Verlies en rouw
Zijn jas hangt nog aan de kapstok
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
Zijn jas hangt nog aan de kapstok
De agent vroeg of hij binnen mocht. Ik keek naar zijn schoenen. Er zat modder op de neuzen. Achter hem stond een vrouw in hetzelfde uniform. Ze hield haar pet tegen haar buik.
‘Bent u Noor van Dijk?’
Ik knikte.
‘Uw man is Bas van Dijk?’
Vanuit de keuken riep Fien dat de pasta overkookte. Ik hoorde water sissen op de kookplaat. Onze dochter was zestien. Ze kon prima zelf het vuur lager zetten. Toch draaide ik me om.
‘Mevrouw,’ zei de agente. ‘Wilt u even gaan zitten?’
Toen wist ik het. Niet wat er gebeurd was. Wel dat zitten niets zou helpen.
Het was donderdag 9 november. We woonden in Zuilen, in een rijtjeshuis vlak bij de Amsterdamsestraatweg. Bas was die ochtend op de fiets vertrokken naar zijn werk bij een installatiebedrijf in Nieuwegein. Zijn donkerblauwe winterjas hing nog aan de kapstok. Hij had zijn regenjack aangetrokken. Er werd harde regen voorspeld.
De agent zei dat er een aanrijding was geweest. Een bestelbus. Een kruising. Bas was naar het UMC Utrecht gebracht.
‘Dan gaan we daarheen,’ zei ik.
De agente schoof een stoel naar me toe.
‘Uw man is overleden.’
Fien stond in de deuropening met een vergiet in haar hand.
‘Nee,’ zei ze. ‘Dat is iemand anders.’
Ik pakte mijn telefoon. Bas stond bovenaan mijn recente gesprekken. Ik drukte op zijn naam. Eén keer overgaan. Twee keer. De agent keek naar de tafel.
Zijn voicemail begon.
‘Met Bas. Je weet wat je moet doen.’
Ik hing op en belde opnieuw.
De agente heette Marieke. Dat weet ik nog omdat ik haar naam later op een kaartje zag staan. Ze vroeg wie we konden bellen. Ik kon niemand bedenken. Mijn moeder woonde in Amersfoort. Mijn broer Daan in Houten. Ik kende hun namen, maar begreep niet waarom ze moesten komen.
Fien zette het vergiet op de grond.
‘Bel oom Daan,’ zei ze.
In de auto naar het ziekenhuis zat ze naast me. Ze trok aan een los draadje van haar mouw. Ik legde mijn hand op haar knie. Ze duwde hem weg.
‘Misschien hebben ze hem verward,’ zei ze.
Ik zei niet dat dat niet kon. Ik wilde dezelfde fout.
Daan stond bij de ingang van de spoedeisende hulp. Zijn overhemd zat scheef in zijn broek. Hij omhelsde me zo hard dat ik geen lucht kreeg.
‘Niet,’ zei ik.
Hij liet meteen los.
Een arts nam ons mee naar een kleine kamer. Hij vertelde wat ze hadden gedaan. Ik hoorde woorden over bloedingen en reanimatie. Ik vroeg of Bas pijn had gehad.
De arts zweeg even.
‘Dat kan ik u niet met zekerheid zeggen.’
Ik haatte hem om dat antwoord. Later was ik blij dat hij niets had verzonnen.
We mochten naar Bas toe. Er zat een wond bij zijn wenkbrauw. Zijn mond stond een beetje open. Iemand had zijn haar naar achteren gestreken. Zo droeg hij het nooit.
Ik maakte het met mijn vingers weer plat.
‘Daar heb je altijd een hekel aan,’ zei ik.
Fien bleef bij de deur. Ze keek naar zijn voeten onder het laken.
‘Moet ik hem aanraken?’
‘Nee,’ zei de verpleegkundige. ‘Je hoeft niets.’
Ik hield zijn hand vast. Zijn trouwring zat er nog om. Ik dacht aan de vuilnisbak die hij buiten had gezet. Aan de natte handdoek op ons bed. Aan het potje mosterd dat hij op het boodschappenlijstje had geschreven.
Daan vroeg of hij iemand moest bellen. Ik zei dat het eten thuis nog op het vuur stond.
‘Dat is uit,’ zei Fien. ‘Ik heb het uitgezet.’
Ze klonk boos. Alsof ik haar voor een klein kind aanzag.
Toen we thuiskwamen, was het bijna elf uur. Daan maakte thee. Fien liep naar boven. Ik hoorde haar kamerdeur dichtgaan en daarna op slot draaien.
Op de keukentafel lag mijn telefoon. Er stond een bericht van Bas op, verstuurd om kwart over vier.
Kunnen we vanavond even praten?
