Naar de inhoud
Terug naar het boek

Werk en maatschappij

Werken met een beperking

Hoofdstuk 1

Werken met een beperking

De achterwielen van mijn rolstoel zakken weg tussen twee stoeptegels. Ik hoor het busje al voordat ik het zie. De chauffeur rijdt achteruit, recht op mij af.

‘Stop!’ roep ik.

Hij remt. Zijn bumper staat zo dichtbij dat ik mijn gezicht erin zie. Bleek. Mond open. Niet de eerste indruk die ik had willen maken.

Een man in een oranje vest komt uit het magazijn. Hij trekt mijn stoel zonder iets te vragen los.

‘Zo, opgelost.’

‘Volgende keer eerst vragen.’

Hij laat de handvatten los. ‘Sorry. Je stond nogal ongelukkig.’

Ik kijk naar de scheve tegels. ‘Dat klopt.’

Het is maandagochtend, kwart voor negen. Ik heet Noor van Dijk, ben zesendertig en heb over vijftien minuten een sollicitatiegesprek bij Linde Logistiek in Amersfoort. Achter de glazen voordeur ligt mijn eerste kans op betaald werk in bijna drie jaar.

De man wijst naar een zijdeur. ‘Daar kun je makkelijker naar binnen. Ik ben Bilal.’

‘Noor.’

‘Succes, Noor.’

Binnen ruikt het naar koffie en nat karton. Een vrouw met een rode bril schuift een doos van een stoel, ziet mijn rolstoel en zet de doos terug.

‘Automatisme,’ zegt ze. ‘Ik ben Saskia. Personeelszaken.’

Ik glimlach. Ze kijkt niet weg. Dat helpt.

Aan de vergadertafel zit Erik, hoofd planning. Hij heeft mijn cv voor zich. Naast zijn elleboog ligt een telefoon die voortdurend oplicht.

‘Acht jaar ervaring bij een groothandel in Nieuwegein,’ zegt hij. ‘Daarna een gat.’

‘Een ongeluk. Revalidatie. Een baan die niet op me bleef wachten.’

Hij knikt naar mijn stoel. ‘Blijvend?’

‘Ja. Ik kan korte stukjes staan. Lopen is geen bruikbaar vervoermiddel meer.’

Het klinkt geoefend omdat het geoefend is. Bij de bakker. Op verjaardagen. Bij eerdere gesprekken. Mensen willen vaak eerst weten wat mijn benen nog kunnen. Pas daarna komt de rest.

Erik draait mijn cv om.

‘Wij zoeken iemand voor vierentwintig uur. Vroege diensten. Veel telefoon. Chauffeurs die haast hebben. Klanten die nog meer haast hebben.’

‘Klinkt als planning.’

Hij schuift een vel naar me toe. Drie vrachtwagens. Zeven afleveradressen. Een chauffeur die over een uur aan zijn maximale rijtijd zit. Eén vertraagde levering in Zwolle.

‘Wat doe je?’

Eindelijk een normale vraag.

Ik pak mijn pen. Laat de vrachtwagen uit Apeldoorn de levering overnemen. Verplaats twee kleine zendingen. Bel eerst de klant met het smalste tijdvenster, niet degene die het hardst belt.

Erik zet zijn telefoon op stil.

‘Waarom niet deze chauffeur?’ Hij wijst.

‘Omdat hij dan bij Barneveld stilvalt. Je schuift het probleem alleen op.’

Twintig minuten later praten we over werktijden.

Ik vertel wat ik nodig heb. Een verstelbaar bureau. Een bruikbaar toilet. Een parkeerplek met ruimte naast de auto. Vier dagen van zes uur, niet drie dagen van acht. Na zes uur zitten wordt mijn rug onbetrouwbaar. Dan krijg ik zenuwpijn die soms tot de volgende ochtend blijft hangen.

‘En hoe vaak ben je ziek?’ vraagt Erik.

‘Dat kan ik niet voorspellen. Jij wel?’

Saskia kijkt naar haar notitieblok. Erik wrijft langs zijn kin.

‘Nee,’ zegt hij. ‘Terechte opmerking.’

We lopen, of in mijn geval rollen, langs de werkplekken. Het aangepaste toilet staat vol dozen printerpapier. Voor de zijdeur ligt een losse rubberen drempelhulp.

‘Dat regelen we,’ zegt Saskia.

Ik wil haar geloven. Dat is gevaarlijk. Sinds mijn ongeluk heb ik ontdekt hoeveel ruimte er zit tussen iets beloven en het werkelijk doen.

Toch vraag ik wanneer ik kan beginnen.

