Verlies en rouw
Weduwe op mijn vierendertigste
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
De deur
Om kwart over zes stond ik rijst af te gieten toen de bel ging. Fien zat onder de keukentafel. Ze had een dierenartspraktijk gemaakt van schoenendozen. Onze kat moest geopereerd worden, maar werkte niet mee.
‘Doe jij open?’ riep ik.
Ik dacht dat Thomas zijn sleutel weer kwijt was.
Door het glas naast de voordeur zag ik twee donkere jassen. Geen fietshelm. Geen gele regenjas.
Ik zette de pan neer.
‘Mevrouw Van Dijk?’
‘Noor.’
De vrouw knikte. Haar collega keek even naar het huisnummer.
‘Mogen we binnenkomen?’
‘Waar is Thomas?’
Dat vroeg ik voordat ze zijn naam hadden genoemd.
De vrouw deed een stap naar voren. Ik bleef in de deuropening staan. Achter me hoorde ik Fien tegen de kat zeggen dat het maar een klein prikje was.
‘Uw man heeft een ernstig verkeersongeval gehad.’
‘Welk ziekenhuis?’
‘Bij de afrit naar het industrieterrein in Maarssen. Hij was op de fiets.’
‘Welk ziekenhuis?’
Ze keek niet weg.
‘Uw man is overleden.’
Ik weet nog dat ik naar haar schoenen keek. Zwarte veters. Modder langs de zool. Iemand had met modderschoenen aangebeld om dit te zeggen.
‘Nee,’ zei ik. ‘Hij heeft om vijf uur nog geappt.’
Mijn telefoon lag naast de snijplank. Ik pakte hem en liet het scherm zien.
*Ben iets later. Eet maar vast. X*
De agenten lazen het niet.
‘Mama?’
Fien stond in de gang met de kat tegen haar borst. Ze was vijf. Haar legging zat achterstevoren.
Ik herinner me niet hoe ik bij haar kwam. Wel dat de kat tussen ons uit sprong en dat Fien boos werd omdat ik haar te hard vasthield.
De agente heette Marieke. Ze vroeg wie ze kon bellen.
‘Mijn zus. Eva. Ze woont in Zuilen.’
Ik kreeg het nummer niet gevonden. Mijn duim schoof langs namen van mensen die gewoon nog leefden. De tandarts. Een collega. Thomas.
Marieke nam de telefoon voorzichtig over.
Daarna zat ik op de bank. De mannelijke agent vertelde iets over een vrachtwagen die rechtsaf was geslagen. Over hulpdiensten. Over onderzoek. Hij zei dat Thomas ter plaatse was overleden.
‘Was hij alleen?’ vroeg ik.
‘Er waren mensen bij hem.’
‘Nee. Toen het gebeurde. Was hij bang?’
De agent trok zijn handen terug van zijn knieën.
‘Dat weet ik niet.’
Dat was het eerste antwoord dat ik geloofde.
Eva kwam zonder jas binnen. Later bleek dat ze die in haar haast in de auto had laten liggen. Ze ging naast me zitten en pakte mijn pols vast, alsof ze mijn hartslag moest controleren.
‘Ik moet naar hem toe,’ zei ik.
Ze knikte.
Fien stond voor ons.
‘Is papa in het ziekenhuis?’
Ik keek naar Eva. Zij keek terug. Niemand kon dit van me overnemen.
‘Papa heeft een heel ernstig ongeluk gehad,’ zei ik. ‘Zijn lichaam is zo kapot dat het niet meer werkt. Hij is dood.’
Fien fronste.
‘Maar morgen?’
‘Morgen ook.’
Ze begon te huilen. Niet zacht. Ze schreeuwde dat ik hem moest bellen. Ik hield haar vast terwijl ze tegen mijn borst sloeg.
Ik had nog geen traan gelaten.
Een uur later bracht Eva me naar de plek waar Thomas lag. Haar vriend bleef bij Fien. Onderweg stopten we voor rood bij de Amsterdamsestraatweg. Naast ons zat iemand in een auto een broodje te eten.
Ik vond dat onverdraaglijk.
Een medewerker waarschuwde me dat Thomas verwondingen had. Ze hadden hem zo goed mogelijk verzorgd. Ik mocht zelf bepalen of ik wilde kijken.
‘Ik ben zijn vrouw,’ zei ik.
Alsof dat een toegangsbewijs was.