Ik had het gelezen tijdens mijn dienst in de bibliotheek in Overvecht. Daarna had ik mijn telefoon omgedraaid. We hadden die ochtend ruzie gehad. Ik wilde hem laten wachten.
Onder zijn bericht stond mijn antwoord.
Nu even niet.
Daan vroeg of ik suiker wilde. Ik drukte het scherm uit.
‘Noor?’
‘Geen suiker.’
Toen hij eindelijk weg was, bleef ik in de gang staan. Ik stak mijn gezicht in de kraag van Bas zijn jas. Ik rook wasmiddel, fietszweet en iets wat ik alleen als hem herkende.
Boven begon Fien te huilen.
Ik liet de jas los en ging naar haar toe.
Hoofdstuk 2
Wat er geregeld moest worden
Vrijdagochtend stond er een vrouw aan onze eettafel met een map vol doodskisten. Ze heette Ellen. Ze vroeg of Bas begraven of gecremeerd wilde worden.
‘Gecremeerd,’ zei ik.
‘Dat weet je helemaal niet,’ zei Fien.
Ze zat met opgetrokken knieën op de bank. Ze had haar telefoon vast, maar keek er niet naar.
‘We hebben het daarover gehad.’
‘Wanneer?’
‘Jaren geleden.’
‘Dan kan hij nu iets anders willen.’
Ellen sloot de map.
‘We hoeven niet alles tegelijk te beslissen.’
Ik wilde juist alles tegelijk beslissen. De kist. De kaarten. De muziek. Als er maar vragen kwamen waarop ik een antwoord kon geven.
Mijn vriendin Aisha kwam met brood, melk en een zak mandarijnen. Ze vroeg niet hoe het ging. Ze pakte de vaatwasser uit en vond zelf waar de kopjes stonden. Toen mijn moeder begon over sterke schouders, stuurde Aisha haar naar de bakker.
‘Wij hebben even ruimte nodig,’ zei ze.
Ik had haar daarvoor kunnen kussen.
Bas werd zaterdag thuisgebracht. We kozen een eenvoudige kist en zetten die in de woonkamer, op de plek van de eettafel. Daan schoof de tafel tegen het raam. Er zaten nog krassen in het hout van een kast die Bas zonder onderlegger had gerepareerd.
Fien wilde geen bloemen op de kist.
‘Hij vond bloemen weggegooid geld.’
Dat was waar. Hij kocht ze alleen als hij wist dat hij iets goed te maken had.
We legden zijn rode fietshandschoenen naast hem. Ik aarzelde over zijn bril. Zonder bril zag hij er onvolledig uit. Met bril leek het alsof hij ieder moment overeind kon komen om te vragen waarom iedereen zo ernstig keek.
Uiteindelijk legden we hem naast zijn hand.
Er kwamen mensen die ik kende en mensen die ik nooit had gezien. Een collega vertelde dat Bas hem had geholpen toen hij schulden had. Een buurman bracht een geleende boormachine terug.
‘Nu?’ vroeg ik.
Hij keek geschrokken naar het apparaat.
‘Ik wist niet wat ik anders moest.’
Ik nam de boormachine aan. Hij begon te huilen. Ik niet.
De derde nacht hoorde ik beneden iets vallen. Ik rende de trap af. Fien stond bij de kist. Op de vloer lag een glas water.
‘Hij is zo koud,’ zei ze.
Ik pakte keukenpapier.
‘Laat dat nou,’ snauwde ze.
Ik bleef met de rol in mijn handen staan.
‘Je bent alleen maar aan het opruimen.’
‘Er ligt glas.’
‘Pap. Ligt. Daar.’
Ik ging naast haar staan. Ze had twee vingers op zijn voorhoofd gelegd. Alsof ze zijn temperatuur mat.
‘Ik weet niet hoe dit moet,’ zei ik.
Ze keek me aan. Voor het eerst sinds de agenten waren gekomen, zag ze er weer uit als zestien.
‘Ik ook niet.’
We bleven staan tot mijn benen pijn deden. Het water trok onder de kast.
De uitvaart was woensdag bij crematorium Daelwijck. Ik had een tekst geschreven op vier vellen. Over onze ontmoeting in een snackbar in Utrecht. Over zijn slechte grappen. Over de manier waarop hij altijd eerst aan een stoel schudde voordat hij erop ging zitten.
Bij de lessenaar zag ik mijn eigen hand trillen.
Ik las twee zinnen. Daarna kon ik niet verder.
Daan stond op, maar Fien was hem voor. Ze kwam naast me staan en pakte het tweede vel.
‘Waar was je?’ fluisterde ze.
Ik wees.
Ze las zonder op te kijken. Bij het verhaal over de snackbar lachte iemand. Ik schrok van het geluid. Daarna lachte ik zelf even mee.
