Naar de inhoud
Terug naar het boek

Verlies en rouw

Zijn stem op de voicemail

Gaat over overlijden en rouw.

Hoofdstuk 1

Zijn stem op de voicemail

Toen de politie aanbelde, stond ik met mijn hand in de wc-pot. Er zat een geel randje onder de spoelrand. Ik had een oude tandenborstel gepakt en was vastbesloten dat weg te krijgen.

Het was dinsdag, kwart over acht. Daan had om zeven uur thuis zullen zijn.

Ik trok mijn schoonmaakhandschoen uit met mijn tanden. Door het geribbelde glas van de voordeur zag ik twee donkere jassen. Mijn eerste gedachte was dat iemand had geklaagd over onze fietsen in het portiek.

‘Mevrouw Van Leeuwen?’

‘Noor. Ja.’

‘Mogen we binnenkomen?’

Ik keek naar hun schoenen. Daar zat regen op.

‘Waar is Daan?’

De vrouwelijke agent deed haar pet af. Dat kleine gebaar was genoeg. Ik zei nee voordat zij iets had verteld.

Daan was aangereden op de Cartesiusweg in Utrecht. Hij was op de fiets geweest. Een bestelbus die rechts afsloeg. De ambulance was snel gekomen. In het ziekenhuis hadden ze geprobeerd hem te reanimeren.

‘Hij is overleden,’ zei de agent.

Ik stond nog steeds met die handschoen in mijn mond. Ik haalde hem eruit en legde hem op het schoenenkastje.

‘Welke Daan?’ vroeg ik.

De mannelijke agent noemde zijn volledige naam. Daniël Johannes Vermeer. Geboren op 14 maart. Achtendertig jaar.

‘Dat weet ik,’ zei ik boos. ‘Ik weet wanneer hij jarig is.’

Ze gingen met me aan de keukentafel zitten. Op het aanrecht stonden twee kommen. Ik had linzensoep gemaakt. Daan vond die te dik. Hij zou er water bij doen en ik zou zeggen dat het geen afwaswater hoefde te worden.

De agent vroeg of er iemand kon komen.

Mijn zus Eva nam meteen op. Ik zei: ‘Je moet hierheen. Ze zeggen dat Daan dood is.’ Daarna gaf ik de telefoon aan de vrouw tegenover me.

Ik herinner me losse dingen. Haar naam was Sanne. Ze vroeg of ik water wilde. Ik kreeg het koud en trok Daans vest aan. De mannelijke agent schoof mijn stoel iets van de tafel omdat ik met mijn knieën tegen het blad bleef stoten.

Toen Eva binnenkwam, wilde ik naar het ziekenhuis.

‘Natuurlijk,’ zei Sanne.

‘Niet straks. Nu.’

In de auto vond ik een gemiste oproep. Daan. 18.12 uur. Daaronder stond een voicemailmelding.

We hadden die middag ruzie gehad. Niet hard. Er was geen bord gebroken. Ik had gezegd dat ik niet alweer mijn zaterdag wilde opofferen aan zijn moeder. Haar schuur moest leeg. Drie weken eerder hadden we haar logeerkamer geverfd.

Daan had gezegd: ‘Je kunt ook gewoon een keer nee zeggen zonder er een rechtszaak van te maken.’

Daarna was hij naar zijn werk vertrokken.

Toen hij belde, had ik in de supermarkt gestaan. Ik zag zijn naam en drukte hem weg. Laat hem maar even wachten, had ik gedacht.

Nu hield ik mijn telefoon zo strak vast dat mijn duim pijn deed.

‘Wat is er?’ vroeg Eva.

‘Niks.’

Ik stopte hem in mijn jaszak.

In het ziekenhuis bracht een verpleegkundige ons naar een kleine kamer. Ze vertelde vooraf wat ik zou zien. Een wond bij zijn haargrens. Een pleister. Hij lag onder een witte deken.

Ik had gedacht dat ik zou schreeuwen. Ik vroeg waarom zijn haar nog nat was.

‘We hebben het schoongemaakt,’ zei ze.

Zijn linkerhand lag boven de deken. Onder de nagel van zijn wijsvinger zat zwarte verf. Zondag had hij ons tuinhek geschilderd. Ik wreef erover. De verf bleef zitten.

