Werk en maatschappij
Werk dat weer betekenis heeft
Hoofdstuk 1
Werk dat weer betekenis heeft
Mijn toegangspas deed het niet meer. Achter het glazen poortje keek beveiliger Henk naar zijn scherm. Daarna naar mij.
‘Even wachten, Noor.’
Ik hield de kartonnen doos steviger vast. Er zat nog niets in. Die had ik thuis meegenomen voor mijn mok, mijn schoenen en de foto van mijn dochter. Na zestien maanden ziekte kwam ik mijn spullen ophalen bij het distributiecentrum in Nieuwegein.
Achter Henk schoven mensen hun pas langs de lezer. Piepen. Groen licht. Doorlopen. Vroeger liep ik daar ook. Om kwart voor zeven, met koffie die te heet was en een hoofd vol routes.
Nu kreeg ik het benauwd van het geluid.
‘Je leidinggevende komt eraan,’ zei Henk.
‘Oud-leidinggevende.’
Hij knikte, alsof hij iets verkeerd had aangetikt.
Ik heet Noor de Vries. Ik was tweeënveertig en kon voor drie provincies tegelijk vrachtwagens omleiden. Ik wist welke chauffeur zijn pauze oversloeg, welke klant altijd loog over openingstijden en hoeveel pallets er werkelijk in een te krap geplande rit pasten.
Op een dinsdag was ik onder mijn bureau gaan zitten.
Niet omdat iemand dat had gezegd. Mijn benen hadden het opgegeven. De telefoon bleef rinkelen. Een collega vroeg of ik iets kwijt was. Ik weet nog dat ik antwoordde: ‘Even zoeken.’
Daarna volgden slapeloze nachten, gesprekken bij de huisarts en een psycholoog die steeds vroeg wat ik voelde. Ik gaf haar planningen. Eerst slapen. Dan wandelen. Dan herstellen. Liefst voor september.
Maar september kwam en ik kon nog steeds niet zonder boodschappenlijst de supermarkt in.
Mijn tijdelijke contract was tijdens mijn ziekte afgelopen. Het bedrijf had me ooit een vast contract beloofd. Daar bestond geen papier van.
Marcel kwam uit de lift. Zijn overhemd stond strak over zijn buik.
‘Hé, Noor. Hoe gaat het?’
‘Ik kom mijn spullen halen.’
‘Ja. Natuurlijk.’
Bij mijn oude bureau zat een jonge man met twee beeldschermen. Mijn mok stond naast zijn toetsenbord. Hij had er pennen in gezet.
‘Die is van mij,’ zei ik.
Hij gaf hem meteen aan. Marcel praatte over een nieuw planningssysteem. Ik hoorde vooral het tikken van toetsen en ergens een printer die vastliep.
In de onderste la lag de foto van Mila. Ze was daarop negen. Inmiddels was ze dertien. Ik had een heel schooljaar gemist zonder ergens anders te zijn geweest.
Buiten zette ik de doos op de stoep. Mijn handen trilden zo hard dat de pennen in de mok rammelden. Ik had ze per ongeluk meegenomen.
Thuis vroeg Mila of ik ontslagen was.
‘Mijn contract was afgelopen. Dat wist je toch?’
‘Maar nu pas echt?’
Ik zette de doos onder de kapstok.
‘Ja. Nu pas echt.’
We aten macaroni. Mijn ex, Bas, stuurde een bericht over de kosten van haar schoolreis. Ik legde mijn telefoon omgekeerd op tafel.
De volgende ochtend had ik een afspraak met mijn re-integratiebegeleider, Anja. We zaten in een spreekkamer bij Utrecht Centraal. Buiten ratelden rolkoffers over de tegels.
‘Wat mis je aan werk?’ vroeg ze.
‘Mijn salaris.’
‘En daarnaast?’
Ik wilde zeggen: niets. Maar ik miste dat iemand op mij rekende. Niet voor schone handdoeken of een ondertekend schoolformulier. Voor iets wat ik kon.
‘Dat ik ergens goed in ben,’ zei ik.
Anja schoof geen vacature naar me toe. Dat had ik verwacht. In plaats daarvan noemde ze een fietsenwerkplaats in Kanaleneiland. Spaken. Ze repareerden gedoneerde fietsen voor mensen met weinig geld. Er werkten betaalde krachten, vrijwilligers en mensen die voorzichtig terugkeerden naar werk.
‘Ik kan geen fiets maken.’