Fien had ook iets meegebracht. Geen toespraak. Een kassabon van de bouwmarkt.
‘Pap zou mijn kamer helpen verven,’ zei ze. ‘Hij had veel te veel rollers gekocht. Ik zei dat we geen paleis hadden.’
Ze vouwde de bon dubbel.
‘Hij zei dat je beter iets over kon hebben.’
Meer zei ze niet.
Na afloop stonden we tussen de broodjes en de koffiekannen. Mensen knepen in mijn arm. Ze zeiden dat ik mocht bellen. Eén vrouw zei dat alles een reden had.
‘Welke dan?’ vroeg ik.
Ze keek naar haar schoteltje.
Aisha ging tussen ons in staan en vroeg of ik naar buiten wilde.
Thuis pakte mijn moeder de lege bloemenemmers bij elkaar. Daan controleerde of er eten was. Tegen zeven uur vertrok de laatste bezoeker.
Fien en ik aten friet uit de verpakking. Zijn stoel bleef leeg. Ik wilde hem wegschuiven, maar durfde niet.
‘Was het goed?’ vroeg ik.
Fien haalde haar schouders op.
‘Het was zijn begrafenis niet. Zijn crematie.’
‘Dat bedoel ik.’
‘Ik weet niet of zoiets goed kan zijn.’
Die nacht sliep ik voor het eerst drie uur achter elkaar. Toen ik wakker werd, dacht ik heel even dat ik hem nog moest vertellen hoe de dag was geweest.
Hoofdstuk 3
Niet blijven wachten
Na zes weken kwam ik weer in de bibliotheek. Twee ochtenden per week. Mijn leidinggevende, Petra, had gezegd dat ik achter de schermen mocht beginnen.
‘Geen balie als je dat niet wilt.’
Ik wilde juist de balie. Mensen vroegen daar naar printers, reserveringen en boeken over honden. Niet naar mijn nachten.
De eerste ochtend hielp ik een jongen met een werkstuk over vulkanen. Daarna vroeg een vaste bezoeker of mijn man alweer was opgeknapt. Iemand had haar verteld dat hij een ongeluk had gehad.
‘Hij is overleden,’ zei ik.
Ze sloeg haar hand voor haar mond.
Ik hoorde mezelf haar geruststellen. Dat ze het niet kon weten. Dat ze niets verkeerds had gezegd. Daarna ging ik in het magazijn zitten tussen de dozen afgeschreven boeken.
Petra kwam naast me zitten.
‘Wil je naar huis?’
‘Nee. Dan zit ik daar.’
Ze bracht een glas water en liet me met rust.
Thuis bleven zijn spullen op hun plek. Zijn tandenborstel. Zijn versleten pantoffels. Een half pak drop in de auto. Ik kocht dezelfde drop toen het pak leeg was. Pas bij de kassa merkte ik wat ik deed.
Fien begon dingen te verplaatsen. Zijn oplader verdween van de bank. Zijn helm ging naar de schuur.
‘Waar ligt die?’ vroeg ik.
‘Veilig, mam.’
‘Je had het kunnen vragen.’
‘Moet ik toestemming vragen om iets op te ruimen?’
Ik antwoordde niet. Ze trok de deur achter zich dicht.
In januari belde haar mentor. Fien had negen lesuren gemist. Er stonden drie onvoldoendes bij vakken waar ze nooit moeite mee had gehad.
‘Ze zegt dat ze thuis nodig is,’ zei hij.
Ik keek naar de wasmand die zij die ochtend naar boven had gebracht.
‘Dat is niet zo.’
Maar ik wist niet zeker of dat waar was. Ze vroeg elke middag of ik had gegeten. Ze luisterde bij mijn slaapkamerdeur. Als ik onder de douche huilde, zette ik de kraan harder. Blijkbaar hielp dat niet.
Die avond vroeg ik naar school.
‘Ik kan me gewoon niet concentreren.’
‘Dat snap ik. Maar spijbelen helpt niet.’
Ze legde haar vork neer.
‘Jij gaat toch ook bijna niet werken?’
‘Dat is iets anders.’
‘Waarom?’
Omdat ik volwassen was, wilde ik zeggen. Omdat mijn baas het wist. Geen van die antwoorden klonk goed.
‘We moeten een beetje verder,’ zei ik.
Ze keek langs me heen naar de gang.
‘Hang dan eerst die jas eens ergens anders.’
‘Daar gaat het niet om.’
‘Alles gaat daarom.’
Ze stond op. Haar stoel schoof hard over de vloer.
‘Je doet alsof hij straks binnenkomt. En ondertussen moet ik normaal naar wiskunde.’
‘Ik doe helemaal niet alsof.’
‘Je laat zijn telefoon nog opladen.’
Daar had ik niets op terug.