Zijn gezicht was herkenbaar. Er zat een pleister bij zijn slaap. Zijn haar lag plat, behalve het plukje boven zijn rechteroor dat altijd omhoogstond.
Ik legde mijn hand op zijn borst.
Geen beweging.
‘Je zou rijst eten,’ zei ik.
Eva stond achter me. Ze raakte me niet aan.
Ik wachtte. Mijn hand bleef liggen. Er moest ergens nog iets gebeuren. Een ademhaling. Een kuch. Een geïrriteerd: Noor, je duwt.
Toen pas begon ik te begrijpen waarom die mensen bij ons hadden aangebeld.
Thuis stond de pan nog in de gootsteen. De rijst was één koude klont geworden.
Ik trok Thomas’ laatste bericht weer open.
Daaronder typte ik: *Waar blijf je?*
Ik verstuurde het niet.
Hoofdstuk 2
De blauwe trui
De volgende ochtend werd ik wakker van de vuilniswagen. Even wist ik niets. Ik voelde alleen dat ik slecht had geslapen.
Toen zag ik Eva op een matras naast mijn bed.
‘Nee,’ zei ik.
Ze ging rechtop zitten.
Beneden vroeg Fien of papa nu onder de grond zat. Ze at ondertussen de hagelslag van haar boterham.
‘Nog niet,’ zei ik.
‘Waar dan?’
‘In een gebouw waar ze voor hem zorgen totdat we afscheid nemen.’
‘Heeft hij daar zijn telefoon?’
Ik schudde mijn hoofd.
Zijn telefoon lag in een verzegelde zak op de eettafel. Die had ik de avond ervoor meegekregen, samen met zijn portemonnee en trouwring. Zijn kleren nog niet. Daar had ik niet naar gevraagd.
Om tien uur kwam de uitvaartverzorger. Ze heette Astrid en droeg een groene broek. Ik was haar dankbaar dat ze niet helemaal in het zwart was.
Ze vroeg of Thomas begraven of gecremeerd wilde worden.
‘Weet ik niet.’
Of we een uitvaartverzekering hadden.
‘Weet ik niet.’
Welke muziek hij mooi vond.
Dat wist ik wel. Maar het waren ineens allemaal verkeerde liedjes. Te vrolijk. Te plechtig. Te veel woorden over later.
Astrid schoof haar map dicht.
‘We hoeven niet alles in één gesprek te beslissen.’
‘Wanneer dan?’ vroeg ik scherp. ‘Hij wordt niet minder dood als u morgen terugkomt.’
Ze liet mijn boosheid liggen waar ik hem had neergegooid.
‘Nee,’ zei ze. ‘Dat klopt.’
Thomas’ moeder kwam die middag uit Houten. Ria hield een overhemd op een hanger voor zich. Wit, nog in de plastic hoes van de stomerij.
‘Dit had hij aan op de bruiloft van Bas.’
‘Hij krijgt zijn blauwe trui aan.’
‘Voor een afscheid vind ik een overhemd netter.’
Ik stond op.
‘Hij haatte dat overhemd. Het trok bij zijn schouders.’
Ria keek naar de hanger. Haar mond trilde.
Opeens zag ik niet mijn schoonmoeder, maar een vrouw die kleren voor haar dode zoon had uitgezocht.
Ik ging weer zitten.
‘Die blauwe trui stond hem goed,’ zei ik.
Ze knikte. Het overhemd bleef de hele middag aan de kapstok hangen.
We kozen voor crematie, bij Daelwijck in Utrecht. Thomas had ooit na een begrafenis gezegd dat hij niet onder een steen wilde liggen. Ik had hem toen gevraagd de vaatwasser uit te ruimen. Meer overleg was er niet geweest.
Fien wilde hem zien.
Astrid vertelde precies wat ze zou aantreffen. Papa zou stilliggen. Hij zou koud voelen. Hij kon niet meer praten of zijn ogen openen. Ze hoefde niet dichtbij te komen.
Fien liep meteen naar de kist.
‘Hij heeft zijn slaapgezicht,’ zei ze.
Ik hurkte naast haar.
‘Hij slaapt niet, lieverd.’
‘Dat weet ik.’
Ze legde een tekening naast zijn hand. Ons huis. Drie mensen. Een kat die groter was dan de voordeur.
Daarna wilde ze naar buiten. Er lag grind op het pad en ze zocht een steen met een streep erin. Ik bleef nog tien minuten binnen. Die twee dingen konden blijkbaar op dezelfde middag gebeuren.
