Liefde, relaties en gezin
We bleven toch bij elkaar
Hoofdstuk 1
We bleven toch bij elkaar
De man aan de deur vroeg naar Bas. Hij droeg geen uniform. Alleen een donkerblauwe jas, met regendruppels op zijn schouders. Achter mij stond Sem op één been zijn voetbalschoen aan te trekken.
‘Waar gaat het over?’ vroeg ik.
‘Een betekening. Woont meneer De Bruin hier?’
Ik knikte. De man controleerde mijn naam en gaf me een envelop. Hij sprak rustig. Dat maakte het erger. Alsof dit een gewone donderdag was in onze straat in Amersfoort.
‘Mama, we moeten gaan.’
‘Pak je andere schoen.’
Mijn naam is Noor. Ik was negenendertig, werkte op de administratie van een basisschool en dacht dat ik wist met wie ik samenwoonde. Bas en ik waren zestien jaar bij elkaar. We hadden Mila van dertien en Sem van acht. We maakten ruzie over natte handdoeken, schermtijd en zijn vader, die altijd belde als we gingen eten. Niet over geld. Dacht ik.
Ik scheurde de envelop open boven het aanrecht. Er stond een bedrag van ruim negenduizend euro. Een schuldeiser die ik niet kende. Een vonnis. Kosten boven op andere kosten.
Bas nam niet op.
Ik belde nog een keer.
Sem schopte tegen de keukenplint. ‘De trainer zegt dat ik niet meer te laat mag komen.’
Ik stuurde een foto van de eerste pagina naar Bas. Daaronder schreef ik: Nu bellen.
Tijdens de training bleef ik in de auto. De ruiten besloegen. Op het veld rende Sem achter een bal aan die steeds in een plas bleef steken. Mijn telefoon lag op mijn knie.
Om kwart over zes belde Bas.
‘Ik kan het uitleggen.’
Niet: wat is dat? Niet: er is een fout gemaakt.
‘Hoeveel?’ vroeg ik.
‘Dat bedrag klopt niet helemaal.’
‘Hoeveel, Bas?’
Hij zei niets. Op de achtergrond hoorde ik de piep van een heftruck. Hij werkte als planner bij een groothandel in Nijkerk. Later zou ik vaak aan dat geluid denken. Aan hoe zijn werk gewoon doorging terwijl mijn leven op dat parkeerterrein veranderde.
‘We praten thuis,’ zei hij.
‘Je bent er voordat de kinderen naar bed gaan.’
Hij kwam om halfacht. Mila zat aan tafel met haar wiskundeboek. Sem had ketchup op zijn mouw. Ik had pasta gemaakt en zelf niets gegeten.
Bas hing zijn jas op. Netjes, aan het haakje. Ik kon hem daarom wel slaan. Ik deed het niet. Ik zette zijn bord in de magnetron en drukte harder dan nodig op de knop.
‘Is er iets?’ vroeg Mila.
‘Papa en ik moeten straks iets bespreken.’
‘Dat hoor ik.’
Ze klapte haar boek dicht en ging naar boven.
Toen de kinderen in bed lagen, legde Bas zijn telefoon op tafel. Hij opende een notitie. Er stonden namen, bedragen en afkortingen.
‘In totaal ongeveer zevenenveertigduizend.’
Ik schoof mijn stoel achteruit. De poten schraapten over de tegels.
‘Zeg dat nog eens.’
Hij deed het niet.
Het was begonnen met de garage van zijn vader in Soest. Een belastingachterstand. Daarna een kapotte hefbrug. Bas had geld geleend om hem te helpen. Zijn vader zou terugbetalen zodra het bedrijf verkocht was. Maar er kwam geen koper. De garage sloot. Zijn vader hield nauwelijks geld over voor zijn eigen huur.
‘En toen?’
Bas wreef over zijn mond.
‘Toen probeerde ik het terug te verdienen.’
‘Hoe?’
‘Wedden. Op voetbal.’
Ik keek naar de fruitschaal. Drie zachte peren. Een kassabon. Gewone spullen waar ik ineens geen raad mee wist.
‘Je hebt ons geld vergokt?’
‘Niet alles is gokken. Het grootste deel—’
‘Maak het niet kleiner.’
Hij boog zijn hoofd.
Ik vroeg naar onze spaarrekening. De rekening voor de kinderen, de auto en een kapotte wasmachine. Er hoorde bijna achtduizend euro op te staan.
Er stond honderdtwaalf euro en zesendertig cent.
Boven ging een deur open. We zwegen. Voetstappen naar de badkamer. Water door de leiding.
‘Hoe lang?’ fluisterde ik.