Buiten zit Bilal op een krat. Hij eet een boterham met kaas.

‘En?’

‘Ze bellen.’

‘Dat zeggen ze altijd.’

‘Dank je voor de bemoediging.’

Hij grijnst en staat op om de deur voor me open te houden. Deze keer blijft hij van mijn stoel af.

Thuis leg ik mijn nette broek over een stoel. Onder de tailleband staat een rode drukplek. Ik ga op bed liggen voordat ik mijn vriendin Marit bel.

‘Hoe ging het?’ vraagt ze.

‘Ik kon het nog.’

‘Wat?’

‘Dat werk. Ik zag meteen waar het vastliep.’

Donderdag belt Saskia. Een contract voor zeven maanden. Vierentwintig uur per week. Het bureau is besteld. Het toilet wordt vrijgemaakt.

Ik zeg ja voordat mijn angst tijd krijgt om iets in te brengen.

Hoofdstuk 2

Een eigen pas

Op mijn eerste werkdag ligt er een toegangspas naast het toetsenbord. NOOR VAN DIJK staat erop, met een foto die Saskia van mijn sollicitatiemail heeft gehaald. Mijn haar zit scheef. Ik vind het een prachtige pas.

Mijn bureau staat bij het raam. Het kan omhoog en omlaag. Onder het blad zit alleen een kabelgoot precies waar mijn knieën moeten komen.

‘Schroevendraaier,’ zegt Bilal, als hij het ziet.

Vijf minuten later ligt de goot op de grond. Hij vraagt waar de kabels dan wel kunnen. Ik wijs. Hij wacht tot ik goed zit voordat hij iets vastzet.

Naast me werkt Daan. Vierentwintig, snel met toetsen en langzaam met begroeten.

‘Wachtwoord staat onder je muismat,’ zegt hij.

‘Veilig.’

‘We zijn heel professioneel.’

Om halfacht gaat de eerste chauffeur los aan de telefoon. Zijn laadnummer klopt niet. Hij staat in Ede en moet volgens ons systeem in Veenendaal zijn.

Daan steekt zijn hand uit voor de hoorn.

Ik draai iets weg. ‘Welke bedrijfsnaam staat er op het hek?’

De chauffeur noemt een naam. Ik zoek het adres, vind een oude klantcode en stuur hem de juiste gegevens.

‘Tien minuten omrijden,’ zeg ik. ‘Ik bel dat je eraan komt.’

Als ik ophang, trekt Daan zijn hand terug.

‘Welkom.’

Tegen tien uur doen mijn schouders pijn. Niet van het werk. Van het rechtop zitten en doen alsof ik nergens last van heb. Ik zet een herinnering in mijn telefoon om mijn houding te veranderen. Wanneer het alarm trilt, druk ik het weg. Erik staat achter me en vraagt naar een spoedrit.

Om twaalf uur trilt het opnieuw. Weer weg.

Tijdens de lunch gaan mijn collega’s naar de kantine boven. Er is geen lift. Saskia had gezegd dat vergaderingen beneden zouden plaatsvinden. Over lunch had ik niets gevraagd.

Daan blijft bij zijn scherm zitten.

‘Je hoeft geen gezelschap te houden,’ zeg ik.

‘Ik eet altijd hier.’

Hij opent een bak koude pasta. Het stelt me meer gerust dan vriendelijkheid had gedaan.

Om half twee eindigt mijn dienst. Om twee uur werk ik nog. Een klant heeft twee pallets te weinig ontvangen. Ik wil laten zien dat ik niet op de klok kijk.

Om kwart over twee rijdt Erik langs mijn bureau met zijn jas al aan.

‘Goed begin, Noor. Tot morgen.’

In de auto krijg ik mijn benen moeilijk in de juiste positie. Mijn onderrug brandt. Thuis laat ik een bord vallen omdat ik tegelijk mijn evenwicht probeer te bewaren en de koelkast wil sluiten.

Ik blijf tussen de scherven zitten totdat Marit komt.

‘Je kon bellen,’ zegt ze.

‘Voor een bord?’

Ze pakt een stoffer. ‘Voor jezelf.’

We wonen niet samen. Ze heeft een kleine bovenwoning in Utrecht. De trap daar heeft onze relatie veranderd in een agenda. Zij komt naar mij. Bijna altijd zij. Soms neem ik die vanzelfsprekendheid kwalijk, terwijl niemand haar gekozen heeft.

Die avond vraagt ze hoeveel uur ik heb gewerkt.

‘Bijna zeven.’

‘Je contract is zes per dag.’

‘Ik ga niet op dag één moeilijk doen.’

