

‘Gefeliciteerd met Rotterdam! Wanneer ga je verhuizen?’

Ik bleef naar het scherm kijken tot het zwart werd.

Toen Daan beneden kwam, wees ik ernaar.

‘Ga je verhuizen?’

Hij bleef onderaan de trap staan.

‘Dat moest ik je nog vertellen.’

Mijn maag trok samen.

Hij had een baan aangeboden gekregen bij een technisch opleidingscentrum in Rotterdam. Werk waar hij al jaren over praatte. Jongeren begeleiden. Minder achter een computer. Meer zelf doen.

Ik wist van één oriënterend gesprek. Niet van een tweede. Niet van een aanbod.

‘Heb je al ja gezegd?’

‘Gisteren.’

‘En je zus weet het.’

‘Die belde toevallig.’

‘Wat handig voor haar.’

Hij ging zitten. Ik bleef staan.

‘Ik ga niet meteen verhuizen. Dat maakt zij ervan. Ik kan eerst reizen.’

‘Dat is niet het punt.’

‘Ik wist dat je zou schrikken.’

‘Dus besloot je te wachten tot ik niet meer kon meepraten?’

Zijn gezicht verstrakte.

‘Ik hoef toch geen toestemming om een baan aan te nemen?’

‘Nee. Maar als je een relatie met me wilt, verwacht ik dat je me vertelt wat er gebeurt.’

Boven kraakte de vloer. Saar stond in haar pyjama op de overloop.

‘Zijn jullie boos?’

Ik sloot mijn ogen. We hadden zachter moeten praten.

‘Ja,’ zei ik. ‘Maar dat lossen wij op. Ga maar terug. Ik kom zo.’

‘Je zei dat ik er niet tussen hoefde.’

‘Dat hoef je ook niet. Sorry dat je hiervan wakker wordt.’

Daan trok zijn jas aan. Deze keer hield ik hem niet tegen.

Toen Saar sliep, stuurde ik hem een bericht dat ik een paar dagen nodig had. Daarna belde ik Lotte.

‘Hij gaat weg,’ zei ik.

‘Heeft hij dat gezegd?’

‘Hij heeft een baan in Rotterdam aangenomen.’

‘Dat is niet hetzelfde.’

Ik wilde dat ze gewoon mijn kant koos.

‘Hij heeft het verborgen.’

‘Ja. Daar mag je boos over zijn. Maar maak er niet alvast een heel vertrek van.’

De volgende dag sprak ik met Bram over de herfstvakantie. Ik was kortaf. Hij vroeg wat er was. Ik vertelde alleen dat Daan en ik ruzie hadden.

‘Wil je dat ik Saar een extra nacht neem?’

Ik wilde nee zeggen. Uit gewoonte. Uit trots.

‘Graag.’

Daan en ik spraken zaterdag af bij hem thuis. Zijn eigen huurwoning, die hij uiteindelijk had kunnen houden. Ik ging bewust niet op de bank zitten, maar aan tafel.

‘Ik was laf,’ zei hij voordat ik iets kon zeggen. ‘Ik wilde eerst zeker weten dat ik die baan kreeg. Toen wilde ik eerst zeker weten dat ik hem wilde. En daarna kon ik geen goed moment meer vinden.’

‘Omdat dat moment steeds moeilijker werd.’

‘Ja.’

Hij vertelde dat hij bang was om opgenomen te worden in een leven dat al vastlag. Mijn huis. Saars school. De afspraken met Bram. Hij hield van ons, zei hij, maar wilde niet alleen aansluiten.

Dat deed pijn. Toch begreep ik het.

‘Ik kan niet zomaar verhuizen,’ zei ik.

‘Dat vraag ik niet.’

‘En ik kan je niet beloven dat ik over twee jaar wel kan.’

‘Dat weet ik.’

Toen moest ik iets zeggen wat ik zelf niet mooi vond.

‘Als jij iets achterhoudt, hoor ik meteen dat je weg wilt. Dan ga ik controleren. Of ik regel alles nog harder. Dat deed ik bij Bram ook.’

Daan schoof zijn hand over tafel, maar raakte me niet aan.

‘Ik wil die baan. En ik wil dit met jou.’

‘Dan moeten we uitzoeken wat dat in een gewone week betekent.’

We pakten een notitieblok. Geen romantische oplossing. Wel de eerste keer dat we samen iets uittekenden voordat één van ons het al had besloten.

Hoofdstuk 7

Een eigen plek

Op het notitieblok kwamen geen grote beloften. Wel werkdagen, reistijden en afspraken die we konden nakomen.

Daan zou zijn huis in Utrecht voorlopig houden. Vier dagen per week naar Rotterdam reizen. Eén vaste avond samen eten. Een deel van de kindvrije weekenden voor ons, maar niet automatisch allemaal. Na drie maanden zouden we opnieuw kijken.

‘Dat klinkt als een rooster voor de vuilnisdienst,’ zei hij.

‘Die komt meestal wel opdagen.’