‘Bijna twee jaar.’
Twee jaar. De vakantie op Texel. Mijn veertigste verjaardag die we alvast bespraken. Zijn hand op mijn rug bij het schoolfeest. Ik zocht in mijn geheugen naar een dag waarop ik iets had moeten merken.
‘Slaap vannacht ergens anders.’
‘Noor, alsjeblieft.’
‘Niet naast mij.’
Hij pakte een tas uit de berging. Ik bleef aan tafel zitten tot ik zijn auto hoorde wegrijden. Toen liep ik naar boven. Mila zat wakker op haar bed.
‘Gaat papa weg?’ vroeg ze.
Ik ging naast haar zitten.
‘Vannacht wel.’
Hoofdstuk 2
Alles op tafel
De volgende ochtend vroeg Sem of papa dood was.
Hij stond in zijn pyjama voor de koelkast. Eén hand hield de deur open. Ik had net gezegd dat Bas voorlopig bij zijn collega Jeroen sliep.
‘Nee, lieverd. Waarom denk je dat?’
‘Omdat jij zo praat.’
Ik ging op mijn hurken zitten. De koude lucht uit de koelkast streek langs mijn arm.
‘Papa leeft. Hij komt je morgen ophalen voor voetbal. Wij hebben een groot probleem. Daar moeten volwassenen iets aan doen.’
‘Heeft hij iemand geslagen?’
‘Nee.’
‘Wat dan?’
Ik keek naar Mila, die roerloos haar boterham smeerde.
‘Hij heeft geld geleend en dat niet verteld. Veel geld.’
Mila legde haar mes neer. ‘Hoeveel is veel?’
‘Genoeg om hulp te moeten vragen. Jullie hoeven dat niet op te lossen.’
Dat laatste zei ik vooral omdat ik zag dat ze al begon te rekenen.
Op mijn werk maakte ik drie fouten in dezelfde leerlingenlijst. Mijn collega Fatima schoof haar stoel naar me toe.
‘Ga even mee.’
In het magazijn, tussen dozen schriften, vertelde ik het. Niet netjes. Ik begon bij de deurwaarder, sprong naar het gokken en eindigde met die honderdtwaalf euro.
Fatima gaf me een papieren handdoekje.
‘Wil je dat ik luister of iets regel?’
‘Ik weet het niet.’
‘Dan luister ik eerst.’
Na tien minuten belde ik mijn leidinggevende. Ik nam twee dagen vrij. Daarna belde ik Bas. Hij moest zaterdag komen, zonder de kinderen. Met alle brieven, alle rekeningen en zijn laptop.
‘Alles,’ zei ik. ‘Niet wat jij vindt dat ik aankan.’
Mijn zus Esther nam Mila en Sem mee naar het zwembad in Leusden. Ze keek Bas niet aan toen hij binnenkwam. Ik was haar daar dankbaar voor en vond het tegelijk ongemakkelijk. Hij had ooit haar hele keuken betegeld. Nu stond hij met een boodschappentas vol post in mijn hal.
We maakten stapels op tafel. Ongeopend. Herinnering. Aanmaning. Lening. Krediet.
‘Waarom lag dit niet hier?’ vroeg ik.
‘Een deel kwam digitaal. De rest hield ik apart.’
‘Waar?’
‘In mijn gereedschapskast.’
Ik was een week eerder nog in die kast geweest voor een schroevendraaier.
Het totaal werd geen zevenenveertigduizend. Het werd negenenveertigduizend driehonderd euro, afgerond. Bas had rente en kosten niet overal meegerekend.
‘Ben je klaar met verrassingen?’ vroeg ik.
‘Volgens mij wel.’
‘Volgens jou?’
Hij kneep zijn ogen dicht. ‘Ik weet niet of er nog ergens kosten bij komen. Maar dit zijn alle schulden.’
Dat was het eerste antwoord dat niet netter klonk dan de werkelijkheid.
We woonden in een huurhuis. We waren niet getrouwd en hadden geen geregistreerd partnerschap. Ik wist niet wat dat betekende voor zijn leningen of onze gezamenlijke rekening. Op internet vond ik antwoorden die elkaar leken tegen te spreken. Maandag maakte ik een afspraak voor juridisch advies. Ik wilde niet langer gokken, ook niet met regels.
Ik liet mijn salaris voortaan op mijn eigen rekening storten. We zetten op papier wie welke vaste lasten betaalde. Bas meldde zich bij de gemeentelijke schuldhulpverlening. Ik zat erbij toen hij belde, maar ik voerde het gesprek niet voor hem.
Toen hij ophing, schoof hij zijn stoel naar me toe.