Ze kijkt naar de scherven in de afvalbak, maar zegt niets.

De tweede week krijg ik mijn eerste foutmelding van buiten het bedrijf. In mijn digitale overzicht bij het UWV staat nog niets over mijn loon. Ik heb mijn nieuwe werk doorgegeven, maar weet niet wat het betekent voor de uitkering die ik voorlopig nog deels krijg.

Ik bel in mijn pauze. Na achtentwintig minuten wachten neem ik haastig een hap brood wanneer iemand opneemt.

‘Bewaar uw loonstroken,’ zegt de medewerker. ‘De verrekening volgt later.’

‘Hoeveel moet ik opzijzetten?’

Ze kan het niet precies zeggen.

Ik maak thuis een apart spaarpotje in mijn bankapp. Voor mogelijk terugbetalen. Het voelt vreemd om salaris te verdienen waar ik niet aan durf te komen.

Vrijdag brengt Bilal koffie.

‘Je ziet wit.’

‘Dat is mijn winterkleur.’

‘Het is mei.’

Ik lach. Dan vertel ik hem dat de werkdagen zwaarder zijn dan ik had verwacht.

‘Zeg dat tegen Erik.’

‘Ik zit nog in mijn proeftijd.’

Bilal kijkt naar mijn pas, die aan het bureau hangt.

‘Die krijg je niet voor doen alsof. Je moet hier kunnen werken.’

Wanneer mijn alarm die middag trilt, laat ik het uitgaan. Ik bel de klant terug na mijn pauze.

Hoofdstuk 3

De verkeerde deur

De zijdeur gaat niet open. Ik houd mijn pas opnieuw tegen de lezer. Groen licht. Een klik. Toch blijft de deur dicht.

Door het raam zie ik een pallet met dozen staan. Precies tegen de binnenkant.

Het regent. Water loopt langs mijn mouw naar mijn elleboog. Ik bel Daan.

‘Kun je even naar de zijdeur?’

‘Zitten er weer dozen?’

Weer.

Hij trekt de palletwagen weg. Binnen rijdt mijn natte voorwiel over zijn schoen.

‘Sorry.’

‘Ik had beter uit moeten kijken.’

Bij mijn bureau trek ik mijn vest uit. Mijn shirt eronder is ook nat. Om kwart over zeven loop ik al achter met de ritten naar Noord-Holland.

Erik komt langs.

‘Waarom stond de lijn nog niet open?’

‘Omdat ik buiten stond.’

Hij kijkt naar mijn mouw. ‘Ik zeg het tegen het magazijn.’

Dat zegt hij die week drie keer.

Op donderdag stuur ik een mail. Geen boze. Ik lees hem zes keer terug voordat ik op verzenden druk. De zijdeur moet vrij blijven. Niet alleen voor mij. Het is ook een nooduitgang.

Ik stuur hem aan Erik en Saskia. Onderwerp: toegang werkplek.

Binnen tien minuten staat Erik naast me.

‘Had gewoon even geroepen.’

‘Dat heb ik gedaan.’

‘Een mail maakt het meteen zo formeel.’

‘Een dichte deur maakt het ook nogal concreet.’

Daan kijkt strak naar zijn scherm.

Erik haalt adem. ‘We zitten midden in een verbouwing. Geef het wat tijd.’

Die middag verdwijnen de dozen. Op de vloer komt gele tape. Ik maak er een foto van, meer uit opluchting dan als bewijs.

Twee weken later gaat het brandalarm af.

Het geluid snijdt door elk gesprek. Ik sla mijn bestand op. Daan pakt zijn telefoon. Achter ons duwen stoelen tegen bureaus.

‘Oefening,’ zegt iemand.

Niemand heeft mij verteld dat er een oefening zou zijn. Ook niet wat mijn route is als de zijdeur onbruikbaar is.

Ik rijd naar buiten. Achter de deur ligt de rubberen drempelhulp scheef. Aan de voet ervan staat een lege rolcontainer. Ik kan er niet langs zonder over de rand van de helling te rijden.

Bilal komt uit het magazijn.

‘Wacht.’

Hij trekt de rolcontainer weg. Ik zet mijn voorwielen op de rubberen plaat. Die verschuift. Mijn stoel kantelt naar links.

Ik grijp de deurpost. Mijn hand klapt tegen het metaal. Bilal duwt tegen de zijkant van mijn stoel. Samen krijgen we hem weer recht.

Een paar seconden hoor ik niets behalve mijn adem.

‘Alles heel?’ vraagt hij.

Mijn hand bonst. Ik knik, hoewel ik het nog niet weet.