‘Je hoeft niet meteen een achterwiel uit elkaar te halen.’
‘En dit is geen truc om me gratis te laten werken?’
‘Dat gaan we vooraf helder krijgen. Uren, begeleiding, doel. En we stemmen af wat binnen je traject mag.’
Ik nam het adres mee. Drie dagen lag het naast de fruitmand.
Op vrijdag fietste ik erheen. Voor de werkplaats stonden kapotte kinderfietsen. Binnen sloeg iemand met een hamer op metaal.
Ik bleef bij de deur staan.
Een man met grijs haar keek op. Aan zijn duim zat zwarte tape.
‘Kom je iets brengen?’
‘Misschien mezelf.’
Hij legde zijn hamer neer.
‘Dan eerst koffie. Ik ben Adil.’
Hoofdstuk 2
De eerste sleutel
De koffie smaakte naar karton. Ik dronk hem toch. Adil had een stoel neergezet met zicht op de deur. Zonder iets te vragen. Later begreep ik waarom. Hij had zelf jaren last gehad van paniekaanvallen.
‘Wat moet je over mij weten?’ vroeg ik.
‘Of je suiker wilt.’
‘Ik bedoel voor het werk.’
‘Vandaag niks. Vandaag kijk je rond.’
In de hal stonden fietsen in drie rijen. Tenminste, dat was de bedoeling. Sturen haakten in elkaar. Aan sommige zadels hing een kaartje. Op een whiteboard stonden namen, telefoonnummers en een boodschappenlijst. Alles met dezelfde zwarte stift.
Een vrouw met een rode bril kwam uit het kantoor. Saskia, de coördinator. Ze gaf me een stevige hand en keek toen naar mijn jas.
‘Je mag hem aanhouden.’
Dat hielp meer dan haar handdruk.
We spraken twee ochtenden van twee uur af. Vier weken proberen. Geen kassa. Geen telefoondienst. Adil zou mijn aanspreekpunt zijn. Anja kreeg de afspraken op papier en zou ze afstemmen met mijn trajectbegeleiding.
‘Als het niet gaat, zeg je het,’ zei Saskia.
Ik knikte. Dat had ik bij mijn vorige werk ook altijd gedaan. Alleen pas wanneer het al weken niet ging.
Mijn eerste taak was onderdelen sorteren. Remblokjes in een bak. Kabels in een andere. Ik zat naast Wesley, een jongen van vierentwintig met een pet waarop een vis stond.
‘Hoe lang ben jij eruit?’ vroeg hij.
‘Anderhalf jaar ongeveer.’
‘Ik drie. Eerst depressief. Daarna vooral bang dat iedereen zou vragen waarom ik niks deed.’
Hij trok aan een kabel en keek niet op. Daardoor kon ik antwoorden.
‘Ik zeg meestal dat ik tussen twee banen zit.’
‘Lange gang,’ zei hij.
Ik lachte. Voor het eerst die ochtend zakten mijn schouders.
Na een uur ging een elektrische slijper aan. Het geluid sneed door mijn hoofd. Mijn vingers werden koud. Ik legde drie remblokjes in de verkeerde bak en stond op.
Adil wees naar een deur achterin.
‘Binnenplaats. Ik kom niet achter je aan, tenzij je dat wilt.’
Buiten stonden twee afvalcontainers en een natte tuinstoel. Ik bleef tien minuten tegen de muur staan. Mijn hoofd maakte er meteen een oordeel van. Zelfs dit kun je niet.
Toen ik terugkwam, had Wesley mijn bak niet aangeraakt.
‘Die slijper duurt nooit lang,’ zei hij. ‘Maar hij zegt het voortaan even.’
Om twaalf uur trok ik mijn jas aan. Er lag nog een halve bak.
‘Zal ik deze eerst afmaken?’
‘Nee,’ zei Adil.
Ik bleef staan.
‘Je tijd is om. Donderdag verder.’
Thuis viel ik op de bank in slaap. Toen Mila binnenkwam, schrok ik wakker. Ik schaamde me voor die twee uur werk en drie uur bijkomen.
‘Hoe was het?’ vroeg ze.
‘Veel.’
Ze zette haar tas neer en begon water te koken. Geen opgewekt verhaal over hoe goed het was dat ik weer iets deed. Daar was ik haar dankbaar voor.
De tweede week kwam een vrouw binnen met een kinderzitje onder haar arm. Haar naam was Rachida. Ze had een afspraak voor een fiets. Die was nodig om haar zoon naar de opvang te brengen voordat haar schoonmaakdienst begon.