‘Ik ga dit oplossen.’
‘Je gaat hulp aannemen. Dat is iets anders.’
Hij knikte.
’s Middags belde zijn vader. Bas zette hem op de luidspreker, op mijn verzoek.
‘Dat geld komt echt terug,’ zei Henk. ‘Ik moet alleen even—’
‘Stop,’ zei ik.
Het bleef stil.
‘U wist dat Bas geld leende voor de garage?’
‘Hij zei dat jullie ruimte hadden.’
Ik keek naar Bas. Hij staarde naar zijn handen.
Henk begon over de verkoop van onderdelen. Over iemand die nog moest betalen. Ik onderbrak hem opnieuw.
‘Er komt geen geld meer van ons. Geen honderd euro. Geen tientje.’
Na het gesprek duwde Bas de post in rechte stapels. Hij bleef schuiven tot alle randen gelijk lagen.
‘Ik schaamde me,’ zei hij.
‘Dat begrijp ik.’
Hij keek op, te snel.
‘Maar je liet mij wel plannen maken met geld dat er niet was.’
‘Ja.’
‘En je liet mij denken dat we samen beslissingen namen.’
Hij knikte weer.
Buiten stopte Esthers auto. Sem drukte zijn natte zwemtas tegen het raam. Bas stond op om open te doen.
‘Vanavond ga je terug naar Jeroen,’ zei ik.
Hij bleef even staan. Toen liep hij naar de deur.
Hoofdstuk 3
Een stoel ertussen
De eerste weken zonder Bas waren niet rustig. Dat had ik wel verwacht. Geen discussies. Geen leugens aan de keukentafel. Maar ik hoorde overal wat hij normaal deed.
De sleutel in het slot om kwart over zes. Zijn elektrische tandenborstel. Het getik tegen de verwarming wanneer hij zijn schoenen uittrok. Nu hoorde ik de buren, de koelkast en Sem die steeds uit bed kwam.
‘Wanneer slaapt papa hier weer?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Morgen?’
‘Nee, morgen niet.’
Hij schopte zijn dekbed weg. ‘Jij weet nooit iets.’
Daar had hij op dat moment gelijk in.
Bas haalde de kinderen op woensdag uit school en was zaterdag met ze weg. De eerste keer bracht hij een grote doos Lego mee. Ik trok hem in de gang opzij.
‘Waar heb je dat van betaald?’
‘Van mijn eigen geld.’
‘Welk eigen geld?’
Hij keek langs me heen. Sem trok binnen het papier al van de doos.
‘Ik wilde iets leuks doen.’
‘Ga naar een speeltuin. Bak pannenkoeken. Koop geen vergeving.’
Zijn gezicht werd rood. Ik hoorde hoe hard het klonk. Toch nam ik het niet terug.
Mila wilde soms niet mee. Ze zei dat ze huiswerk had. Op een woensdag vond ik haar op de overloop, met haar telefoon tegen haar borst.
‘Heeft papa ook een ander?’ vroeg ze.
‘Voor zover ik weet niet.’
Ze trok haar wenkbrauwen op.
‘Nee,’ zei ik. ‘Wacht. Daar hebben we het over gehad. Hij zegt van niet. Het probleem gaat over geld en gokken.’
‘Je gelooft hem dus niet.’
‘Niet zomaar. Dat moet opnieuw groeien.’
Ze ging op de trap zitten.
‘Sophie zegt dat haar ouders eerst ook alleen ruzie over geld hadden.’
Ik ging een trede lager zitten. ‘Ik kan niet beloven dat wij bij elkaar blijven. Wel dat jij geen partij hoeft te kiezen.’
‘Dat zeg je, maar tante Esther noemt hem een slappe zak.’
Die avond belde ik mijn zus. Ze verdedigde zich eerst. Het was maar één keer geweest, in de keuken. Mila stond blijkbaar dichtbij.
‘Ik ben ook kwaad,’ zei ik. ‘Maar jij hoeft mijn kinderen niet kwader te maken.’
Esther zuchtte. Daarna zei ze dat ze Mila haar excuses zou aanbieden.
Bas ging naar de huisarts en kreeg een verwijzing voor hulp bij zijn gokgedrag. Hij schreef zich in bij Cruks en liet zien welke blokkades hij op zijn telefoon had ingesteld. Ik wist inmiddels dat geen enkele blokkade alle manieren om te gokken uitsloot. Toch was het meer dan een belofte.
Onze eerste gezamenlijke afspraak was bij een relatietherapeut in Amersfoort, Saskia. Ik koos expres een stoel die niet naast de zijne stond.