‘Ik ben er,’ zei ik.

Daarna wist ik niets meer om te zeggen.

Thuis wilde Eva blijven. Ik knikte. Ze trok het dekbed van de logeerkamer naar de bank en zette een glas water naast me.

Om 03.17 uur ging ik naar de badkamer. Ik deed de deur op slot. Pas toen speelde ik het bericht af.

‘Hé Noor, met mij. Ik ben zo thuis. Over vanmiddag…’

Wind langs de microfoon. Een tik, alsof hij zijn fietssleutel liet vallen.

‘Nou ja. Straks even. Niet op de voicemail. Wil je vast de oven aanzetten? Honderdtachtig. Ik heb iets meegenomen.’

Een korte pauze.

‘Tot zo.’

Ik luisterde opnieuw.

En opnieuw.

Beneden liep Eva door de gang.

‘Noor?’

Ik zette het volume zachter. Ik wilde niet dat iemand praatte terwijl Daan nog iets tegen me zei.

Hoofdstuk 2

Zijn spullen

Drie dagen later haalde ik Daans spullen op bij het politiebureau aan de Kroonstraat. Eva wilde mee naar binnen. Ik zei dat ze in de auto moest wachten.

Ik wilde één ding kunnen doen zonder dat iemand alvast een stoel voor me klaarzette.

Een medewerker bracht me naar een spreekkamer. Op tafel stond een doorzichtige zak. Zijn portemonnee zat erin. Sleutels. Een kapotte fietsbril. Zijn telefoon, met een gebarsten scherm.

‘De kleding wordt apart bewaard,’ zei de medewerker. ‘We kunnen bespreken of u die terug wilt.’

Ik knikte alsof ik een pakket kwam ophalen.

‘En zijn tas?’

Hij keek op een formulier.

‘Die hebben we ook.’

De tas was blauw. Een roltopmodel dat nooit goed dichtging omdat Daan er te veel in propte. Ik zag het vetvlekje op de voorkant. Dat was er al geweest. Van een broodje dat hij zonder zakje had meegenomen.

‘Wilt u de inhoud hier bekijken?’

‘Nee.’

Maar ik maakte hem toch open.

Een trui. Een fietspomp. Een kassabon. Onderaan zat een kartonnen doos van een bakker aan de Amsterdamsestraatweg. De hoek was ingedeukt. Er zaten twee hartige taartjes in. Champignon, dacht ik. Het papier eronder was donker van vocht.

Daarvoor had de oven aangezet moeten worden.

Ik deed de doos dicht.

‘Moet dat ook mee?’ vroeg de medewerker voorzichtig.

‘Alles moet mee.’

In de auto zette ik de tas tussen mijn voeten. Eva startte niet.

‘Wat zit erin?’

‘Taartjes.’

Ze keek naar de voorruit.

‘O.’

‘Hij had eten gekocht.’

‘Ja.’

‘Ik had soep gemaakt.’

Dat was het moment waarop ik begon te huilen. Niet rustig. Mijn mond stond open, maar ik kreeg geen lucht naar binnen. Eva schoof haar stoel naar achteren en trok me naar zich toe, over de handrem heen. Haar jasrits drukte tegen mijn wang.

De taartjes bleven tot na de uitvaart in onze koelkast staan.

Daans moeder, Marianne, kwam iedere ochtend. Ze bracht koffiekoeken mee die niemand at. Ze wilde de gastenlijst controleren. Ze wilde weten welke muziek ik had gekozen. Ze vroeg drie keer of Daan wel echt gecremeerd had willen worden.

‘Dat heeft hij gezegd,’ antwoordde ik.

‘Tegen mij nooit.’

Ik keek haar aan. Ze droeg zijn oude sjaal. Ik wist niet wanneer ze die uit onze gang had gepakt.

‘Tegen mij wel.’

Eva ging tussen ons in staan met een dienblad.

De uitvaart was bij Daelwijck. Ik herinner me de knop van de microfoon. Ik drukte erop en het lampje werd groen. Op mijn papier stonden negen zinnen. Ik had ze zelf geschreven en daarna niet meer gelezen.