Saskia zocht op het bord. Adil zocht tussen de fietsen. Wesley keek in een schrift.
Er was geen fiets klaar.
‘Dinsdag zou hij klaar zijn,’ zei Rachida. ‘Ik heb vrij gevraagd.’
Niemand sprak haar tegen. Dat maakte het erger.
Ik zag hoe ze haar telefoon pakte. Op haar scherm stonden drie gemiste oproepen.
‘Mag ik even kijken?’ vroeg ik.
Het schrift had geen vaste kolommen. Namen stonden tussen bestellingen van banden. De fiets van Rachida bleek achter een stapel dozen te staan. Gerepareerd, maar zonder kaartje.
Adil controleerde hem. Rachida kon twintig minuten later weg.
Daarna trok ik een vel papier naar me toe. Naam. Fietsnummer. Afspraak. Reparatie klaar. Veiligheidscontrole. Gebeld.
‘We hebben wel een systeem,’ zei Saskia voorzichtig.
Ik keek naar het whiteboard.
‘Jullie hebben vier systemen. En ze weten niets van elkaar.’
Ze zweeg even. Toen schoof ze haar stoel bij.
‘Laat eens zien.’
Die middag kreeg ik een bericht van Adil. Alleen een foto. Mijn lijst hing naast de werkbank.
Ik bekeek hem drie keer. Daarna zette ik mijn telefoon uit. Ik wilde niet de hele avond controleren of iemand nog iets nodig had.
Hoofdstuk 3
Rode kaartjes
Na zes weken kende ik het geluid van een los spatbord. Ik kon geen versnelling afstellen, maar hoorde inmiddels wanneer Adil iets ‘bijna klaar’ noemde terwijl er nog minstens een uur werk in zat.
Mijn uren waren in overleg verhoogd naar drie ochtenden. Nog steeds kort. Ik hield een schrift bij. Niet met prestaties, maar met slaap, hoofdpijn en hoe lang ik thuis nodig had om bij te komen.
Dat vond ik vernederend. Tegelijk liet het zien wat ik anders wegpraatte. Na drie drukke ochtenden sliep ik slechter. Na een rustige ochtend kon ik met Mila eten zonder te snauwen om een omgevallen glas.
Mijn lijst werkte. Mensen werden gebeld voordat ze kwamen. Er waren minder boze bezoekers. Saskia vroeg of ik ook de voorraad wilde doen.
‘Nog niet,’ zei ik.
Ik had dat antwoord thuis geoefend. In de badkamer. Mila had door de deur gevraagd of ik ruzie maakte met de spiegel.
Op een maandag stond er een busje voor de werkplaats. Er kwamen achttien fietsen uit, afkomstig uit een ontruimde opslag. Saskia liep er glimlachend omheen.
‘Daar zitten mooie tussen. We hebben zaterdag een uitgiftedag.’
Er zouden mensen van de gemeente komen. En iemand van een fonds dat de werkplaats mogelijk geld wilde geven. Saskia had twintig fietsen toegezegd.
Adil telde op zijn vingers en schudde zijn hoofd.
‘We hebben er zeven gecontroleerd.’
‘Dan moeten we even doorpakken.’
Ik stond met kaartjes bij het busje. Rood voor niet gecontroleerd. Groen nadat een bevoegde monteur de eindcontrole had afgetekend. Dat was een afspraak die we kort daarvoor samen hadden gemaakt.
Een blauwe damesfiets had nieuwe remkabels nodig. Adil trok de achterrem in. De hendel raakte het stuur.
‘Deze niet meegeven.’
Ik hing er een rood kaartje aan.
Donderdagmiddag kwam ik terug omdat ik mijn regenbroek had laten liggen. Eigenlijk was ik moe. Bij de ingang zag ik de blauwe fiets staan. Het rode kaartje was weg. Er hing een groen voor in de plaats.
Op het controleformulier stond geen naam.
Ik kneep in de rem. De hendel kwam nog steeds tegen het stuur.
Wesley kwam uit het magazijn.
‘Weet jij wie deze heeft gedaan?’ vroeg ik.
Hij keek naar de fiets. Toen naar het kantoor.
‘Saskia zei dat die bij de goede kon.’
‘De rem is niet goed.’
‘Misschien alleen verkeerd afgesteld.’
‘Dat maakt voor degene die erop rijdt niet uit.’
Saskia stond te bellen. Ik wachtte bij haar deur tot ze ophing.