‘Wat moet er hier vandaag gebeuren?’ vroeg ze.
‘Hij moet begrijpen wat hij heeft gedaan,’ zei ik.
Bas draaide zijn trouweloze handen om zijn koffiekop. Zo noemde ik ze in mijn hoofd. De handen die mij hadden aangeraakt en daarna weddenschappen hadden geplaatst.
‘Ik begrijp het,’ zei hij.
‘Nee. Jij hebt het verteld. Ik ben het pas aan het ontdekken.’
Saskia vroeg hem niet te reageren. Ze vroeg mij om één concreet moment te noemen.
Ik vertelde over de orthodontist. Mila had mogelijk een beugel nodig. Ik had gevraagd of we meer moesten sparen. Bas had gezegd dat dat niet nodig was. Dat was vier maanden geleden.
‘Je wist toen al dat het geld weg was.’
Hij knikte.
‘En daarna vroeg je of ik nog koffie wilde. Dat weet ik nog. Alsof het gesprek klaar was.’
Bas begon te huilen. Ik voelde geen medelijden. Vooral vermoeidheid.
Saskia schoof geen doos tissues tussen ons in. Ze liet hem er zelf een pakken.
‘Wat had je toen moeten zeggen?’ vroeg ze.
Hij keek naar mij. ‘Dat ik hulp nodig had. Dat ik gelogen had.’
‘Waarom deed je dat niet?’ vroeg ik.
‘Omdat je dan misschien weg zou gaan.’
‘Dus mocht ik niet kiezen.’
Hij liet zijn hoofd zakken.
Na afloop stonden we bij onze fietsen. Het regende zacht. Bas vroeg of ik samen koffie wilde drinken.
‘Nee.’
‘Mag ik je dan even vasthouden?’
Ik schudde mijn hoofd.
Hij deed een stap terug. Geen zucht. Geen gekwetste blik die ik moest verzorgen.
Het was weinig. Maar thuis merkte ik dat ik juist aan die stap terug bleef denken.
Hoofdstuk 4
De verjaardag
In maart werd Sem negen. Hij wilde zes kinderen uitnodigen en naar een trampolinehal. Ik had al gekeken wat dat kostte. Daarna had ik het tabblad gesloten.
‘Dit jaar doen we het thuis,’ zei ik.
‘Omdat papa al het geld kwijt is?’
Ik zat naast hem aan tafel. Voor ons lag een vel papier met namen.
‘Omdat we goed op ons geld moeten letten.’
‘Dat is hetzelfde.’
Ik kon hem moeilijk ongelijk geven.
Bas stelde een speurtocht voor in Park Schothorst. Hij zou opdrachten maken. Ik zou eten regelen. Het was de eerste keer sinds zijn vertrek dat we samen iets organiseerden zonder een hulpverlener erbij.
De avond ervoor stond hij in mijn keuken wortels te snijden. Mijn keuken, dacht ik nog steeds. Hij wist waar alles lag. Dat stoorde me en hielp tegelijk.
‘Niet zo dik,’ zei ik.
Hij hield een stukje omhoog. ‘Dit?’
‘Laat maar.’
Hij legde het mes neer. ‘Ik kan ook weggaan.’
Ik draaide me om. ‘Omdat ik iets over een wortel zeg?’
‘Omdat alles wat ik doe verkeerd voelt.’
‘Voor jou?’
Hij trok zijn mond open en sloot hem weer.
We stonden tegenover elkaar met een schaal halfgesneden groente tussen ons. Toen ging boven de muziek van Mila harder.
‘Morgen geen ruzie,’ zei ik.
‘Afgesproken.’
Het feestje begon goed. Bas had enveloppen verstopt bij herkenbare plekken. De kinderen moesten letters verzamelen en een code oplossen. Sem liep voorop met een klembord. Ik droeg een tas met limonade en bekers.
Bij de derde opdracht werd Mila gebeld. Ze hielp mee omdat ik het gevraagd had, niet omdat ze enthousiast was. Ik zag haar naar het scherm kijken. Ze liep een paar passen weg.
Toen ze terugkwam, gaf ze de telefoon aan Bas.
‘Opa.’
Bas verstijfde.
Ik hoorde Henk door de luidspreker van haar telefoon, hard en gehaast. Of Bas toch even kon komen. Er stond iemand voor een ongeopende rekening. Hij begreep niet precies wat er ging gebeuren.
Bas pakte de telefoon niet aan.
‘Waarom belt hij jou?’ vroeg hij Mila.
‘Omdat jij niet opneemt.’
Haar stem sloeg over. ‘Hij zei dat jij hem laat stikken.’