Voor de uitvaart schreef ik zes zinnen. Ik schrapte er vier. Alles klonk alsof Thomas een bijzonder soort man was geweest, terwijl ik juist wilde vertellen hoe gewoon hij was. Hoe hij zijn sokken naast de wasmand gooide. Hoe hij voor Fien de stemmen van alle dieren nadeed. Hoe hij altijd beweerde dat hij de weg wist.
Bij de ingang van de aula stonden mensen van zijn werk, de fietsenmaker, buren die ik alleen van gezicht kende. Iedereen keek naar me.
Ik was vierendertig. Ik droeg laarzen waarin nog zand van de speeltuin zat. Op de kaart stond dat ik zijn vrouw was. Iemand fluisterde dat ik nu een weduwe was.
Dat woord paste niet bij mijn lichaam.
Voor de microfoon beefde het papier zo hard dat ik het neerlegde.
‘Thomas kon slecht verliezen,’ zei ik. ‘Ook van een kind van vijf. Dan verzon hij nieuwe regels.’
Er werd gelachen. Kort, voorzichtig.
Ik keek naar Fien. Ze zat tussen Eva en Ria, met een pakje appelsap op schoot.
‘Ik weet niet hoe ik dit zonder hem moet doen,’ zei ik daarna.
Dat was de laatste zin.
Na afloop nam iemand me mee naar een tafel met koffie. Een buurvrouw vroeg of ze iets kon doen.
‘Ja,’ zei ik. ‘Haal morgen de containers binnen.’
Ze knikte opgelucht.
Ik had eindelijk een vraag gesteld waarop iemand een antwoord had.
Hoofdstuk 3
De lade
Elf dagen na de uitvaart begon de rookmelder te piepen. Iedere minuut één kort geluid.
Thomas bewaarde batterijen in de onderste lade van zijn bureau. Dat wist ik. Ik wist ook waar de pleisters lagen en wanneer Fien naar de tandarts moest. Hij wist welk energiecontract we hadden. Zo hadden we het verdeeld, zonder er ooit over te vergaderen.
Onder een doos kabels lag een envelop met zijn naam.
Ik zocht verder naar de batterijen.
Toen pakte ik de envelop toch.
Het was een brief van zijn werkgever. Zijn contract was zes weken voor het ongeluk beëindigd. Er stond iets over een reorganisatie en een vergoeding. Zijn handtekening stond onderaan.
Ik las de datum drie keer.
Die ochtend, zes weken geleden, had hij gewoon zijn fietstas gepakt. Net als alle ochtenden daarna.
In dezelfde lade lagen uitgeprinte sollicitaties. Een afwijzing uit Nieuwegein. Een uitnodiging in Maarssen. De datum van dat gesprek was de dag van het ongeluk.
Ik ging op de vloer zitten.
Boven me piepte de rookmelder.
Thomas had gezegd dat het druk was op zijn werk. Hij had geklaagd over een collega die vergaderingen liet uitlopen. Twee weken voor zijn dood had ik gevraagd of we in de zomer naar Frankrijk konden.
‘Komt goed,’ had hij gezegd.
Ik trok de rest van de lade leeg.
Er lag ook een overzicht van een doorlopend krediet. Ruim zesduizend euro openstaand. Mijn naam stond er niet op, maar ik wist niet wat dat betekende. We waren getrouwd. We hadden een huis. Op de bankrekening stond minder dan ik dacht.
Ik belde zijn vriend Bas.
‘Wist jij dat Thomas ontslagen was?’
Het bleef een seconde stil.
‘Noor—’
‘Wist jij het?’
‘Ja.’
Ik drukte mijn hand tegen mijn mond. Niet om te huilen. Om niet te schreeuwen terwijl Fien boven met haar poppen speelde.
‘Hij wilde het je vertellen zodra hij iets nieuws had.’
‘En jij vond dat een goed idee?’
‘Nee. Dat heb ik ook gezegd.’
‘Maar je hebt wel meegedaan.’
‘Ik heb niet tegen je gelogen.’
‘Je zat hier aan tafel. Je vroeg hoe het op mijn werk ging.’
Bas zuchtte. Dat geluid maakte me razend.
Ik hing op.
Die avond legde ik de brieven voor Eva neer. Ze begon meteen bedragen op te schrijven.
‘Eerst uitzoeken wat er precies is. Morgen bellen we—’
‘Stop.’
Ze legde haar pen neer.