‘Er is een fout met die blauwe fiets.’
Ze wreef langs haar ogen.
‘Die moet Adil morgen nog even nalopen.’
‘Dan hoort er geen groen kaartje aan.’
‘Noor, dat kaartje is niet heilig.’
Mijn hart begon te bonzen. Ik zette de fiets dwars voor haar kantoor. Te hard. Het stuur sloeg tegen de deurpost.
‘We hebben afgesproken dat groen gecontroleerd betekent.’
‘En ik heb afgesproken dat we zaterdag twintig mensen helpen. Er staat hier meer op het spel dan jouw lijst.’
Ik hoorde het woord jouw alsof ze het had geroepen.
Daar was ik weer. Bij het distributiecentrum, waar een onhaalbare rit altijd toch in de planning moest. Waar een weigering betekende dat je niet meedacht.
‘Er staat iemand op het spel die moet kunnen remmen,’ zei ik.
Saskia keek naar de hal. Wesley stond nog bij het magazijn.
‘Dit bespreken we morgen.’
Ik hing opnieuw een rood kaartje aan de fiets. Mijn handen trilden. Buiten kreeg ik mijn slot niet open. Ik belde Anja, maar kreeg haar voicemail.
Thuis schreef ik een bericht van drie schermen lang. Ik verwijderde het. Daarna stuurde ik alleen wat ik had gezien, welke afspraak gold en dat ik wilde weten wie de fiets zou controleren.
Om kwart over tien antwoordde Saskia.
‘Ik vind je toon lastig. Laten we dit niet groter maken dan het is.’
Ik legde mijn telefoon op tafel.
Mila keek op van haar huiswerk.
‘Moet je daar morgen heen?’
‘Ik denk het wel.’
‘Je ziet eruit alsof je naar de tandarts moet.’
Ik wilde haar geruststellen. In plaats daarvan zei ik dat ik bang was voor ruzie.
Ze schoof mijn telefoon verder van me af.
Die nacht sliep ik vier uur.
Hoofdstuk 4
Niet weer slikken
Vrijdag om halfnegen zat ik in de spreekkamer van Spaken. Mijn jas lag op schoot. Naast me zat Anja. Ze had na mijn bericht gebeld en gevraagd of ik wilde dat ze meeging.
Mijn eerste antwoord was nee. Mijn tweede was ja.
Saskia kwam binnen met Adil. Ze had een map bij zich en zette die precies recht op tafel.
‘Ik wil eerst zeggen dat niemand hier onveilige fietsen wil meegeven.’
‘Dat geloof ik,’ zei Anja. ‘Maar Noor heeft iets concreets gemeld.’
Adil legde het groene kaartje neer.
‘Die remkabel was niet vervangen. En er zat speling op het balhoofd. De fiets was niet klaar.’
Ik ademde uit. Pas toen merkte ik dat ik op zijn antwoord had gewacht alsof mijn eigen waarneming niet genoeg was.
Saskia keek naar het kaartje.
‘Dan heb ik te snel gehandeld.’
Er viel een stilte. Buiten viel iets metalen op de vloer.
‘Waarom?’ vroeg ik.
Ze schoof de map naar ons toe. Begrotingen. Een aanvraag. Een brief over financiering die aan het einde van het jaar afliep.
‘Omdat we moeten laten zien wat we leveren. Omdat onze huur omhooggaat. Omdat ik niet weet of ik Adil over zes maanden nog kan betalen.’
Adil keek op. Dat laatste wist hij kennelijk niet.
Ik begreep haar haast. Dat maakte me niet rustiger. Ik kende juist de ellende die ontstond wanneer geldproblemen werden opgelost met de inzet van mensen die geen nee durfden te zeggen.
‘Dat kan niet via een groen kaartje,’ zei ik.
‘Nee,’ zei Saskia. Dit keer zonder toevoeging.
We maakten afspraken. Alleen Adil en de andere aangewezen monteur mochten een fiets vrijgeven. Zonder handtekening geen uitgifte. De twintig beloofde fietsen werden er negen. Saskia zou zelf de andere mensen bellen.
Toen vroeg Anja hoe het met mijn belasting ging.
‘Slecht,’ zei ik.
Ik keek naar mijn jas. Ik had verwacht dat ik dat woord beter zou kunnen verdragen nu ik het eerlijk uitsprak.
‘Ik wil volgende week minder komen. En ik ga niet zaterdag helpen.’