Sem kwam teruggerend. ‘We missen een letter!’
Bas keek van zijn dochter naar zijn zoon. Ik voelde de oude beweging al aankomen. Hij zou vertrekken. Ik zou het feestje afmaken. Later zou hij zeggen dat het niet anders kon.
‘Blijf bij Sem,’ zei hij tegen mij.
‘Bas—’
‘Ik ga niet weg. Ik bel hem hier terug. Op mijn telefoon.’
Hij hurkte voor Mila.
‘Dit had opa niet aan jou mogen vragen. Jij hoeft geen berichten door te geven.’
‘Zeg dat dan tegen hem.’
‘Dat ga ik doen.’
Ik liep met de kinderen naar de volgende opdracht. Bas stond een paar meter verder, zichtbaar voor ons. Zijn gesprek duurde nauwelijks vijf minuten. Toen stopte hij zijn telefoon weg en hielp een jongen wiens schoenveter vastzat aan een tak.
Pas thuis vroeg ik wat hij had gezegd.
‘Dat hij contact moet opnemen met zijn eigen hulpverlener. En dat hij de kinderen hierbuiten moet houden.’
‘En het geld?’
‘Hij vroeg tweehonderd euro.’
Ik bleef met een leeg bord in mijn handen staan.
‘Ik heb nee gezegd.’
Die avond, toen de gasten weg waren, vond ik Mila op de bank naast Bas. Er zat ruimte tussen hen. Ze liet hem iets zien op haar telefoon. Geen groot gesprek. Een filmpje van een klasgenoot die tijdens gym tegen een paal liep. Bas lachte. Mila ook, heel even.
Ik ging naar de keuken omdat ik daar niet bij wilde blijven staan kijken.
Later hielp Bas opruimen. Sem was op de bank in slaap gevallen. Bas tilde hem op, voorzichtig vanwege zijn lange benen. Boven hoorde ik hem zacht praten. Een minuut later kwam hij terug.
‘Hij wil dat ik blijf tot hij slaapt.’
‘Hij sliep al.’
‘Blijkbaar niet helemaal.’
Ik knikte. Bas liep weer naar boven.
Toen hij beneden kwam, was het bijna elf uur. Hij pakte zijn jas.
‘Je kunt op de bank slapen,’ zei ik.
Hij keek me aan.
‘Alleen slapen. Dit betekent niet dat alles goed is.’
‘Dat begrijp ik.’
Ik haalde een dekbed. Bij de deur van de woonkamer bleef ik staan.
‘Je hebt vandaag niet alles verkeerd gedaan.’
Hij streek met zijn hand over het dekbedovertrek.
‘Dank je,’ zei hij.
De volgende ochtend stond hij vroeg op en bakte eieren. Ik vond het fijn dat hij er was. Daarna schaamde ik me daarvoor. Die twee gevoelens bleven de hele dag naast elkaar bestaan.
Hoofdstuk 5
Een open scherm
In mei sliep Bas weer drie nachten per week thuis. Zijn tas bleef onder de kapstok staan. We hadden geen feestelijk gesprek gevoerd over een nieuwe start. We hadden een rooster gemaakt en afgesproken het na een maand te bekijken.
De schuldhulpverlening was bezig met een regeling. Er kwamen nog brieven, maar die gingen niet meer ongeopend een kast in. Bas verzamelde stukken, belde zelf terug en vertelde het wanneer iets vertraging opliep. Het juridisch advies had duidelijkheid gegeven over mijn positie. Zijn persoonlijke leningen waren niet automatisch mijn schuld. Onze gezamenlijke financiën moesten we wel zorgvuldig uit elkaar houden.
Op zondagavond bekeken we twintig minuten de huishoudrekening. Een tijdslimiet, op advies van Saskia. Anders stelde ik drie uur lang vragen en sliepen we allebei niet.
Dat ging vier weken goed.
Toen liet Bas zijn laptop openstaan op de eettafel.
Ik kwam binnen met een wasmand. Op het scherm stond een sportwebsite. Rechts zag ik getallen en een knop met een aanbieding voor nieuwe spelers. In de adresbalk stond een naam die ik inmiddels kende.
Ik zette de wasmand neer.
Bas kwam uit de tuin met de gieter.
‘Wat is dit?’
Hij keek naar het scherm.
Eén tel. Twee tellen.
‘Ik heb niet gespeeld.’
Mijn huid werd koud.
‘Dat vroeg ik niet.’
Hij zette de gieter op de vloer. Er liep water onderuit.
‘Ik heb gezocht. Naar uitslagen. Toen heb ik doorgeklikt.’