‘Ik wil nu niet dat je het oplost.’
‘Wat wil je dan?’
‘Dat je zegt dat dit een rotstreek is.’
Eva keek naar de brief.
‘Dit is een rotstreek.’
Ik begon zo hard te huilen dat ik geen lucht leek te krijgen. Niet alleen omdat hij dood was. Ook omdat hij mij niet had vertrouwd met iets dat ons allebei aanging. En omdat ik hem daar nooit meer over kon uithoren.
De volgende ochtend maakte ik afspraken met de bank en een notaris. Ik tekende niets zonder uitleg. Ik begreep nauwelijks wat ik las. De notaris zei dat we eerst de nalatenschap zorgvuldig moesten bekijken. Geen haastige beslissingen over schulden. Geen spullen verkopen om zomaar iets af te lossen.
Zijn rustige stem hielp. De woorden zelf bleven moeilijk.
Later bleek dat het krediet ouder was. Een deel van onze keuken was ermee betaald. Ik had destijds geweten dat we geld leenden. Daarna had ik nooit meer naar het saldo gevraagd. Thomas had het beheer gedaan en ik had aangenomen dat het liep.
Dat maakte zijn zwijgen over zijn baan niet kleiner. Wel ingewikkelder dan één verborgen schuld en één bedrogen vrouw.
Ria kwam langs terwijl de papieren nog op tafel lagen.
‘Hij wilde jullie beschermen,’ zei ze.
‘Door me niets te vertellen?’
Ze vouwde haar handen in elkaar.
‘Hij schaamde zich waarschijnlijk.’
‘Dat mag. Maar ik ben degene die het nu moet uitzoeken.’
Ria knikte langzaam.
Voor het eerst verdedigde ze hem niet verder.
Die nacht lag ik wakker aan mijn kant van het bed. Ik wilde zijn warmte voelen. Ik wilde hem wakker schudden en vragen waar hij iedere dag was geweest.
Ik zei het hardop.
‘Je had het moeten vertellen, Thomas.’
Het huis gaf geen antwoord.
Om drie uur stond ik op en verving de batterij van de rookmelder. Daarna ging ik weer liggen. Boos, moe en nog steeds verliefd op dezelfde man.
Hoofdstuk 4
Het kruispunt
Na negen weken nodigde de politie me uit voor een gesprek over het onderzoek. Eva bood aan mee te gaan. Ik wilde Bas vragen, maar had hem nog niet teruggebeld.
Dus ging ik alleen.
Op het bureau kreeg ik koffie in een kartonnen beker. De verkeersrechercheur heette De Groot. Hij vroeg hoeveel details ik wilde horen.
‘Alles.’
Hij schoof een plattegrond naar me toe.
Ik zag een fietspad, een inrit en getekende pijlen. Op die plek was mijn man doodgereden. Op papier leek het een vraag uit een theorie-examen.
De vrachtwagen was rechtsaf geslagen. Thomas reed op het fietspad rechtdoor. Er waren camerabeelden van een bedrijf. Er waren getuigen gehoord. De Groot vertelde wat het onderzoek tot dan toe had opgeleverd en wat nog niet vaststond. De officier van justitie zou later beslissen over vervolging.
‘Dus het is nog niet klaar?’
‘Nee.’
‘Iedereen vraagt steeds of ik al weet wat er is gebeurd.’
Hij knikte.
‘U hoeft niet op alle vragen een antwoord te hebben.’
Ik wees naar een plek op de kaart.
‘Waar lag hij?’
De Groot aarzelde even. Toen wees hij het aan.
Mijn koffie werd koud.
Er was een getuige geweest die meteen naar Thomas toe was gegaan. Een vrouw. Ze had bij hem gezeten tot de hulpdiensten haar overnamen.
‘Kan ik haar spreken?’
‘We kunnen vragen of zij daarvoor openstaat.’
Een week later ontmoette ik haar in een café bij station Maarssen. Ze heette Anja, werkte bij een groothandel en had handen met korte, afgekloven nagels.
We bestelden allebei thee.
‘Ik weet niet wat ik moet zeggen,’ begon ze.
‘Was hij nog wakker?’
Ze keek me recht aan.
‘Toen ik bij hem kwam, reageerde hij niet.’
Ik had gehoopt op woorden. Mijn naam misschien. Of die van Fien. Iets dat alleen voor ons bedoeld was.
‘Ik ben naast hem gaan zitten,’ zei Anja. ‘Ik heb gezegd dat er hulp kwam.’