Ze trok haar schoenen aan. Ik vroeg waar ze heen ging.
‘Naar buiten.’
‘Fien, we zijn nog niet klaar.’
De voordeur sloeg dicht.
Om negen uur stuurde ik een bericht. Geen antwoord. Om half tien belde ik. Voicemail. Ik belde haar vriendin Jasmijn. Die had haar niet gezien.
Ik liep naar de hoek van de straat. Daarna naar het plantsoen. Het was koud en mijn handen pasten niet goed om de telefoon. Elke fietser die ik zag, was eerst Fien en daarna iemand anders.
Om kwart over tien belde ik Daan.
‘Misschien zit ze bij iemand,’ zei hij.
‘Misschien ligt ze ergens.’
Hij bleef even stil.
‘Ik kom.’
Ik wilde de politie bellen. Mijn duim hing boven het scherm. Toen dacht ik aan het bankje bij de Vecht, achter de sportvelden. Bas en Fien gingen daar soms heen als het thuis tussen ons botste. Ze aten dan patat en kwamen terug met rode wangen.
Daan reed. Bij het pad stapte ik al uit voordat hij goed stilstond.
Fien zat op het bankje. Haar fiets lag in het gras. Ze had geen handschoenen aan.
Ik greep haar bij haar schouders.
‘Je neemt op als ik bel!’
Ze deinsde achteruit.
‘Mijn batterij is leeg.’
‘Weet je wat ik dacht?’
‘Ja,’ zei ze. ‘Dat weet ik precies.’
Ik liet haar los.
Daan kwam aanlopen. Hij trok zijn jas uit en gaf die aan haar. Ze sloeg hem om zich heen zonder iets te zeggen.
In de auto keek ik steeds achterom. Fien staarde uit het raam.
Thuis zette ik thee. Ik begon met mijn excuses, maar ze schudde haar hoofd.
‘Ik kan niet ook nog jouw reden zijn om op te staan, mam.’
Ik ging tegenover haar zitten. Dit keer schoof ik niets recht op tafel.
‘Dat hoef je niet te zijn,’ zei ik.
Ze keek me aan.
‘Dan moet je iemand anders bellen.’
Hoofdstuk 4
Wat ik niet vertelde
De volgende ochtend belde ik de huisarts. De assistente vroeg waarvoor ik een afspraak wilde.
‘Mijn man is dood en mijn dochter houdt mij overeind.’
Daarna huilde ik zo hard dat ik mijn geboortedatum niet kon zeggen.
Ik mocht die middag komen. Aisha ging mee. In de wachtkamer zat een man een kruiswoordpuzzel te maken. Ik was kwaad omdat hij een woord van zeven letters belangrijk kon vinden.
Huisarts Vermeer vroeg naar slapen, eten en werken. Daarna vroeg hij of ik nog wilde leven.
Ik keek naar Aisha.
‘Ik wil niet dood,’ zei ik. ‘Maar ik wil soms niet wakker worden.’
Hij knikte en vroeg verder. Rustig. Zonder geschrokken gezicht. We spraken af dat ik hulp kreeg via de praktijk en dat ik belde als die gedachten sterker werden. Aisha zou die avond blijven eten. Niet om op mij te passen, zei ik. Ze trok één wenkbrauw op.
Twee weken later zat ik tegenover een praktijkondersteuner die Judith heette. Op haar bureau stond een doos tissues. Ik besloot er geen te gebruiken.
Ze vroeg wat ik het moeilijkst vond.
‘Dat hij er niet is.’
‘En verder?’
‘Dat iedereen verder vraagt.’
Ze leunde achterover.
‘Dan blijven we daar even.’
Ik keek naar een scheur in de vensterbank. Na een paar minuten begon ik toch te praten.
Over die laatste ochtend. Bas had een klus op zaterdag aangenomen. Hij deed dat vaker. Extra geld, zei hij. Maar we hadden geen geldgebrek. We hadden gebrek aan avonden waarop hij niet moe op de bank lag.
Ik had een weekend in Den Bosch voorgesteld. Gewoon met de trein. Eén nacht weg.
‘Nu even niet,’ had hij gezegd.
Die woorden gebruikte hij vaak. Voor een gesprek over zijn werk. Voor mijn zorgen om Fien. Voor de lekkende kraan, wat minder ernstig was maar me die ochtend net zo kwaad maakte.
‘Wanneer dan wel?’ had ik gevraagd.
Hij zocht zijn fietssleutel.
‘Moet dit nu?’
‘Nee. Ga maar weer.’
Hij stond bij de voordeur. Ik had nog iets gezegd voordat hij vertrok.
‘Ik weet soms niet eens of ik je zou missen als je een week weg was.’
Judith schoof de doos niet naar me toe. Daar was ik haar dankbaar voor.