‘Ik ben Noor,’ begon ik.

Iedereen wist wie ik was. Toch moest ik dat zeggen.

Ik vertelde dat Daan altijd de kleinste mandarijnen kocht omdat die volgens hem beter waren. Dat hij tijdens films vroeg wie iemand was, ook als die persoon nog maar net in beeld kwam. Dat ik zijn voetstappen op de trap kon herkennen.

Bij de laatste zin bleef ik steken.

Zijn broer Joris stond op. Ik schudde mijn hoofd. Hij ging weer zitten.

Ik las de zin alsnog voor.

Na afloop zei een collega van Daan dat ik sterk was geweest. Ik wilde vragen waaraan ze dat zag. Aan mijn zwarte broek? Aan het feit dat ik nog rechtop stond? Ik zei alleen dank je.

Die avond zaten er twaalf mensen in onze woonkamer. Iemand bestelde pizza. Iemand ruimde de vaatwasser uit en zette de glazen verkeerd terug. Ik hoorde mezelf lachen om iets wat Joris zei. Meteen daarna voelde ik schaamte.

Om tien uur stuurde Eva iedereen weg.

Ik ging naar de koelkast. De taartjes stonden achter een pak melk. Ik haalde ze eruit, rook eraan en liep ermee naar de afvalbak.

Mijn hand bleef boven het deksel hangen.

‘Zal ik?’ vroeg Eva.

‘Nee.’

Ik liet de doos vallen. Daarna haalde ik hem er weer uit.

Eva zei niets. Ze pakte een schone vuilniszak en hield die open. Dit keer liet ik de doos daarin vallen. Zij knoopte de zak dicht en bracht hem naar de container buiten.

Later lag ik in bed met mijn telefoon tegen het andere kussen.

‘Tot zo,’ zei Daan.

Ik drukte opnieuw op afspelen. Ik had het bericht inmiddels zevenendertig keer gehoord. Ik hield de tel bij in een schrift, zonder te weten waarom.

Hoofdstuk 3

Niet verwijderen

Op een donderdag, bijna vier weken na zijn dood, werkte de voicemail niet.

Ik zat op de vloer naast ons bed. Het was halfzes in de ochtend. Ik had nauwelijks geslapen en wilde zijn stem horen voordat ik naar beneden ging. Maar waar het bericht had gestaan, draaide nu een grijs rondje.

Ik tikte erop. Niets.

Ik zette de telefoon uit en weer aan. Het rondje bleef draaien.

Mijn hart sloeg zo hard dat ik mijn pols in mijn keel voelde. Ik belde het voicemailnummer. Een automatische stem vroeg om mijn toegangscode. Die wist ik niet. Ik probeerde onze postcode. Daarna Daans geboortedatum.

‘Uw toegang is tijdelijk geblokkeerd.’

Ik gooide de telefoon op het bed en belde Eva met onze oude huistelefoon. Dat ding hadden we alleen nog vanwege een voordelig internetabonnement.

Ze nam slaperig op.

‘Hij is weg,’ zei ik.

‘Wat?’

‘Zijn bericht.’

‘Noor, rustig. Waar kijk je?’

‘Zeg niet rustig.’

Het bleef even stil.

‘Ik kom eraan.’

Ze stond veertig minuten later voor de deur, met haar haar nog nat. Ik had intussen alle instellingen geopend die ik kon vinden. Bij ieder scherm was ik bang dat ik iets definitief kapot zou maken.

Eva zette koffie. Ik werd kwaad omdat ze koffie zette.

‘Dit gaat niet over koffie.’

‘Dat weet ik.’

‘Waarom doe je het dan?’

‘Omdat ik nog moet nadenken en jij ook.’

Om acht uur belden we de klantenservice. Ik kreeg een medewerker die Rashid heette. Hij begon over een storing in de app. Ik onderbrak hem.

‘U mag niets wissen.’

‘Dat ga ik niet doen.’

‘Het is de stem van mijn man. Hij is dood.’

Het woord man verraste me. We waren nooit getrouwd. We hadden een samenlevingscontract en een gezamenlijke rekening. Nu klonk vriend te klein.