‘Heeft u hem aangeraakt?’
‘Zijn hand.’
Ik keek naar haar vingers.
‘Dank u.’
Daarna vroeg ik of ze bang was geweest. Ze knikte. Haar thee bleef staan.
We zaten bijna een uur samen. Ze vertelde geen groot verhaal. Ze maakte het niet mooier. Toen we afscheid namen, omhelsde ik haar zo stevig dat ze even haar adem inhield.
Vanaf het café fietste ik naar het kruispunt.
Ik had die plek tot dan toe vermeden. Nu wilde ik zien waar al mijn gedachten steeds uitkwamen.
Er hing een verwelkte bos bloemen aan een hek. Een bestelbus reed over de inrit. Iemand in werkkleding stak een sigaret op bij een laadperron.
Ik zette mijn fiets neer en voelde plotseling mijn benen niet goed meer. Mijn hart bonsde. De weg leek smaller te worden. Ik kreeg mijn jas niet open.
Een man vroeg of het ging.
‘Nee.’
Het woord kwam vanzelf.
Hij wees naar een betonnen rand bij het hek. Ik ging zitten. Hij bleef op een paar meter afstand staan terwijl ik Eva belde.
‘Ik ben bij het kruispunt.’
‘Blijf daar. Ik kom.’
Die avond maakte ik een afspraak bij de huisarts. Ik sliep bijna niet, controleerde voortdurend mijn telefoon en schrok van iedere sirene. De huisarts vroeg ook of ik weleens niet meer wilde leven.
‘Ik wil niet dood,’ zei ik. ‘Ik wil dat dit niet gebeurd is.’
Ze liet een stilte vallen.
‘En soms wil ik een dag niet bestaan,’ voegde ik toe.
We spraken af wie ik kon bellen als dat gevoel erger werd. Ze hielp me ook aan begeleiding bij een psycholoog die ervaring had met verlies na een plotseling overlijden.
Bij ons eerste gesprek vroeg die niet om mijn jeugd. Ze vroeg wat er gebeurde als ik naar bed ging.
‘Dan zie ik een ongeluk dat ik niet heb gezien.’
We begonnen daar.
Ze liet me opschrijven wat ik zeker wist en wat mijn hoofd erbij verzon. Dat klonk bijna beledigend eenvoudig. Toch hielp het een beetje. Vooral op nachten waarop ik mezelf bleef vertellen dat Thomas alleen op het asfalt had gelegen.
Dan las ik mijn briefje.
*Anja zat bij hem. Ze hield zijn hand vast.*
Het maakte zijn dood niet draaglijk.
Het haalde wel één verschrikkelijk beeld weg.
Hoofdstuk 5
Gewoon maandag
In september begon Fien in groep drie. Ik zette haar fiets in het rek bij school en hoorde achter me een vader mopperen dat hij te laat zou komen voor zijn vergadering.
Ik wilde hem bij zijn jas pakken.
In plaats daarvan bukte ik om Fiens rits dicht te trekken.
‘Die zit al dicht, mama.’
Ik liet los.
De juf, Saskia, vroeg of ik na het brengen even kon blijven. Fien had twee kinderen geslagen. Een jongen had gezegd dat zijn vader hem kwam ophalen. Fien had geroepen dat vaders ook onder vrachtwagens konden komen.
Ik staarde naar een rij kapstokken.
‘Ze slaapt slecht,’ zei ik.
‘Dat snap ik. En we moeten haar helpen om dit anders te zeggen.’
Ik hoorde toch vooral dat ik iets verkeerd deed.
Thuis wachtte een nieuwe brief van een verzekeraar. Er ontbrak een bijlage die ik al twee keer had verstuurd. Ik belde, stond twintig minuten in de wacht en snauwde toen tegen de medewerker.
‘Mijn man is niet opnieuw doodgegaan sinds vorige week.’
De vrouw zei niets.
Ik schaamde me en bleef tegelijk boos.
Op mijn werk, een huisartsenpraktijk in Overvecht, was ik voorzichtig begonnen met twee ochtenden administratie. Ik zat nog niet aan de telefoon. Daar was ik bang voor. Eén benauwde patiënt en ik zou alle hulpdiensten tegelijk sturen.
Mijn collega Monique zette een doos gebak op tafel.
‘Voor mijn jubileum. Twintig jaar hier.’
Ik at een tompouce boven een dossier en lachte om een verhaal over de oude fax. Midden in het lachen schrok ik.