‘Hoeveel stappen zitten er tussen een uitslag en deze website?’
Hij gaf geen antwoord.
Ik pakte de laptop en draaide hem naar me toe. Mijn vingers trilden boven het toetsenbord. Ik wilde zijn geschiedenis zien, zijn rekening, alles. Meteen.
‘Ga zitten,’ zei ik.
Hij bleef staan.
‘Noor, ik ga je alles laten zien. Maar ik moet eerst iets zeggen.’
‘Nog meer?’
‘Ik wilde spelen.’
Ik keek op.
‘Ik heb niet gestort. Ik heb niet gewed. Maar ik wilde het wel. Al sinds gisteren.’
Buiten trapte Sem een bal tegen de schutting. Steeds dezelfde doffe klap.
‘En je zei niets.’
‘Nee.’
Ik liep naar de achterdeur en riep dat Sem bij de buurjongen mocht vragen of hij kon spelen. Mijn stem klonk zo normaal dat ik mezelf nauwelijks herkende.
Toen de poort dichtviel, zei ik tegen Bas dat hij moest vertrekken.
Hij begon niet over hoe goed het de laatste weken ging. Hij vroeg alleen of hij eerst zijn behandelaar mocht bellen.
‘Doe wat je wilt.’
Hij belde. Er werd niet direct opgenomen. Hij liet een bericht achter en belde daarna iemand uit zijn behandelgroep. Ik hoorde hem in de hal zeggen: ‘Ik zit mezelf wijs te maken dat kijken geen kwaad kan.’
Dat was precies de zin die ik niet uit hem had kunnen trekken.
Toch sliep hij die nacht weer bij Jeroen.
Esther kwam langs. We zaten op de tuinstoelen, zonder kussens. Ik vertelde wat er gebeurd was.
‘Hoeveel kansen krijgt hij?’ vroeg ze.
‘Dat weet ik niet.’
‘Je hoeft niet te wachten tot het opnieuw misgaat.’
‘Dat weet ik ook.’
Ze keek naar mijn handen. Ik had een losse draad van mijn vest helemaal om mijn wijsvinger gewonden.
‘Ben je nog bij hem omdat je wilt? Of omdat weggaan duur en ingewikkeld is?’
Ik wilde boos worden. In plaats daarvan zei ik dat ik het niet zeker wist.
Die week maakte ik een eigen begroting. Wat kon ik betalen als we uit elkaar gingen? Welke afspraken waren nodig voor de kinderen? Ik vroeg informatie, zonder Bas ermee te dreigen. Ik moest weten of blijven een keuze was.
Bij Saskia vertelde Bas over de avond vóór het open scherm. Henk had gebeld. Daarna had hij een rekening gezien die hij vergeten was door te sturen. Hij was bang dat ik zou denken dat hij weer iets achterhield.
‘Dus hield je iets achter,’ zei ik.
‘Ja.’
We maakten geen afspraak dat hij nooit meer aandrang zou voelen. Dat kon hij niet beloven. Wel dat hij het dezelfde dag met iemand uit zijn behandeling zou bespreken. En dat hij mij zou vertellen als het onze afspraken raakte.
‘Ik word niet jouw controleur,’ zei ik.
‘Dat wil ik ook niet.’
‘Je hebt het me wel laten worden.’
Hij keek me aan. ‘Dat weet ik.’
Na de sessie ging ik alleen naar huis. Ik had hem niet teruggevraagd. Maar ik had ook nog niet besloten dat het voorbij was.
Hoofdstuk 6
Niet voor de kinderen
Een week later kreeg Sem buikpijn op school. De juf belde om elf uur. Hij had geen koorts en wilde niet vertellen wat er was.
Ik haalde hem op. In de auto vroeg hij of ik boos was.
‘Omdat ik je moet ophalen? Nee.’
Hij staarde naar zijn schoenen.
Bij het stoplicht zei hij: ‘Als ik geen verjaardag had gevraagd, hadden jullie meer geld.’
Ik zette de auto even verderop op een parkeerplaats. Mijn eerste reactie was hem honderd keer te zeggen dat het niet zijn schuld was. Maar hij had iets opgebouwd in zijn hoofd. Ik moest eerst weten wat.
‘Denk je daar vaak aan?’
Hij knikte.
‘Ook aan je voetbalschoenen?’
Nog een knik.
Ik draaide me naar hem toe.
‘Papa heeft verkeerde dingen gedaan met geld. Dat kwam niet door jouw verjaardag. Niet door schoenen. Ook niet door iets van Mila. Kinderen kosten geld. Daar horen ouders voor te zorgen.’