Op de verzamelplaats staan collega’s in groepjes. Iemand maakt een grap over een extra rookpauze. Erik telt hoofden met een lijst in zijn hand.

‘Noor?’

Ik steek mijn pijnlijke hand op.

Na afloop komt de preventiemedewerker naar mijn bureau. Hij heet Frank en doet normaal gesproken de inkoop.

‘Bilal zei dat het bijna misging.’

‘Het ging mis. Ik ben alleen niet gevallen.’

Hij schrijft iets op.

‘We moeten even bekijken of deze werkplek geschikt voor je is.’

Ik voel mijn nek warm worden.

‘Bedoel je het gebouw, of bedoel je mijn baan?’

‘Zo bedoel ik het niet.’

‘Schrijf dan op dat de nooduitgang geblokkeerd was en de drempelhulp verschoof.’

Hij laat zijn pen boven het papier hangen. Dan schrijft hij verder.

Bij de huisarts blijkt mijn hand gekneusd. Geen breuk. Ik krijg het advies hem te ontzien. Ik kijk naar de hoepels van mijn rolstoel. De huisarts volgt mijn blik.

‘Voor zover mogelijk,’ voegt ze toe.

Die avond stuur ik Saskia een verslag. Tijdstip. Plaats. Namen. Een foto van mijn gezwollen hand. Ik zet erbij dat ik wil weten hoe ik veilig naar buiten kan.

Daarna klap ik mijn laptop dicht.

Marit zit tegenover me met twee borden eten.

‘Wat denk je?’ vraagt ze.

‘Dat ik straks bekendsta als degene met klachten.’

‘Je hebt een klacht.’

‘Dat is niet hetzelfde.’

Ze schuift mijn bord dichterbij.

Mijn telefoon licht op. Een bericht van Bilal.

Als ze vragen wat er gebeurde, vertel ik het.

Ik lees het twee keer. Daarna eet ik met mijn linkerhand.

Hoofdstuk 4

Op papier

Saskia nodigt me uit voor een gesprek op dinsdag. Erik zit er al wanneer ik binnenkom. Op tafel ligt mijn mail, uitgeprint in kleur. Mijn paarse hand ziet er op papier erger uit dan in het echt.

‘We willen eerst zeggen dat we geschrokken zijn,’ begint Saskia.

Erik schuift zijn stoel naar achteren. ‘Die uitgang wordt aangepakt.’

‘Wanneer?’

‘Er komt vrijdag iemand kijken.’

Ik wacht. Kijken is geen datum waarop iets klaar is.

Saskia noteert dat we een tijdelijke veilige route nodig hebben. Dan draait Erik een ander vel om.

‘Daarnaast moeten we het over je inzetbaarheid hebben.’

Mijn vingers worden koud.

Hij noemt mijn vertrek om half twee. Mijn pauzes. De ochtend waarop ik door mijn gekneusde hand later was. Vervolgens een levering in Alkmaar die verkeerd was aangemeld.

Die fout was van mij. Ik had een huisnummer verkeerd overgenomen. Dat heb ik dezelfde dag gemeld en opgelost.

‘Die levering klopt,’ zeg ik. ‘Maar half twee is mijn eindtijd.’

‘In deze functie is flexibiliteit belangrijk.’

‘Daarom hebben we vier dagen van zes uur afgesproken.’

‘We merken dat het team soms moet opvangen.’

Ik kijk naar Saskia. ‘Wat precies?’

Er volgt geen lijst. Alleen een verhaal over drukte en samen de schouders eronder zetten.

‘Als jullie meer uren nodig hebben, hebben jullie meer bezetting nodig,’ zeg ik. Mijn stem klinkt scherper dan ik wil.

Erik vouwt zijn handen. ‘Je hoeft niet meteen in de verdediging.’

Na het gesprek rijd ik het toilet in. Er staan geen dozen meer. Dat is vooruitgang, denk ik, terwijl ik de deur op slot draai en huil zonder geluid.

Ik ben niet bang voor kritiek. Voor mijn ongeluk kreeg ik die ook. Maar toen hoefde ik niet bij elke opmerking uit te zoeken of mijn werk werd besproken of mijn aanwezigheid.

In de lunchpauze zoek ik het nummer van mijn vakbond. Ik ben lid gebleven, vooral omdat opzeggen op een van mijn vele lijstjes stond en nooit bovenaan kwam.

Een vrouw die Renske heet, belt die middag terug.

‘Stuur je contract en de afspraken over je uren,’ zegt ze. ‘En maak een eigen verslag van het gesprek.’

‘Gaan ze me eruit werken?’