Monique zag het.
Ze zei niet dat Thomas gewild zou hebben dat ik gelukkig was. Ze schoof alleen een servet naar me toe, omdat het glazuur op mijn vingers zat.
Daarom kon ik blijven zitten.
Een maand later ging ik naar een lotgenotengroep voor mensen die jong hun partner hadden verloren. We zaten in een buurthuis in Nieuwegein. Er waren zeven mensen en te weinig lepeltjes.
Ik had me voorgenomen niets te zeggen.
Een man met een kaal hoofd vertelde dat hij zijn vrouw miste, maar niet haar familie. Een vrouw zei dat ze eindelijk het lelijke schilderij boven de bank had weggehaald.
Er werd gelachen.
Toen vertelde ik over Thomas’ baan.
‘Soms ben ik woedend,’ zei ik. ‘En daarna voel ik me schuldig omdat ik woedend ben op iemand die dood is.’
Farah, tegenover me, knikte.
‘Mijn man had drie maanden de belastingpost verstopt. Ik heb tegen zijn urn staan schelden.’
Ik keek haar aan.
‘Echt?’
‘Hard ook.’
Voor het eerst sinds de lade had ik niet het gevoel dat ik Thomas verraadde door de waarheid te vertellen.
Thuis bleef het lastig. Fien wilde niet meer dat ik naar de supermarkt ging zonder haar. Als ik boven de was deed, riep ze vanaf de trap waar ik was. Soms twintig keer.
Op een donderdagavond vroeg ze voor de zoveelste keer of ik ook doodging.
‘Iedereen gaat dood,’ zei ik te hard. ‘Dat weet je nu toch?’
Ze kromp in elkaar.
Ik zag haar gezicht en zakte naast haar bed op mijn knieën.
‘Dat klonk boos. Het spijt me. Jij mag het vragen.’
‘Maar ga je?’
‘Ik verwacht dat ik nog heel lang leef. Ik ben gezond. En er zijn mensen die voor jou zorgen als ik iets niet kan. Tante Eva. Oma. We hebben dat afgesproken.’
‘Mag het licht aan?’
‘Ja.’
Ik bleef zitten tot ze sliep.
Met hulp van Saskia vonden we iemand die Fien kon begeleiden. Ze hoefde daar niet netjes over gevoelens te praten. Ze tekende, speelde en stelde dezelfde vragen opnieuw. Ik kreeg advies over wat ik kon zeggen en wanneer ik vooral moest luisteren.
Ria begon Fien iedere woensdag op te halen. Bas repareerde ons tuinhek. Ik had hem eindelijk gebeld. Hij bood zijn excuses aan zonder uitleg voor Thomas erbij.
‘Ik had hem harder moeten aanspreken,’ zei hij.
‘Ja.’
Meer konden we er die middag niet van maken.
Langzaam werden de afspraken op de koelkast belangrijker dan de stapels condoleancekaarten. Woensdag oma. Vrijdag zwemles. Maandag twee uur werken.
Ik vergat nog steeds boodschappen. Soms huilde ik op de wc van de praktijk.
Maar op een gewone maandag lukte het me om Fien op te halen, macaroni te maken en de container buiten te zetten.
Ik vertelde dat in de groep.
Niemand vond het klein.
Hoofdstuk 6
Zijn jas
In november ging de rits van mijn winterjas kapot. Ik trok Thomas’ gele regenjas aan om Fien naar school te brengen.
In de rechterzak zat een kassabon van de bouwmarkt. In de linker een kastanje.
Ik wist meteen wanneer hij die had opgeraapt. Vorig najaar, in het Griftpark. Fien had zijn zakken volgestopt. Hij had gezegd dat ze voortaan huur moest betalen voor de opslag.
Ik bleef met mijn handen in zijn zakken bij de voordeur staan.
‘Mama, we moeten.’
Fien duwde haar fiets al het pad op.
De jas rook niet meer naar hem. Hij rook naar onze gang.
Die middag besloot ik zijn kleren uit te zoeken. Niet omdat het moest van mijn psycholoog of omdat er genoeg maanden voorbij waren. Ik had ruimte nodig in de kast. Iedere ochtend trok ik mijn vest langs zijn overhemden en raakte ik geïrriteerd. Daarna voelde ik me schuldig over die irritatie.
Eva kwam helpen. Ze zette drie dozen neer.
‘Bewaren, weggeven, twijfel?’
‘Geen twijfeldoos.’