‘Maar jullie zijn nog steeds boos.’
‘Ja. En daar merk jij te veel van.’
Thuis belde ik Bas. Niet om te verwijten. Daar was ik te moe voor. Ik vertelde letterlijk wat Sem had gezegd.
Bas kwam die middag. We zaten met Sem aan tafel. Bas schoof zijn stoel dichtbij, maar pakte hem niet meteen vast.
‘Ik heb geldproblemen veroorzaakt,’ zei hij. ‘En ik heb daarover gelogen. Jij hebt niets verkeerd gedaan.’
‘Ben je daarom weg?’
‘Daarom wonen mama en ik nu niet steeds samen.’
‘Ga je het weer doen?’
Bas slikte.
‘Ik krijg hulp om dat niet te doen. En als iets moeilijk wordt, moet ik het vertellen.’
Sem dacht na. ‘Ook als je straf krijgt?’
‘Juist dan.’
Hij kroop op Bas’ schoot. Ik ruimde de bekers niet af. Ik bleef zitten.
Met toestemming van Sem spraken we daarna met zijn juf. Niet over bedragen. Wel over de spanning thuis. Voor Mila regelden we een gesprek met haar mentor. Ze wilde dat eerst niet, tot ik zei dat ze daar ook mocht vertellen dat ze gek werd van ons.
‘Dat wordt dan een lang gesprek,’ zei ze.
Ik lachte. Ze keek opgelucht.
In juni gingen Bas en ik op een zaterdag wandelen langs de Eem. Esther was bij de kinderen. We hadden afgesproken geen papieren mee te nemen en niet over afbetalingen te praten. Na tien minuten deden we het toch.
‘Stop,’ zei ik. ‘Ik wil iets anders weten.’
Bas bleef naast een bankje staan.
‘Wil je nog bij mij zijn? Niet thuis wonen. Niet je kinderen iedere ochtend zien. Bij mij.’
Hij keek over het water.
‘Ja.’
‘Waarom?’
Hij nam de tijd. Dat maakte me nerveus.
‘Omdat ik jou mis als er iets gebeurt. Omdat ik nog steeds wil weten wat jij ergens van vindt. Ook al ben ik daar de laatste tijd bang voor. En omdat ik het fijn vind om met jou te zijn als we niet bezig zijn met wat ik kapot heb gemaakt.’
‘Dat laatste gebeurt weinig.’
‘Ik weet het.’
We gingen zitten. Een fietser riep naar iemand achter ons. Verderop laadde een man kratten uit een bestelbus.
‘Ik mis jou ook,’ zei ik. ‘Maar soms mis ik iemand die misschien niet bestond.’
Bas vouwde zijn handen tussen zijn knieën.
‘Ik was niet overal oneerlijk over.’
‘Dat weet ik met mijn hoofd.’
Hij knikte. Hij probeerde me niet te overtuigen met herinneringen aan goede vakanties.
Ik vertelde over mijn eigen begroting. Over het gesprek dat ik had gehad om te weten wat een scheiding van ons huishouden zou betekenen.
Hij werd bleek, maar bleef luisteren.
‘Ik kan weg,’ zei ik. ‘Het wordt moeilijk, maar het kan.’
‘Wil je dat?’
‘Vandaag niet.’
Dat was het eerlijkste antwoord dat ik had.
We bleven nog een tijdje zitten. Toen legde ik mijn hand op de zijne. Het voelde vertrouwd en vreemd. Ik trok hem niet meteen terug.
Die zomer kwam Bas weer volledig thuis wonen. Niet omdat Sem buikpijn had. Niet omdat twee huishoudens duur waren. Ik wilde proberen of we ook weer partners konden zijn.
We hielden aparte salarisrekeningen. De gezamenlijke rekening bleef voor vaste lasten. De behandeling ging door. De gesprekken bij Saskia ook.
De eerste nacht sliep ik slecht. Bas draaide zich om en vroeg of hij naar de bank moest.
‘Nee,’ zei ik. ‘Blijf maar liggen.’
Ik schoof niet tegen hem aan. Hij bleef op zijn eigen helft. Dat was voor die nacht genoeg.
Hoofdstuk 7
Een gewone zondag
Ruim een jaar na de deurwaarder ging onze wasmachine kapot. Hij stopte midden in een programma. Achter het ronde glas lagen handdoeken in grijs water.
Ik zat op mijn knieën voor het filter toen Bas thuiskwam.
‘Niet aanzetten,’ zei ik.
‘Was ik niet van plan.’
Hij pakte een dweil. Samen kregen we het water uit de machine. Daarna belde hij een reparateur. De kosten vielen tegen. Vroeger had ik gezegd dat we dan maar een nieuwe moesten kopen. Nu pakten we de huishoudrekening erbij.