‘En daarna kwam zijn bericht?’ vroeg ze.
Ik knikte.
‘Hij wilde praten. Ik niet.’
‘Dat laatste weet je niet. Je wilde op dat moment niet antwoorden.’
‘Ik antwoordde juist wel. Om gemeen te doen.’
Ze liet dat staan. Ze vertelde me niet dat ik een goede vrouw was. Ze vroeg hoe vaak we ruzie hadden gehad en het later hadden uitgepraat.
‘Vaak genoeg.’
‘Wat is er deze keer anders?’
Ik staarde haar aan.
‘Hij is dood.’
‘Ja. Er kwam geen later gesprek.’
Ik gebruikte toch een tissue.
Die avond vertelde ik Aisha alles. Ze zat aan mijn keukentafel en pelde een mandarijn. Bij mijn laatste woorden stopte ze daarmee.
‘Ik had vorige maand tegen Karim gezegd dat hij ergens anders moest gaan wonen,’ zei ze.
‘Maar hij leeft nog.’
‘Ja. Daarom kan ik het nu een waardeloze dinsdag noemen.’
Ik wilde dat ze wegging. Tegelijk wilde ik dat ze bleef zitten tot het ochtend werd.
Fien kwam beneden toen Aisha vertrokken was. Ze vroeg waarom ik had gehuild.
Ik vertelde dat ik spijt had van de ruzie met haar vader. Niet ieder woord. Die hoefde ze niet voor mij te dragen.
‘Ik hoorde jullie,’ zei ze.
Ik trok mijn handen onder tafel.
‘Het spijt me.’
‘Ik was die ochtend ook boos op hem. Hij wilde me zaterdag niet naar Jasmijn brengen.’
‘Dat is niet hetzelfde.’
‘Voor jou misschien niet.’
Ik keek op. Ze wreef met haar duim over een vlek op tafel.
‘Ik heb niet eens gedag gezegd.’
Ik schoof naar haar toe, maar raakte haar nog niet aan.
‘Dat had hij geweten, Fien. Dat je van hem hield.’
Ze begon te huilen.
‘Waarom weet hij het dan bij jou niet?’
Daar had ik geen antwoord op.
We maakten die week afspraken. Ik vroeg Daan om op dinsdag te komen eten. Aisha belde me na mijn afspraak met Judith. Fien ging praten met de leerlingbegeleider op school. Ik kreeg niet te horen wat ze bespraken. Dat vond ik moeilijk en ook terecht.
Bas zijn telefoon legde ik uit de oplader. Ik zette hem niet weg. Hij bleef in de keukenla, tussen elastiekjes en oude bonnetjes.
Die eerste nacht controleerde ik drie keer of hij daar nog lag.
De vierde keer bleef ik in bed.
Hoofdstuk 5
De man aan tafel
In maart kwam er nieuws over het onderzoek. De bestelbus had bij het afslaan geen voorrang verleend aan Bas. De chauffeur had hem niet op tijd gezien. Er was geen alcohol gevonden. Ook geen aanwijzing dat hij zijn telefoon had gebruikt.
Ik las de brief zes keer.
Geen alcohol. Geen telefoon. Ik had iets nodig gehad waar ik mijn woede aan kon vastmaken. Iets wat erger was dan niet goed kijken.
Via onze contactpersoon hoorde ik dat de chauffeur een brief wilde sturen. Ik zei nee. Een week later belde ik terug.
‘Mag ik eerst weten wat erin staat?’
Dat kon niet. Wel kon ik hem ontvangen en voorlopig dichtlaten.
De envelop lag twaalf dagen op de magnetron. Fien vroeg er één keer naar.
‘Van hem,’ zei ik.
‘Wil jij hem lezen?’
‘Ik weet het niet.’
‘Dan doe je het nog niet.’
Ze pakte een appel en ging naar boven. Soms maakte zij iets eenvoudig zonder te doen alsof het gemakkelijk was.
Toen ik de brief opende, zat Aisha naast me. De chauffeur heette Erik Smit. Hij was zevenenveertig en woonde in IJsselstein. Hij schreef dat hij verantwoordelijk was voor de aanrijding. Dat hij wist dat een brief niets herstelde. Dat hij vragen wilde beantwoorden als ik die had.
Onderaan stond zijn naam. Geen verzoek om vergeving.
Ik werd kwaad om zijn nette handschrift.
Daarna las ik de brief nog een keer.
Ik wilde weten of Bas iets had gezegd. Of hij wakker was geweest. Of iemand bij hem was gebleven. Die vragen zaten al maanden in mijn hoofd. Ik stelde ze tijdens het fietsen, onder de douche en aan de kassa van de supermarkt.