Ze trok een wenkbrauw op.
‘Dan wordt alles bewaren.’
We maakten toch een twijfeldoos.
Het eerste uur schoot niet op. Ik hield ieder shirt tegen mijn gezicht, ook de shirts die alleen naar wasmiddel roken. Bij zijn sportbroek moest ik lachen. Er zat nog steeds een gat in de naad dat hij met zwarte tape had gerepareerd.
‘Waarom heb je dit ooit toegestaan?’ vroeg Eva.
‘Ik was zijn vrouw, niet zijn kledinginspecteur.’
Daarna huilde ik om een stapel sokken.
Fien kwam boven toen we bij de truien waren.
‘Gaat papa weg?’
Ik liet het shirt in mijn handen zakken.
‘Nee. We doen sommige kleren weg omdat niemand ze draagt. Jij mag kiezen wat je wilt bewaren.’
Ze koos een rood voetbalshirt en een pet. Daarna pakte ze een gestreepte pyjamabroek.
‘Deze wil ik aan.’
Hij was veel te groot. We rolden de pijpen op. Ze liep ermee naar beneden en gleed bijna van de laatste trede.
De volgende dag belde de bank terug over de hypotheek. Na maanden formulieren was er eindelijk duidelijkheid. Met de uitkering van de overlijdensrisicoverzekering kon een deel worden afgelost. Het nabestaandenpensioen hielp. Ik zou meer moeten gaan werken, maar we hoefden het huis niet direct te verkopen.
Ik vroeg de medewerker dezelfde rekensom tweemaal uit te leggen.
Daarna hing ik op en ging op de keukenvloer zitten.
Dit keer huilde ik van opluchting.
Ook het krediet was uitgezocht. Het was geen bodemloze put. Het bleef geld dat we liever ergens anders aan hadden besteed. Met hulp had ik overzicht gekregen en afspraken gemaakt. Er lag nu een map waarin ik alles zelf kon vinden.
Achterin stopte ik Thomas’ sollicitatiebrieven.
Ik las er één voor ik hem opborg. Hij schreef dat hij nauwkeurig was, goed samenwerkte en graag praktisch bezig was. Het klonk stijf. Helemaal niet als hij.
Onderaan stond een zin over een stabiele toekomst voor zijn gezin.
Ik werd weer boos. Minder fel dan eerst, maar niet minder terecht.
‘Dat had je met mij moeten bespreken,’ zei ik.
Toen deed ik de map dicht.
In december gingen we naar Ria voor Sinterklaas. Thomas speelde altijd voor bezorger. Hij bonkte op de deur en rende achterom. Iedereen wist het, behalve Fien.
Dit jaar had Bas een zak cadeaus meegenomen. Hij vroeg zacht of hij hetzelfde moest doen.
‘Nee,’ zei ik. ‘Zet maar gewoon in de kamer.’
We verzonnen niets nieuws om het oude na te doen.
Halverwege de avond stond Ria op en liep naar de keuken. Ik vond haar naast het aanrecht, met een theedoek voor haar gezicht.
‘Ik mis dat stomme gebonk,’ zei ze.
‘Ik ook.’
We bleven even staan. Toen vroeg Fien uit de kamer wie haar doos kon openmaken.
Ria spoelde haar gezicht af. Ik pakte een schaar.
Later die maand at ik na de lotgenotengroep nog iets met Farah. We praatten over onze kinderen, over huurprijzen en over een beroerde serie. Toen ik thuiskwam, zag ik dat het bijna elf uur was.
Ik had twee uur niet naar mijn telefoon gekeken.
In bed miste ik Thomas meteen weer. Maar de avond was niet ineens mislukt. Ik stuurde Farah een bericht.
*Volgende maand weer?*
Ze antwoordde: *Graag. Maar ergens met betere friet.*
Hoofdstuk 7
Zaterdag aan zee
Op de eerste sterfdag wilde ik niets organiseren. Geen kring met kaarsen. Geen toespraak. Ik wilde ook niet de hele dag thuis zitten wachten tot het kwart over zes werd.
Fien wilde naar zee.
‘Waarom?’ vroeg ik.
‘Omdat ik daar zin in heb.’
Het was het duidelijkste plan dat iemand had voorgesteld.
Ria vond het eerst moeilijk dat we niet samen zouden zijn. We spraken af dat we de avond ervoor bij haar zouden eten. Bas kwam ook. We haalden Chinees en bekeken filmpjes op zijn laptop.