Er stond genoeg in het potje voor onverwachte uitgaven. Niet veel meer dan dat, maar genoeg.
Ik begon te huilen.
Bas zat naast me aan tafel. Hij vroeg niet of het door hem kwam.
‘Het is gewoon een wasmachine,’ zei ik.
‘Ja.’
‘Ik wil zo graag dat het soms gewoon een wasmachine is.’
Hij schoof de doos tissues naar me toe. Deze keer vond ik dat goed.
We waren toen niet klaar met de schuldregeling. Een deel van zijn inkomen ging volgens afspraak naar de schulden. We leefden van een strak budget. Er waren controles, formulieren en maanden waarin schoenen precies op het verkeerde moment te klein werden. We gingen niet op vakantie naar het buitenland. Onze auto hadden we verkocht. Bas fietste naar het station en reisde verder naar zijn werk.
Soms was ik jaloers op mensen die klaagden over de prijs van hun tweede vakantie. Daarna ergerde ik me aan mezelf. Zij hadden onze problemen niet veroorzaakt.
De hulp bij zijn gokken bleef belangrijk. Bas vertelde het als hij onrust voelde. Niet iedere gedachte kwam bij mij terecht. Daar had hij zijn behandelaar en zijn groep voor. Maar als hij een afspraak met mij dreigde te ontwijken, moest hij dat benoemen. Dat lukte niet altijd soepel. Wel steeds vaker voordat ik ernaar vroeg.
Henk kwam nog bij ons. Minder vaak. De eerste keer na de zomer zaten we buiten. Hij had een envelop met vijftig euro meegenomen voor Sem en Mila.
Bas gaf hem terug.
‘Je hoeft niets goed te maken met geld.’
Henk keek beledigd. Daarna stak hij de envelop in zijn binnenzak.
Later bood hij Mila zijn excuses aan voor het telefoontje op Sems verjaardag. Ze zei alleen: ‘Oké.’ Ik greep niet in. Zij hoefde hem geen prettig einde aan dat gesprek te geven.
Ook tussen Bas en mij ging niet alles netjes. Eén keer kwam hij drie kwartier later thuis dan afgesproken. Zijn telefoon was leeg. Ik stond in de hal toen hij binnenkwam en begon direct over gokken.
Hij had overgewerkt. Dat bleek te kloppen.
De volgende dag bood ik mijn excuses aan voor mijn beschuldiging. Hij bood die aan omdat hij niet even op zijn werk had gebeld. We lieten die twee dingen naast elkaar staan. Zijn leugens van vroeger maakten niet iedere uitval van mij terecht.
Ik vertel dit omdat ik verhalen zocht toen het bij ons misging. Er waren verhalen waarin iemand vertrok en eindelijk vrij was. Er waren verhalen waarin liefde alles oploste. Ik vond weinig over samenblijven terwijl je nog steeds kwaad kunt worden van een ongeopende envelop.
Bij ons verdween dat niet plotseling.
Ik kijk soms nog naar zijn gezicht wanneer er post komt. Hij merkt dat. Hij maakt de envelop open zonder een voorstelling van zijn eerlijkheid te maken. Het helpt dat ik inmiddels ook aan andere dingen denk terwijl hij dat doet.
Op een zondag in november fietsten we met de kinderen naar de binnenstad. Mila moest iets ophalen bij een vriendin. Sem wilde naar een winkel waar hij al weken een doos bouwstenen bekeek. Hij had ervoor gespaard.
Bas en ik wachtten buiten terwijl Sem betaalde. Door het raam zagen we hem zijn muntgeld tellen. Hij telde twee keer opnieuw. De verkoopster wachtte.
‘Hij redt het,’ zei Bas.
‘Ik zie het.’
Mila kwam aanlopen met haar fiets. Ze vroeg of we thuis tosti’s konden maken. Daarna begon ze over een docent die haar telefoon had afgepakt. Sem kwam naar buiten en praatte dwars door haar heen.
Bas zocht mijn hand. Ik gaf hem die zonder er eerst over na te denken.
Thuis zette hij de fietsen in de schuur. Ik sneed kaas. Mila dekte de tafel met vier verschillende borden. Sem bouwde alvast op de vloer, precies waar iedereen moest lopen.
‘Straks opruimen,’ zei ik.
‘Ja, zo.’
Bas kwam binnen en trok een stoel naar achteren. Er lagen geen rekeningen op tafel. Niemand hoefde iets te bekennen.
Ik schoof hem een bord toe.
We aten.