Saskia knikte meteen. Misschien uit schaamte. Misschien omdat ze het begreep. Ik hoefde niet te kiezen welke verklaring waar was.
Na het gesprek liep Adil met me naar buiten.
‘Goed dat je het zei.’
‘Ik heb die fiets bijna door haar deur geduwd.’
‘Dat was minder goed.’
We moesten allebei lachen. Kort, opgelucht.
‘Je kunt gelijk hebben en toch te hard binnenkomen,’ zei hij. ‘Maar dat betekent niet dat je dan moet zwijgen.’
Zaterdag bleef ik thuis. Dat klinkt eenvoudiger dan het was. Om negen uur wilde ik vragen hoe het ging. Om tien uur wilde ik toch langsfietsen. Om elf uur stond ik met mijn schoenen aan in de gang.
Mila kwam de trap af.
‘We zouden naar de bibliotheek.’
‘Ja.’
‘Dan moet je die kant op.’
Ze wees naar de voordeur. Ik trok mijn werkplaatsvest uit en hing het terug.
In de bibliotheek aan de Neude zat ik naast haar terwijl ze een boek zocht. Mijn telefoon bleef in mijn tas. Ik las dezelfde bladzijde vier keer. Maar ik bleef zitten.
Maandag belde Saskia. Er waren negen fietsen uitgegeven. Eén wethouder had afgezegd. De medewerker van het fonds was wel gekomen en had vooral vragen gesteld over begeleiding en veiligheid.
‘Hij vond het juist goed dat we onze grens hadden aangegeven,’ zei ze.
Ik voelde geen triomf. Ik was moe van het hele gedoe.
De week erna ging ik twee korte ochtenden. Wesley sprak nauwelijks tegen me. Bij de koffie vroeg ik of er iets was.
‘Ik dacht dat de boel dicht zou gaan door die ruzie.’
‘Dat wil ik niet.’
‘Ik kan niet weer thuis komen te zitten.’
Hij draaide zijn mok rond. Aan de rand zat een barst.
Ik zei niet dat het allemaal goed zou komen. Dat wist ik niet.
‘Ik wil hier ook blijven,’ zei ik. ‘Maar wel zonder dat we dingen moeten verzwijgen.’
Hij knikte langzaam.
Die middag belde ik de psycholoog bij wie ik eerder behandeling had gehad. Ik vroeg om een paar vervolggesprekken. Niet omdat alles mislukt was. Wel omdat ik weer om drie uur wakker lag en in mijn hoofd gesprekken voerde met mensen die thuis in bed lagen.
Hoofdstuk 5
Een echte functie
In november kwam er een vacature bij Spaken. Twaalf uur per week. Medewerker planning en ontvangst. Voorlopig voor een jaar, betaald uit een nieuwe projectbijdrage en inkomsten uit reparaties.
Ik las de tekst op de computer in het kantoor. Er stonden taken in die ik al deed. Afspraken plannen. De voortgang bijhouden. Contact met verwijzers en klanten.
Onderaan stond: flexibel inzetbaar.
Die twee woorden maakten de rest verdacht.
‘Wat betekent flexibel?’ vroeg ik aan Saskia.
‘Dat we soms moeten schuiven.’
‘Met uren? Met dagen? Met taken?’
Ze trok een stoel bij.
‘Dat moeten we concreter opschrijven.’
Sinds het gesprek over de fietsen was ze voorzichtiger met beloften. Niet altijd. Soms riep ze nog vanuit het kantoor of iemand ‘heel even’ zes dozen kon ophalen. Maar ze corrigeerde zichzelf vaker.
Ik wilde solliciteren. Ik durfde het nauwelijks hardop te zeggen. Onbetaald proberen was spannend geweest. Een contract voelde als een examen dat iedere maand opnieuw werd afgenomen.
Anja liet me eerst opschrijven wat ik nodig had. Vaste ochtenden. Een afgebakend takenpakket. Geen berichten buiten werktijd. Iemand die mijn werk overnam als ik er niet was. Geen verantwoordelijkheid voor technische veiligheid.
‘Dat klinkt alsof ik lastig ben,’ zei ik.
‘Het klinkt alsof je weet onder welke omstandigheden je kunt werken.’
We bespraken ook mijn uitkering en de naderende beoordeling rond twee jaar ziekte. Betaald werk zou gevolgen hebben voor de berekening. Er moesten gegevens worden doorgegeven. Een arbeidsdeskundige kon met me meekijken, maar niemand kon vooraf op een bierviltje vertellen wat ik netto zou overhouden.