‘Dat weet ik niet. Laten we niet vooruitlopen op wat we niet weten.’

Die zin brengt meer rust dan geruststelling had gedaan.

Renske helpt me onderscheid maken. Werkfouten mogen besproken worden. Afgesproken werktijden zijn geen gunst. Aanpassingen moeten serieus worden bekeken. Een tijdelijk contract kan alsnog eindigen. Ze belooft me geen vaste baan en geen gewonnen zaak.

‘Wat wil jij nu?’ vraagt ze.

‘Hier kunnen blijven zonder mezelf kapot te werken.’

Op haar advies vraag ik een gesprek met de bedrijfsarts. Ik ben niet ziekgemeld, maar wil voorkomen dat ik uitval.

De arts zit in een kantoor bij station Amersfoort Schothorst. Ze vraagt wat mijn werk inhoudt. Hoe lang ik zit. Wanneer de pijn begint. Ze vraagt niet naar mijn hele ongeluk.

‘Ik sla pauzes over,’ zeg ik.

‘Waarom?’

‘Omdat ik niet lastig wil zijn.’

Ze laat een stilte vallen.

‘En werkt die aanpak?’

Ik lach één keer. Hard en zonder plezier.

We bespreken korte onderbrekingen, een vaste eindtijd en de mogelijkheid om een deel van het administratieve werk thuis te doen. Zij kan adviseren over wat ik nodig heb. Mijn medische verhaal hoeft niet naar Erik.

Intussen laat Bilal me zien wat er met de uitgang gebeurt. De losse rubberen plaat gaat weg. Een bedrijf meet een vaste helling in. Frank maakt met mij een tijdelijke route door de expeditie vrij en loopt die daadwerkelijk na.

‘Hier draait de deur verkeerd voor jou,’ zeg ik.

Hij probeert hem vanuit mijn positie te openen. Dat lukt niet.

‘Goed dat je het zegt.’

Op vrijdag stuur ik mijn gespreksverslag aan Saskia en Erik. Ik voeg de oorspronkelijke urenafspraak toe. Geen verwijten. Wel vragen om concrete voorbeelden en een datum voor overleg.

Daarna ga ik om half twee naar huis.

Erik is aan het bellen wanneer ik mijn jas aantrek. Ik steek mijn hand op. Hij knikt.

Buiten schijnt de zon. Ik ben nog steeds bang. Maar thuis hoef ik die middag niet meteen naar bed.

Hoofdstuk 5

De verdwenen uren

In augustus wordt het drukker dan iedereen had voorspeld. Een nieuwe klant levert onderdelen aan fietsenwinkels. Kleine zendingen, veel adressen, voortdurend wijzigingen. Mijn scherm staat vol rode vakken.

De vaste helling ligt er inmiddels. De zijdeur blijft vrij. Ik kan binnenkomen zonder eerst iemand te bellen. Na drie dagen merk ik dat ik er niet meer over nadenk.

Dat had vanaf het begin zo moeten zijn.

We hebben ook nieuwe afspraken. Mijn dienst stopt om half twee. De overdracht begint om kwart over één. Twee korte pauzes staan in de planning. Op donderdag werk ik thuis aan factuurcontroles en routebestanden.

Daan vindt vooral die overdracht lastig.

‘Dus ik krijg elke middag jouw ellende?’ vraagt hij.

‘Zoals ik elke ochtend die van de avonddienst krijg.’

‘Daar zit wat in.’

Toch klinkt hij niet vrolijk.

Op een woensdag gaat het mis met een vrachtwagen bij Harderwijk. Motorstoring. De vervangende chauffeur staat in Lelystad. Ik regel een overstaplocatie en bel zes klanten. Om kwart over één is het probleem nog niet opgelost.

Daan komt naast me staan.

‘Geef maar.’

Ik leg alles uit. Hij wijst naar een notitie.

‘Heeft die man zijn pauze gehad?’

Ik heb het niet gevraagd.

Hij belt de chauffeur. De hele planning moet opnieuw.

‘Dat had je moeten checken,’ zegt hij.

‘Ja.’

‘Ik zit hier straks tot vijf uur door.’

Ik wil zeggen dat mijn rug brandt. Dat ik nauwelijks geslapen heb. Maar dat maakt mijn fout niet kleiner.

‘Sorry. Ik had het moeten checken.’

De volgende ochtend praat hij alleen over werk. Tegen tien uur ben ik het zat.

‘Ben je boos over gisteren, of over mijn uren?’

Hij draait zijn stoel.

‘Allebei. Jij hebt afspraken. Ik heb gewoon elke dag te veel werk.’