Via een bemiddelaar spraken we af in een gebouw in Utrecht. Niet meteen. Er waren eerst gesprekken met ons apart. Ik kon afzeggen, ook op de dag zelf. Erik wist dat ik hem niet kwam geruststellen.
Fien wilde niet mee.
‘Ik hoef hem niet te zien.’
‘Dat hoeft ook niet.’
‘Ga jij hem vergeven?’
‘Ik ga hem iets vragen.’
Daan bracht me. Hij bleef buiten de gesprekskamer. De bemiddelaar, Saskia, zat al aan tafel toen Erik binnenkwam.
Hij was kleiner dan ik had verwacht. Een grijze trui. Rode plekken in zijn hals. Hij stak zijn hand niet uit.
‘Goedemiddag,’ zei hij.
Ik zei niets.
Saskia herhaalde de afspraken. We konden pauzeren. We hoefden niet overal antwoord op te geven. Ze vroeg wie wilde beginnen.
‘Heeft hij iets gezegd?’ vroeg ik.
Erik vouwde zijn handen in elkaar.
‘Niet tegen mij.’
‘Was hij wakker?’
‘Ik weet het niet. Zijn ogen waren open. Maar ik weet niet of hij me hoorde.’
Ik drukte mijn hakken tegen de vloer.
‘Wat deed u?’
‘Ik heb 112 gebeld. Een vrouw stopte. Zij was verpleegkundige. Ze zei wat ik moest doen.’
‘Bent u weggegaan?’
Hij keek op.
‘Nee.’
‘Ook niet toen de ambulance kwam?’
‘Ik bleef tot de politie me meenam om te praten.’
Ik vroeg of hij Bas had aangeraakt. Hij zei dat hij een hand op zijn schouder had gehouden, tot de verpleegkundige ruimte nodig had.
Ik begon te huilen. Ik had gehoopt op laatste woorden. Mijn naam misschien. Die van Fien. Nu schaamde ik me voor die hoop. Alsof hij ons nog iets verschuldigd was geweest terwijl hij daar lag.
‘Waarom zag u hem niet?’
Erik keek naar de tafel.
‘Ik dacht dat het fietspad vrij was. Ik heb niet goed genoeg gekeken.’
‘Hij was niet onzichtbaar.’
‘Nee.’
‘Hij had verlichting.’
‘Ja.’
‘Hij moest gewoon thuiskomen.’
Erik huilde ook. Ik keek weg. Ik wilde zijn tranen niet hoeven verdragen.
Saskia vroeg of we wilden pauzeren. Ik schudde mijn hoofd.
‘Ik kan niet zeggen dat het goed is,’ zei ik.
‘Dat vraag ik niet.’
Na veertig minuten was ik leeg. Ik had een lijst met vragen meegenomen. De laatste drie hoefde ik niet meer te stellen. Ze gingen over seconden en meters. Geen enkel antwoord zou me helpen die middag precies na te bouwen.
Buiten stond Daan bij de auto met twee bekers koffie. De mijne was lauw.
‘Hoe was het?’ vroeg hij.
‘Hij is een mens.’
Daan wachtte.
‘Dat vind ik verschrikkelijk.’
Thuis vertelde ik Fien alleen wat ze wilde weten. Ja, iemand was bij hem gebleven. Nee, hij had niets gezegd voor zover Erik wist.
Ze knikte en pakte haar bord uit de kast.
Later kwam ze terug naar de woonkamer.
‘Fijn dat die vrouw stopte,’ zei ze.
‘Ja.’
Dat was die dag het enige waar we blij mee konden zijn.
Hoofdstuk 6
De zak in de gang
In mei kreeg ik een brief over de verlenging van Bas zijn sportabonnement. Ik belde het nummer onderaan en zei dat hij was overleden.
‘Heeft u zijn lidnummer?’ vroeg de medewerker.
Ik begon te lachen. Het hield niet op. De jongen aan de telefoon werd stil.
‘Sorry,’ zei ik uiteindelijk. ‘U doet ook maar uw werk.’
Daarna zocht ik het nummer op.
Er waren veel van dat soort dagen. Ik kon een ochtend werken, boodschappen doen en de was ophangen. Dan vond ik een factuur met zijn naam erop en lukte niets meer. Ik had gedacht dat verdriet geleidelijk minder zou worden. In plaats daarvan kon het me op een woensdagmiddag opnieuw onderuit halen.
Judith vroeg wat ik deed op betere dagen.
‘Achterstallige dingen.’
‘Alleen dat?’
Ik dacht na. Administratie. Schoonmaken. Schoolmails beantwoorden.
‘Vrijwel.’
Ze vroeg of ik iets kon bedenken dat ik zelf wilde doen. Ik vond dat een irritante vraag. Toch ging ik die zaterdag met Aisha naar de markt op het Vredenburg. We aten brood met veel te veel saus. Een meeuw trok een stuk uit haar hand.