Ik vond dat moeilijker dan het sollicitatiegesprek. Een fout kon geld kosten dat ik niet had.
Met hulp van Anja belde ik mijn contactpersoon. Ik maakte aantekeningen, vroeg om schriftelijke bevestiging en zette alle brieven in één map. Daarna maakte ik met Bas een tijdelijke afspraak over Mila’s schoolkosten. Hij zou meer voorschieten zolang mijn inkomen niet duidelijk was.
‘Had je eerder mogen vragen,’ zei hij.
‘Dat weet ik.’
Dat wist ik pas sinds kort.
Er waren drie kandidaten. Saskia zat in de sollicitatiecommissie, samen met een bestuurslid, Peter. Ik kende hem alleen van de man die bij bezoek zijn fiets midden in de ingang zette.
Hij bladerde door mijn cv.
‘Je bent eigenlijk overgekwalificeerd.’
‘Voor sommige taken wel. Voor andere niet.’
‘Wat als je straks weer volledig hersteld bent? Ben je dan meteen weg?’
‘Ik kan u niet beloven hoe mijn gezondheid zich ontwikkelt. Ik kan wel vertellen waarom ik dit werk wil doen.’
Ik vertelde over Rachida, maar maakte haar niet tot mijn bewijs van goedheid. Ik vertelde dat een gemiste afspraak voor iemand met weinig geld een verloren werkdag kon betekenen. Dat een werkplaats niet alleen gereedschap nodig had, maar ook een betrouwbare planning.
‘En ik vind het werk leuk,’ zei ik. ‘Dat telt ook.’
Peter vroeg of ik bij drukte extra wilde werken.
‘Niet als vast onderdeel van de oplossing.’
Mijn mond was droog. Ik nam een slok water.
‘Twaalf uur is nu wat ik denk te kunnen dragen. Dat wil ik eerst goed doen.’
Na afloop wist ik zeker dat ik te moeilijk was geweest.
Wesley zat in de kantine toen ik mijn jas pakte.
‘En?’
‘Ik heb waarschijnlijk zeven redenen gegeven om iemand anders te nemen.’
Hij keek naar zijn brood.
‘Ik had die baan ook willen doen.’
Ik bleef staan.
‘Dat wist ik niet.’
‘Ik heb niet gesolliciteerd. Ik dacht dat jij hem toch zou krijgen.’
Het was verleidelijk om meteen te zeggen dat het niet zo was. Maar de functie was inderdaad ontstaan uit taken die ik had opgepakt. Voor mij voelde dat verdiend. Voor hem kon het voelen alsof hij nooit echt een kans had gehad.
‘Heb je dat tegen Saskia gezegd?’
‘Nee.’
‘Doe dat wel. Niet via mij.’
Hij knikte, maar keek me niet aan.
Drie dagen later belde Saskia. Ze bood me de baan aan. Met vaste ochtenden en een gesprek na zes weken over de belasting.
Ik zei dat ik het contract eerst wilde lezen.
Daarna deed ik de keukendeur dicht en huilde ik. Mila klopte aan.
‘Goed of slecht?’
‘Goed. En eng.’
‘Oké,’ zei ze. ‘Dan wacht ik even.’
Hoofdstuk 6
Te veel tegelijk
Mijn eerste loon kwam op een donderdag. Ik zag het bedrag in de bankapp terwijl ik bij de groentekraam op de markt stond. Minder dan vroeger. Niet genoeg om zonder rekenen te leven. Toch bleef ik ernaar kijken tot de verkoper vroeg of ik nog iets wilde.
Ik kocht mandarijnen en een bos tulpen. Thuis zette ik de bloemen in mijn oude werkmok. De stelen pasten er nauwelijks in.
De eerste maand ging goed. Ik werkte maandag, woensdag en vrijdag van negen tot één. Op de deur van het kantoor hing een rooster. Wie buiten die uren een vraag had, kon die in het gezamenlijke logboek zetten.
Ik zette geen werkmail op mijn telefoon.
Dat voelde eerst onprofessioneel. Daarna vooral rustig.
Wesley kreeg een gesprek over zijn eigen wensen. Hij wilde fietstechniek leren en uiteindelijk betaald werken. Er kwam nog geen baan voor hem. Wel een opleidingsplan en een vaste evaluatiedatum. Hij zei dat hij liever een contract had gehad.
‘Snap ik,’ zei ik.
We konden weer samen koffie drinken zonder om de vacature heen te praten.