Op één filmpje probeerde Thomas een tent op te zetten in onze achtertuin. Fien was drie en liep steeds met de haringen weg. Hij zei een lelijk woord. In het filmpje riep ik dat hij op zijn taal moest letten.
Mijn eigen stem verraste me het meest. Ongeduldig, ontspannen. Alsof er nog eindeloos veel middagen zouden komen waarop ik me over zijn taal kon opwinden.
‘Nog een keer,’ zei Fien.
We speelden het drie keer af.
De volgende ochtend reden we met Eva naar Wijk aan Zee. Ik zat achter het stuur. De eerste maanden had ik nauwelijks durven rijden. Bij ieder kruispunt verwachtte ik een klap. Nu kostten vrachtwagens me nog steeds extra aandacht, maar ik kon verder rijden zonder langs de weg te stoppen.
Fien had Thomas’ pet op. Hij zakte steeds over haar ogen.
Op het strand waaide het hard. We kochten warme chocolademelk en deelden een zak patat. Er kwam zand in de mayonaise. Fien vond een schelp die volgens haar op een oor leek.
Rond twaalf uur vroeg ze hoe laat papa was doodgegaan.
Ik vertelde wat ik wist.
‘Moeten we dan op dat tijdstip stil zijn?’
‘Dat hoeft niet. Wil jij dat?’
Ze dacht na.
‘Misschien even.’
We zetten geen wekker. Tegen die tijd liepen we langs het water. Ik zei dat dit ongeveer het moment was. Fien stak haar hand in de mijne. Eva bleef aan haar andere kant lopen.
Niemand zei iets.
Na een tijdje vroeg Fien of dode mensen konden horen wat je dacht.
‘Dat weet ik niet,’ zei ik. ‘Ik denk van niet. Maar je mag best tegen papa praten. Ik doe dat soms ook.’
‘Ik heb gezegd dat ik mijn zwemdiploma bijna heb.’
‘Dat is goed om te vertellen.’
Ze trok haar hand los en rende achter een wegwaaiend stuk zeewier aan.
Ik bleef staan.
Er was geen plotselinge rust. Geen gevoel dat ik hem kon loslaten. Ik miste hem op dat strand zo lichamelijk dat mijn armen pijn deden. Hij had naast me moeten staan, met zijn broekspijpen te hoog opgerold en zijn schoenen in zijn hand.
Eva vroeg of we terug moesten.
‘Nog niet.’
We liepen verder.
Het onderzoek naar het ongeluk liep nog. Er waren brieven gekomen en gesprekken geweest. Ik kreeg hulp om te begrijpen wat er mogelijk ging volgen. De afloop zou belangrijk voor me zijn. Maar ik had opgehouden mijn hele leven op die beslissing te laten wachten.
Ik werkte inmiddels drie ochtenden en één middag. Niet altijd zonder fouten. Monique controleerde lastige administratie met me, zoals ik vroeger ook dingen voor haar had nagekeken. Fien sloeg geen kinderen meer op school. Soms kroop ze nog naast me in bed omdat ze bang was dat ik verdwenen zou zijn als ze wakker werd.
Thomas’ nummer stond nog in mijn telefoon.
Zijn gele jas hing aan de kapstok.
Een paar dozen waren weg. Andere stonden boven. Ik had geen datum bepaald waarop die leeg moesten zijn.
Toen we thuiskwamen, wilde Fien pannenkoeken. Eva haalde melk bij de winkel. Ik zette beslag klaar en brak een ei verkeerd, zodat er schaal in de kom viel.
‘Papa kon dat beter,’ zei Fien.
‘Dat klopt.’
‘Jij kunt ze beter omdraaien.’
‘Ook waar.’
Ze schoof een kruk naar het aanrecht en viste met een lepel de stukjes schaal eruit.
Om kwart over zes stonden we te eten. Gewoon aan tafel. Er was nog steeds een stoel waar Thomas vroeger zat. Eva zat erop, omdat die het dichtst bij de keuken stond.
Na het eten schreef ik Fien in voor een proefles judo. Daarna boekte ik voor ons tweeën een klein huisje op Texel, voor drie nachten in de meivakantie.
Ik twijfelde lang voordat ik op bevestigen drukte.
Toen deed ik het.
Ik had nog geen idee hoe die vakantie zou zijn. Misschien zouden we huilen in de auto. Misschien zou Fien na één dag naar huis willen.
Maar we zouden gaan.