Ik lachte zo hard dat mijn buik pijn deed.
Daarna werd ik midden tussen de groentekramen misselijk.
‘Dit voelt verkeerd,’ zei ik.
Aisha veegde haar hand af aan een servet.
‘Wil je naar huis?’
Ik keek naar de mensen met hun boodschappentassen.
‘Nog niet.’
We kochten aardbeien. Thuis at Fien de helft voordat ik ze had gewassen.
In juni begonnen we aan haar kamer. De verfblikken stonden al sinds oktober in de schuur. Lichtgroen. Bas had gezegd dat het ziekenhuisgroen was. Fien had hem verteld dat zijn mening niet was gevraagd.
Ik schroefde de deksel los. De verf rook scherp en vertrouwd.
‘We kunnen ook iemand vragen,’ zei ik.
Fien pakte een roller.
‘We hebben genoeg spullen.’
De eerste baan werd vlekkerig. De tweede ook. We bekeken een filmpje en ontdekten dat we veel te weinig verf gebruikten.
Er kwam een groene afdruk op mijn broek. Fien stapte in de bak. We vloekten allebei. Tegen de avond was één muur klaar en zat er verf op het plafond.
‘Pap zou zeggen dat het aan het licht ligt,’ zei ze.
Ik hoorde hem het zeggen. Precies zijn stem.
We bestelden pizza en aten op de kale vloer. Voor het eerst hoefde ik daarna niet meteen weg uit een fijne herinnering.
De volgende ochtend vroeg Fien of we zijn kleren konden bekijken.
Ik verstijfde.
‘Waarom nu?’
‘Omdat ik zijn grijze trui wil. En omdat mijn winterjas altijd over een stoel ligt.’
Ik keek naar de kapstok.
‘Zijn jas blijft.’
‘Dat vroeg ik niet.’
We spraken af dat we alleen de slaapkamerkast deden. Geen dozen die meteen het huis uit moesten. Geen beslissingen omdat iemand anders vond dat het tijd was.
Daan kwam helpen. Hij vouwde broeken op terwijl ik shirts op bed legde. Sommige kende ik van vakantiefoto’s. Andere had ik altijd lelijk gevonden.
Een oranje sportshirt hield ik omhoog.
‘Dit ding had ik willen verbranden.’
‘Mag nog steeds,’ zei Daan.
Ik schoot in de lach en begon daarna te huilen. Hij bleef rustig broeken vouwen.
Fien koos de grijze trui en een oud shirt van een concert in Tivoli. Ik hield zijn blauwe overhemd. De rest verdeelden we over zakken. Een voor later. Een voor de kledinginzameling. Een met versleten spullen.
Toen Daan de zakken in de gang zette, sloeg de paniek toe.
‘Niet meenemen.’
Hij zette ze neer.
‘Is goed.’
‘Ik bedoel niet nooit.’
‘Dat snap ik.’
De zakken bleven er negen dagen staan. Ik liep erlangs met boodschappen en schooltassen. Op de tiende dag belde ik Daan. Hij kwam na zijn werk.
Ik droeg zelf één zak naar zijn auto. Bij de achterbak kneep ik zo hard in het plastic dat het scheurde. Een sok viel op straat.
Daan bukte zich, maar ik was hem voor.
Ik hield die sok. Daar was geen goede reden voor.
De winterjas bleef hangen. Op een avond voelde ik in de zakken. Ik vond een munt van vijftig cent, een oude parkeerbon en een klein inbussleuteltje.
Geen verborgen brief. Geen laatste boodschap. Alleen spullen die Bas erin had gestopt zonder erbij na te denken.
Ik legde ze in een bakje in de kast.
Daarna trok ik de jas aan om de vuilnis buiten te zetten. De mouwen vielen over mijn handen. Buiten was het veel te warm voor een winterjas.
Bij de container deed ik hem uit en droeg hem over mijn arm naar huis.
Hoofdstuk 7
Een plek voor ons
Op 9 november werd ik wakker voordat de wekker ging. Een jaar. Ik had de datum wekenlang zien aankomen. Toch leek het vreemd dat het een gewone vrijdagochtend was. Buiten startte iemand een scooter. De buurvrouw trok haar kliko over de tegels.
Ik lag stil en wachtte tot ik wist wat ik voelde.
Vooral vermoeidheid.
Fien had vrij gevraagd van school. Ik van mijn werk. We hadden niets groots afgesproken. Geen bijeenkomst. Geen ballonnen. Mijn moeder had gevraagd of er een plan was.
‘Ontbijten,’ had ik gezegd.
‘En daarna?’
‘Dat zien we dan.’