In januari brak Adil zijn pols. Niet op het werk. Hij gleed uit op de stoep bij zijn huis in Overvecht. Hij stuurde een foto van het gips, met daaronder: onhandig onderdeel.
De andere monteur kon twee extra ochtenden komen. Dat was niet genoeg. Binnen een week stonden er dertig fietsen te wachten.
Saskia vroeg of ik klanten wilde bellen om afspraken te verzetten. Dat hoorde bij mijn werk. Ik begon met een lijst van twaalf nummers.
Bij het vierde gesprek werd een man boos.
‘Jullie begrijpen het niet. Mijn dochter moet naar school.’
‘Ik begrijp dat het vervelend is.’
‘Nee. U zegt het. Dat is wat anders.’
Ik keek naar het rooster. Er stond een lege plek op dinsdagmiddag. Zonder monteur had die plek geen betekenis. Toch hoorde ik mezelf zeggen dat ik zou kijken wat ik kon regelen.
Daar begon het.
Ik belde een andere werkplaats. Ik vroeg Wesley of hij een fiets kon ophalen. Ik bleef een uur langer om een uitleenoverzicht te maken. Thuis dacht ik aan een reservefiets die misschien nog in het magazijn stond.
Om halfelf logde ik via de laptop in.
Na drie dagen had ik hoofdpijn die niet wegging. Ik werd wakker voordat de wekker ging. Tijdens het eten zei Mila iets over een presentatie. Ik vroeg twee keer hetzelfde.
‘Je bent weer niet hier,’ zei ze.
‘Ik luister wel.’
‘Wat zei ik dan?’
Ik wist het niet.
Vrijdag stond ik in de werkplaats met een sleutelbos in mijn hand. Ik moest de voorraadkast openen. Ik herkende geen enkele sleutel, hoewel er gekleurde labels aan zaten.
Wesley zag me staan.
‘Noor?’
‘Even wachten.’
Mijn hart ging te snel. Het geluid in de hal leek verder weg en tegelijk harder. Ik wilde naar buiten zonder dat iemand keek.
Wesley pakte de sleutelbos niet af. Hij schoof een stoel naar me toe.
‘Ik haal Saskia.’
‘Nee.’
Hij bleef staan.
Ik keek naar de vloer.
‘Ja. Doe maar.’
Saskia bracht me naar het kantoor. Ik zei dat ik alleen even moest zitten. Toen vroeg ze hoeveel uur ik die week werkelijk had gewerkt.
Ik telde. De extra middag. Het bellen thuis. De laptop.
‘Bijna achttien.’
Ze zakte achterover.
‘Dat hebben we niet afgesproken.’
‘Ik weet het.’
‘Ik heb je ook te veel vragen gegeven.’
Ik meldde me ziek. Twee dagen later sprak ik de huisarts. Via de werkgever volgde een afspraak met de bedrijfsarts. Het advies was niet om alles op te geven, maar om eerst terug te schakelen en het werk opnieuw af te bakenen.
Toch voelde het als bewijs dat het contract een fout was geweest.
Anja vroeg wat er nu anders was dan in het distributiecentrum.
‘Ik ben weer uitgevallen.’
‘Hoe lang heb je deze keer gewacht voordat je hulp toeliet?’
Ik dacht aan die maanden vroeger. Aan liegen over slapen. Aan pijnstillers in mijn bureaula.
‘Een paar dagen.’
Dat was geen overwinning waar ik zin in had. Maar het was wel een verschil.
Saskia schrapte de geplande uitgiftedag. We namen tijdelijk minder fietsen aan. Klanten kregen een eerlijke wachttijd.
Niemand was daar blij mee. De werkplaats bleef open.
Hoofdstuk 7
Vrijdag om één uur
In april kon ik weer twaalf uur werken. Niet vanzelf. Ik had een paar weken minder uren gedraaid en taken afgestoten. De voorraad was teruggegaan naar Saskia. Wesley hield de inname bij. Ik deed de afspraken en de planning, niet alle problemen die daarachter vandaan kwamen.
Adil was terug met een stijve pols. Hij liet een zware fiets door iemand anders op de standaard tillen. De eerste keer keek hij erbij alsof hij een geheime nederlaag bekende.
‘Lastig hè,’ zei ik.
‘Hou jij nou maar je mond.’
Hij grijnsde en stak zijn hand naar de lichtere gereedschapsbak uit.