Ik wil hem meteen uitleggen waarom dat oneerlijk is. Dan zie ik de energiedrank naast zijn toetsenbord en de trillende spier onder zijn oog.

‘Hoeveel overuren maak je?’

‘Geen idee.’

‘Houd ze eens bij.’

Hij lacht schamper. ‘Voor welk wonder?’

We beginnen met een vel papier tussen onze bureaus. Geen geheim dossier. Alleen aankomsttijd, eindtijd en openstaand werk. Na een week doet collega Els mee. Zij werkt vijf ochtenden en haalt daarna haar vader op voor dagbehandeling.

De gaten blijken groter dan gedacht. Op papier zijn we met vier planners. In werkelijkheid is één plek al maanden vacant. Erik springt soms bij, maar zit meestal in overleg.

Tijdens het werkoverleg schuift Daan ons overzicht naar hem toe.

‘Dit gaat niet over Noor,’ zegt hij. ‘We komen uren tekort.’

Erik leest. Langzaam deze keer.

‘Waarom hoor ik dit nu pas?’

Els zet haar koffiebeker neer. ‘Je hoort het nu met een tabel erbij.’

Er komt geen wonder. Wel toestemming om tijdelijk iemand in te huren. Twee weken later begint Jamal, een planner die net terug is van ouderschapsverlof. Hij heeft een luide lach en stelt zoveel vragen dat we de eerste dagen juist minder afkrijgen.

Daarna wordt het rustiger.

Precies dan valt bij mij een brief op de mat. Een voorlopige berekening van mijn uitkering. Ik moet rekening houden met een terugbetaling. Het bedrag is hoger dan ik opzij heb gezet.

Ik lees de brief op de keukenvloer, waar ik was gaan zitten om was uit de machine te halen. Mijn rolstoel staat binnen bereik. Toch blijf ik zitten.

Werken levert me geld op. Dat weet ik. Maar de timing van loon, verrekeningen en zorgkosten maakt mijn rekening onleesbaar. Mijn hoofd verandert elk bedrag in een dreiging.

Marit komt binnen met boodschappen.

‘Laat zien.’

We leggen loonstroken naast de brief. Ik heb zelf één bedrag verkeerd begrepen. De rest laat ik de volgende dag controleren. Er blijkt een betalingsregeling mogelijk als de definitieve afrekening komt.

Het probleem is niet verdwenen. Het heeft wel een formaat gekregen.

Die avond zegt Marit dat ze zaterdag met vrienden gaat wandelen op de Veluwe.

Mijn eerste reactie is teleurstelling. Mijn tweede schaamte daarover.

‘Veel plezier,’ zeg ik.

‘Meen je dat?’

‘Ja. Ik moet alleen even wennen aan mijn eigen humeur.’

Als ze lacht, lach ik mee. Zaterdag spreek ik af met mijn broer. Niet omdat ik achterblijf. Omdat ik ook iets kan plannen.

Hoofdstuk 6

Het lege vak

Zes weken voor het einde van mijn contract staat mijn naam niet in de voorlopige decemberplanning.

Ik ontdek het per ongeluk. Daan heeft het bestand open en vraagt of ik weet wanneer de scholen kerstvakantie hebben. Onderaan staan onze namen. Naast die van mij zijn alle vakken leeg.

‘Misschien is het nog niet ingevuld,’ zegt hij.

Ik kijk naar de diensten van Jamal. Die staan er wel.

Erik zit bij een klant. Saskia is vrij. De hele ochtend schuif ik vrachtwagens over mijn scherm terwijl mijn gedachten bij dat lege stuk rooster blijven.

Om twaalf uur belt een chauffeur vanuit Hilversum. Hij kan een winkelstraat niet in. Ik vraag rustig naar de borden. Ik zoek een losplek. Ik blijf beleefd tegen de winkelier die zegt dat zijn vorige vervoerder nooit moeilijk deed.

Daarna draai ik mijn microfoon dicht en vloek.

‘Dat was een nette opbouw,’ zegt Daan.

Ik moet lachen. Het helpt precies tien seconden.

Thuis open ik vacatures. Planner. Klantenservice. Administratief medewerker. Ik lees woorden als energiek, flexibel en geen negen-tot-vijfmentaliteit. Bij elke vacature zoek ik foto's van het gebouw. Trappen zie je meestal toevallig, achter lachende mensen.

Ik schrijf één sollicitatie. Daarna nog één.

Niet omdat ik besloten heb weg te gaan. Omdat wachten erger voelt.

Twee dagen later zit ik bij Erik en Saskia. Deze keer heb ik vooraf gevraagd wat het onderwerp is: voortzetting van mijn contract.