Hij lachte. Ik ook. Voor het eerst in dagen zonder dat het moeite kostte.

We spraken ook af dat hij grote veranderingen eerder zou vertellen. Niet pas als hij wist hoe ik erop zou reageren. Ik beloofde dat ik niet elke twijfel van hem als een aangekondigd afscheid zou behandelen.

Dat lukte niet meteen.

In november miste hij twee treinen en kwam hij uitgeput aan. Ik had eten warm gehouden en werd boos toen hij nauwelijks iets zei. Hij vond dat hij juist zijn best had gedaan door toch te komen.

We aten lauwe rijst en hadden een vervelende avond.

De volgende ochtend belde hij.

‘Volgende keer vraag ik of we kunnen verzetten.’

‘En ik zeg dan eerlijk of ik teleurgesteld ben, zonder te doen alsof jij iets misdaan hebt.’

‘Denk je dat we ooit normaal worden?’

‘Dit is misschien normaal.’

Ik ging zelf ook iets veranderen. Niet om een betere partner voor Daan te worden. Omdat ik merkte hoeveel rust ik kwijt was aan vooruitdenken voor anderen. Via de huisarts kwam ik bij een praktijkondersteuner. We spraken over mijn scheiding, over hulp vragen en over het verschil tussen nodig zijn en geliefd zijn.

De eerste keer vond ik die onderwerpen overdreven. Na de derde afspraak huilde ik in mijn auto, omdat ik eindelijk had gezegd hoe eenzaam ik me tijdens mijn huwelijk had gevoeld.

Bram en ik hielden de nieuwe verdeling vol. Hij deed de zwemles. Hij plande zelf een controle bij de tandarts. Ik vroeg niet drie keer of hij het echt had gedaan.

Saar vond dat laatste vooral prettig.

‘Papa heeft ook een agenda, mam.’

Daan werd niet haar tweede vader. Soms vond ik dat moeilijker dan ik had verwacht. Ik zag hoe goed ze samen konden zijn en wilde daar dan meteen een gezin van maken. Maar hij bleef ook avonden weg. Hij zei soms nee als ze wilde dat hij kwam kijken bij iets op school.

Als hij ja zei, kwam hij.

Dat bleek voor Saar belangrijker dan overal bij zijn.

In februari ging ik voor het eerst mee naar Rotterdam. Niet om te controleren wat hem daar zo trok. Hij wilde zijn werk laten zien. Ik zag hem in een lokaal met werkbanken, veiligheidsbrillen en een kast vol verkeerd geboorde onderdelen.

Een jongen van zestien stak zijn hoofd om de deur.

‘Daan, die machine doet weer raar.’

‘Heb jij gelezen wat er op die gele sticker staat?’

De jongen keek.

‘O.’

Daan grijnsde naar mij. Ik herkende de man uit mijn lekkende keuken. Alleen hoorde dit bij hem. Niet bij wat hij voor mij kon doen.

Daarna aten we broodjes bij Rotterdam Centraal. Hij vertelde dat hij gelukkig was met zijn baan. Ik merkte dat ik daar blij om kon zijn zonder meteen te berekenen wat het mij kostte.

Bij de eerste evaluatie besloten we niets te veranderen. Bij de tweede ook niet. Samenwonen was geen doel met een datum. Misschien zou het komen. Misschien paste apart wonen voorlopig beter.

Een jaar na dat verjaardagsfeest werd Saar acht.

Mijn keuken bleef droog. De verhuurder had eindelijk een loodgieter gestuurd.

Bram kwam vroeg om de tafel buiten te zetten. Lotte bracht taart. Daan arriveerde tien minuten te laat met een bouwpakket voor een insectenhotel. Hij belde aan. Zijn eigen sleutel had hij niet gevraagd en ik had hem die nog niet aangeboden.

Saar trok de deur open.

‘Je moet straks helpen timmeren.’

‘Ik kom eerst even feliciteren.’

Hij kuste haar op haar hoofd. Daarna kwam hij naar mij.

‘Hoi, Noor.’

‘Hoi.’

Hij zoende me. Gewoon in de gang, tussen jassen en een omgevallen kinderfiets.

Later zaten we buiten terwijl Saar en Bram de laatste plankjes vastmaakten. Daan legde zijn hand op mijn knie.

‘Goed zo?’ vroeg hij.

Ik wist niet of hij de middag bedoelde, of ons. Ik keek naar mijn dochter. Naar de man die niet meer mijn partner was. Naar mijn zus, die kruimels van haar trui veegde.

‘Ja,’ zei ik. ‘Voor nu is dit goed.’

Ik was nog steeds verliefd op mijn beste vriend. Alleen wist ik inmiddels dat hij ook iemand was met wie ik ruzie kon hebben. Iemand die mij kon teleurstellen. En iemand die terugkwam om het gesprek af te maken.

Toen Saar om hulp riep, bleven we niet allebei zitten wachten tot Daan opstond.

Ik stond op.

‘Laat eens zien,’ zei ik.