We hadden op woensdag een kort werkoverleg. Geen rondje waarbij iedereen zei dat het druk was en daarna verder rende. We keken naar beschikbare uren, beloofde afspraken en wat niet kon. Dat laatste kwam voortaan ook op het bord.
Soms was ik degene die iets toch wilde inpassen. Dan wees Wesley naar de lijst.
‘Niet stiekem een vierde systeem beginnen.’
De onzekerheid over geld verdween niet. Mijn inkomsten uit werk waren verwerkt in de besluiten over mijn uitkering. Ik had hulp nodig gehad om de berekeningen te begrijpen. Er kwam een correctie die over twee maanden werd verrekend. Dat was krap, maar doordat ik geld apart had gehouden hoefde ik niet bij mijn ouders aan te kloppen.
Mijn gezondheid paste ook niet netjes bij een besluit op papier. Sommige dagen liep ik zonder moeite door een volle hal. Op andere dagen maakte een rinkelde telefoon me misselijk. Ik probeerde daar geen dagelijks rapportcijfer meer van te maken.
Eind mei zat ik opnieuw tegenover Peter, het bestuurslid. Dit keer voor een functioneringsgesprek. Hij had zijn fiets buiten in het rek gezet.
‘We willen je contract verlengen,’ zei hij. ‘Voor een jaar. We hebben nog geen dekking voor een vast contract.’
Ik voelde opluchting en ergernis tegelijk.
‘Wanneer weten jullie meer over structurele financiering?’
Saskia noemde een datum en legde uit welke inkomsten zeker waren en welke niet. Ik vroeg of die uitleg ook met de rest van het team gedeeld kon worden.
Peter schreef het op.
Er kwam geen belofte dat alles goed zou blijven. Wel een nieuw contract, hetzelfde aantal uren en een bescheiden loonstap volgens de afgesproken schaal. Ik nam de papieren mee naar huis.
Bas keek er op mijn verzoek naar. Vroeger had ik hulp bij een contract bemoeienis gevonden. Nu schoof ik de pagina naar hem toe.
‘Zie jij iets geks?’
Hij wees op een onduidelijke passage over extra uren. Die liet ik aanpassen voordat ik tekende.
In juni kwam Rachida terug naar de werkplaats. Haar zoon zat niet meer in het kinderzitje. Hij stond naast haar met een rugzak die bijna tot zijn knieën hing.
‘Lekke band,’ zei ze.
Ik zocht een afspraak. Over twee dagen was er ruimte.
‘Ik heb de fiets nodig voor mijn werk.’
Mijn vingers bleven boven het toetsenbord hangen. De oude reflex was er meteen. Iets regelen. Ergens tussen drukken. Zelf iemand bellen.
Ik keek naar het overzicht van leenfietsen. Eén beschikbaar, gecontroleerd en met een werkend slot.
‘Je kunt deze tot donderdag meenemen.’
Ze glimlachte.
‘Dat scheelt.’
Meer hoefde het niet te zijn. Ze vertrok. Ik zette de afspraak in het systeem en ging verder met de volgende klant.
Die vrijdag kwam Mila langs. Ze moest voor school iemand interviewen over werk. Ze had mij gekozen, maar alleen nadat ze had gecontroleerd of ik geen lang verhaal over doorzetten zou houden.
We zaten op de binnenplaats. De natte tuinstoel was vervangen door twee stapelstoelen. Er stonden nog steeds afvalcontainers.
‘Wat vind je het moeilijkst?’ vroeg ze, met haar telefoon tussen ons in.
‘Stoppen als iets niet af is.’
‘En het leukste?’
Ik dacht na.
‘Dat ik iets kan organiseren waardoor mensen krijgen wat is afgesproken.’
Ze keek op.
‘Dat klinkt een beetje saai.’
‘Het is heerlijk saai als het goed gaat.’
Om vijf voor één ging mijn alarm. Ik maakte mijn notitie af en droeg twee openstaande vragen over aan Saskia. Achter in de hal riep iemand mijn naam.
‘Maandag,’ zei ik. ‘Tenzij het nu echt niet kan wachten. Dan moet je bij Saskia zijn.’
Het kon wachten.
Buiten maakte Mila haar fiets los. We zouden broodjes halen en daarna naar huis. Ik had nog energie om te vragen hoe haar presentatie was gegaan. Dit keer luisterde ik naar het antwoord.
Achter ons ging de deur van de werkplaats open. Even keek ik om. Wesley zwaaide en rolde een fiets naar binnen.
Ik stapte op en reed naast mijn dochter weg.