Erik begint over de nieuwe klant. De marges vallen tegen. Er wordt naar alle tijdelijke contracten gekeken.

‘Is er kritiek op mijn werk?’ vraag ik.

‘Je functioneert goed,’ zegt hij.

Ik laat hem die zin afmaken zonder hem te helpen.

‘Maar we moeten kijken naar de totale bezetting.’

Saskia schuift een voorstel naar me toe. Verlenging voor zes maanden. Twintig uur in plaats van vierentwintig. Vier ochtenden. Het administratieve thuiswerk zou naar een centrale afdeling gaan.

Mijn maag trekt samen. Minder loon. Een nieuwe verrekening. Nog steeds onzekerheid.

‘Waarom twintig?’

Erik wijst op een overzicht. Vroege uren zijn het drukst. Later op de dag is er overlap.

‘Die overlap is de overdracht,’ zeg ik.

‘Een deel ervan.’

Ik vraag het voorstel mee. Vroeger had ik waarschijnlijk meteen ingestemd. Uit opluchting dat ik mocht blijven. Nu zeg ik dat ik er vrijdag op terugkom.

Buiten bel ik Renske. Zij vraagt of de wijziging echt met de organisatie te maken heeft en welke taken overblijven. Ze raadt me aan schriftelijk om die uitleg te vragen. Ook zegt ze iets wat ik niet wil horen.

‘Een slechter aanbod is niet automatisch een verboden aanbod.’

Ik weet het. Ik had alleen gehoopt op een simpele grens waar ik achter kon gaan staan.

Die avond reken ik. Twintig uur kan, maar krap. Vierentwintig geeft ruimte voor onderhoud aan mijn auto en een rekening die onverwacht komt. Mijn auto is geen luxe. Zonder auto duurt de reis met hulp en overstappen soms langer dan mijn halve dienst.

Donderdag heb ik een kennismakingsgesprek bij een woningcorporatie in Utrecht. Het gebouw is toegankelijk. Het werk bestaat vooral uit klachten van huurders registreren. De teamleider vertelt eerlijk dat veel gesprekken zwaar zijn.

Ik kan het waarschijnlijk. Ik weet niet of ik het wil.

Voor het eerst sinds mijn ongeluk gaat een keuze over meer dan de vraag wie mij hebben wil.

Vrijdag kom ik terug bij Erik met een tegenvoorstel. Vierentwintig uur. Vier vaste ochtenden en vier uur thuiswerk voor routecontrole en afwijkende facturen. Ik heb bijgehouden hoeveel correcties dat werk oplevert.

Hij bekijkt mijn lijst.

‘Je hebt je voorbereid.’

‘Jullie ook, hoop ik.’

Saskia trekt kort haar mondhoek op.

Erik zegt dat hij moet overleggen met de directeur. Ik krijg dinsdag antwoord. Ik vraag of dat ook echt dinsdag kan, niet ergens volgende week.

‘Dinsdag,’ herhaalt hij.

Die maandag gaat mijn wekker om zes uur. Ik heb slecht geslapen. Mijn rug doet pijn voordat ik overeind zit.

Ik meld me niet ziek. Maar ik doe ook niet alsof het een goede dag is.

Aan Daan vraag ik of hij de eerste twintig minuten de telefoon neemt. Dan werk ik mijn berichten weg en wacht ik tot mijn medicatie iets doet.

‘Prima,’ zegt hij. ‘Neem jij straks mijn lijn tijdens de koffie?’

‘Ja.’

Meer maken we er niet van.

Hoofdstuk 7

Tot morgen

Dinsdag om elf uur komt Erik naar mijn bureau. Geen uitnodiging. Geen map. Alleen een stoel die hij naast me trekt.

‘Vierentwintig uur,’ zegt hij. ‘We houden de routecontrole hier. Verlenging voor een jaar.’

Ik kijk naar hem.

‘Een jaar?’

‘Dat kon uiteindelijk. Geen vast contract. Dat wil ik er meteen bij zeggen.’

‘Dat hoor ik.’

Hij legt uit dat mijn werk aan de facturen meer fouten had opgeleverd dan de centrale afdeling had verwacht. Ook wil hij niet opnieuw iemand inwerken op de routes. Het zijn zakelijke redenen. Daar ben ik blij mee.

‘De afspraken over thuiswerk en pauzes komen in de bevestiging,’ zegt hij.

‘En de overdracht.’

‘En de overdracht.’

Ik zeg dank je. Niet voor de baan alsof het een cadeau is. Wel voor het duidelijke antwoord op de afgesproken dag.

Als hij wegloopt, draait Daan zich om.