In de keuken stond Fien al brood te roosteren. Ze droeg Bas zijn grijze trui. De mouwen waren opgestroopt. Onder haar ogen zaten donkere kringen.
‘Ook slecht geslapen?’ vroeg ik.
Ze knikte.
We aten aan tafel. Zijn stoel stond er nog, maar niet meer op zijn oude plek. In augustus had Jasmijn erop gezeten. Niemand had iets gezegd. Ik was wel even naar het toilet gegaan.
‘Zullen we naar het water?’ vroeg Fien.
‘Het bankje?’
‘Ja. Maar niet de hele dag.’
Het miezerde toen we vertrokken. Bij de kapstok bleef ik staan. Mijn eigen jas hing tegen die van Bas aan. Ik schoof ze uit elkaar en pakte de mijne.
We liepen langs de Vecht. Fien vertelde over een docent die haar naam steeds verkeerd uitsprak. Ik vroeg naar haar toetsweek. Ze had twee onvoldoendes opgehaald. Wiskunde bleef moeilijk.
‘Misschien heb ik daar gewoon geen talent voor,’ zei ze.
‘Dat zou kunnen.’
Ze keek verbaasd op.
‘Ga je niet zeggen dat ik meer moet oefenen?’
‘Dat ook.’
Ze stootte me met haar schouder aan.
Bij het bankje haalden we koffie en warme chocolademelk uit een thermostas. Aisha had ons die gegeven. Met twee stukken cake, afzonderlijk verpakt. Ze had geleerd dat ik soms wel wilde eten maar niets wilde snijden.
Fien ging zitten en schoof wat op.
‘Ik ben zijn stem soms kwijt,’ zei ze.
Ik zette mijn beker neer.
‘Ik ook.’
‘Dan luister ik dat filmpje. Van de tent in Zeeland.’
Op dat filmpje probeerde Bas een tentstok door de verkeerde opening te duwen. Ik filmde omdat hij eerder had gezegd dat hij geen hulp nodig had. Op de achtergrond lachte Fien.
‘Ik ben bang dat ik straks alleen dat filmpje nog weet,’ zei ze.
‘Ik weet niet of dat gebeurt.’
Ze keek naar het water.
‘Ik wil niet dat je zegt dat het allemaal wel goedkomt.’
‘Dat ging ik niet zeggen.’
We zaten een tijdje zonder te praten. Daarna vertelde ik over de keer dat Bas op zijn werk twee verschillende schoenen had aangehad. Fien kende het verhaal niet. Zij vertelde dat hij soms expres een blok om reed als ze een liedje nog wilden afluisteren.
Ik kende dat weer niet.
Op de terugweg kochten we broodjes. Thuis stonden er bloemen voor de deur. Van zijn collega’s. Mijn eerste gedachte was dat ik geen schone vaas had. Mijn tweede dat ze hem niet vergeten waren.
Daan kwam om drie uur. Mijn moeder om half vier. Aisha bracht eten en bleef niet, zoals afgesproken. We bekeken wat foto’s. Niet allemaal. Toen mijn hoofd vol zat, zei ik dat iedereen naar huis moest.
Mijn moeder trok haar mond open en deed hem weer dicht.
‘Bel je morgen?’ vroeg ze.
‘Ja.’
Die avond ging Fien naar Jasmijn. Bij de voordeur aarzelde ze.
‘Vind je het echt goed?’
‘Ik vind het goed.’
‘Je hoeft niet stoer te doen.’
‘Ik ga waarschijnlijk huilen. En daarna kijk ik televisie.’
Ze knikte. Dat antwoord vertrouwde ze.
Toen ze weg was, bleef ik in de gang. Ik haalde Bas zijn jas van de haak. Ik klopte de schouders af en hing hem één plek opzij, aan het uiteinde van de kapstok. Mijn jas kreeg de vrijgekomen haak. Die van Fien kon ernaast.
Zijn jas hangt er nog. Ik weet niet hoelang. Ik steek mijn gezicht niet meer iedere avond in de kraag. Zijn geur is grotendeels verdwenen. Soms maakt dat me woedend. Soms merk ik het dagen niet op.
Ik werk nu vier ochtenden. Ik zie Judith minder vaak. Op slechte dagen bel ik iemand voordat Fien vraagt of ik gegeten heb. Dat lukt niet altijd. Vaker wel.
Volgende maand ga ik met Fien een nacht naar Den Bosch. We hebben een hotel geboekt vlak bij het station. Ze wil winkelen. Ik wil ergens koffie drinken zonder haast.
Toen ze thuiskwam, lag ik op de bank. Ze schopte haar schoenen uit en hing haar jas op de lege haak.
‘Zal ik thee maken?’ vroeg ze.
‘Graag.’
Ik schoof mijn benen opzij zodat ze straks naast me kon zitten.