‘Ik heb niks gehoord. Wat is het geworden?’

‘Een jaar.’

Hij steekt zijn vuist uit. Ik tik ertegen.

Dan gaat de telefoon.

Een klant in Bunschoten mist een pallet. Ik open het dossier. De opluchting zit nog in mijn keel terwijl ik vraag naar het zendingsnummer.

Die vrijdag eten we beneden. Niet speciaal voor mijn contract. Els heeft voorgesteld de laatste vrijdag van de maand samen te lunchen, en de vergaderruimte heeft genoeg plaats. Bilal brengt soep mee. Jamal vergeet kommen en haalt ze uit de kantine boven.

Het is rommelig. Iemand morst over een routekaart. Daan vertelt een verhaal dat halverwege veel minder geschikt blijkt voor tijdens het eten.

Ik zit niet aan het hoofd van de tafel. Niemand vraagt hoe bijzonder het voor mij is om erbij te zijn.

Ik neem nog brood.

Een week later krijg ik een slechte ochtend. Mijn benen schieten in spasmen zodra ik overeind kom. Mijn rug voelt alsof de huid te strak zit. Ik probeer mijn sokken aan te trekken en laat er één drie keer vallen.

Vroeger, zes maanden geleden, zou ik mezelf naar de auto hebben geduwd. Misschien was ik aangekomen. Misschien had ik tot de lunch volgehouden. Daarna zou niemand gezien hebben wat de rest van die dag kostte.

Ik bel Erik.

‘Vandaag lukt het niet. Ik meld me ziek.’

‘Kun je thuis iets doen?’

Ik kijk naar de sok op de vloer.

‘Nee.’

Een korte stilte.

‘Goed. Beterschap. Laat morgen weten hoe het gaat.’

Na het gesprek voel ik schuld. Dat gevoel verdwijnt niet omdat ik eindelijk het juiste besluit neem. Ik leg mijn telefoon buiten handbereik en kruip terug in bed.

Twee dagen later werk ik weer. Mijn inbox is vol. Daan heeft mijn ritten gedaan. Er ligt geen verwijt op mijn toetsenbord.

‘Je mist een wachtwoordwijziging en een ruzie over parkeerplaatsen,’ zegt hij.

‘Welke was erger?’

‘Je weet het antwoord.’

Niet alles is geregeld. De definitieve verrekening van mijn uitkering duurt lang. Ik reserveer nog steeds geld en controleer elke brief. De deurdranger van de zijdeur wordt in november te strak afgesteld. Ik meld het. De monteur komt pas na mijn tweede herinnering.

Erik vraagt soms nog of ik een uurtje langer kan blijven. Soms kan dat. Meestal niet. Ik probeer niet meer elk nee met mijn hele medische geschiedenis te onderbouwen.

Marit en ik hebben ook iets veranderd. We zoeken rustig naar een huis waar we allebei kunnen wonen. Niet alleen een begane grond voor mij, maar ook een kamer voor haar werk. We hebben nog niets gevonden dat betaalbaar is.

Op zaterdag rijden we naar Utrecht. Zij wil naar een boekhandel. Ik wil koffie bij het station. Bij een stoeprand vraag ik of ze even mee wil kijken waar ik het beste naar beneden kan.

‘Daar,’ zegt ze. ‘Bij die fietser.’

Ik wacht tot hij voorbij is en rijd zelf naar beneden.

Op maandag krijg ik een nieuwe collega aan de telefoon. Ze begint volgende maand op de administratie en heeft vragen over de werktijden. Ze vertelt aarzelend dat ze slecht hoort en soms een koptelefoon met versterking gebruikt.

‘Met wie moet ik dat bespreken?’ vraagt ze.

Ik geef haar Saskia's naam. Ik zeg ook dat ze precies moet aangeven wat ze nodig heeft.

‘Doen ze daar moeilijk over?’

Ik kijk naar de helling buiten. Naar mijn bureau. Naar het alarm op mijn telefoon dat over vier minuten afgaat.

‘Soms moet je iets meer dan één keer zeggen,’ antwoord ik. ‘Maar begin niet met het voor ze kleiner te maken.’

Om kwart over één draag ik mijn werk over. Om half twee sluit ik af.

‘Tot morgen, Noor,’ zegt Daan.

Buiten is mijn auto koud. Ik leg mijn tas op de passagiersstoel en til mijn benen naar binnen. Daarna trek ik de rolstoel naar me toe, haal de wielen eraf en berg alles op.

Het kost tijd. Achter me wacht iemand op de parkeerplek.

Ik maak mijn gordel vast voordat ik start.