Rashid liet me een nieuwe toegangscode instellen. Daarna moest ik het voicemailnummer bellen.

Ik zette de luidspreker aan.

‘U heeft één bewaard bericht.’

Ik boog voorover, mijn ellebogen op mijn knieën.

‘Hé Noor, met mij.’

Eva deed haar hand voor haar mond.

Het bericht was er nog. Alleen de weergave in de app werkte niet. Rashid legde uit dat ik niet op die ene opgeslagen versie moest vertrouwen. Na het gesprek hielp Eva me de opname als audiobestand te bewaren. We controleerden of het bestand echt afspeelde. Daarna stuurden we een kopie naar haar mailadres en zetten we er één op mijn laptop.

‘Nog een keer controleren,’ zei ik.

We luisterden allebei.

Bij ‘over vanmiddag’ keek Eva naar me.

‘Hadden jullie ruzie?’

Ik pakte de telefoon van tafel.

‘Niet echt.’

‘Noor.’

Ik vertelde het. Over Marianne. Over die zaterdag. Over het wegdrukken van zijn oproep bij de koeling van de Albert Heijn.

‘Als ik had opgenomen, was hij later vertrokken,’ zei ik.

‘Dat weet je niet.’

‘Misschien één minuut. Dat was genoeg geweest.’

Eva zat heel stil.

‘Misschien was hij juist eerder vertrokken. Misschien belde hij terwijl hij nog stond te wachten. Je weet het niet.’

Ik haatte haar op dat moment. Niet omdat ze ongelijk had. Omdat zij straks naar huis kon. Haar vriend zou vragen hoe het met me ging. Daarna zouden ze eten en ruzie maken over de afwas zonder dat iemand daaraan doodging.

‘Ga maar,’ zei ik.

Ze kneep haar lippen op elkaar.

‘Ik wil niet weggaan terwijl je zo bent.’

‘Zo ben ik nu.’

Ze vertrok een kwartier later. Bij de deur vroeg ze of ze die avond mocht bellen. Ik haalde mijn schouders op.

De rest van de dag luisterde ik naar het stukje na ‘over vanmiddag’. Ik zette een koptelefoon op. Harder. Zachter. Ik probeerde uit de wind een woord te halen dat ik eerder had gemist.

Sorry, misschien.

Of luister.

Of mijn naam, op een toon die iets uitlegde.

Er kwam geen woord bij.

Om negen uur belde Eva. Ik liet de telefoon drie keer overgaan en nam toen op.

‘Ik heb alleen crackers gegeten,’ zei ik.

‘Heb je nog soep?’

‘In de vriezer.’

‘Zet me op de luidspreker. Dan blijf ik even terwijl je die warm maakt.’

Ik deed wat ze zei.

Hoofdstuk 4

De kruising

Zeven weken na het ongeluk zat ik tegenover rechercheur Van Dijk. Hij had een map voor zich. Niet dik. Ik vond dat beledigend. Een leven van achtendertig jaar en dan zo weinig papier.

Joris zat naast me. Ik had hem gevraagd mee te gaan omdat Eva die ochtend een belangrijk gesprek op haar werk had. Eerst had ik gezegd dat ik alleen kon. Zij had alleen gevraagd: ‘Wil je dat ook?’

Dat wilde ik niet.

Van Dijk legde uit dat het onderzoek nog liep. Er waren camerabeelden van een bedrijfspand. Er waren twee getuigen gehoord. De bestuurder van de bestelbus was een man van zesenveertig uit Nieuwegein.

‘Was hij dronken?’ vroeg ik.

‘Daar zijn geen aanwijzingen voor.’

‘Zijn telefoon?’

‘Dat onderzoeken we. Wat we nu kunnen vaststellen, is dat hij rechts afsloeg en Daan geen voorrang heeft gegeven.’

Ik keek naar de map.

‘Heeft Daan iets fout gedaan?’

Van Dijk schoof zijn handen in elkaar.

‘Volgens de informatie die we nu hebben niet.’

‘En zijn telefoon? Had hij die vast?’

‘Een getuige heeft hem met beide handen aan het stuur gezien. Zijn telefoon zat in zijn jaszak toen de hulpdiensten kwamen.’

Ik haalde mijn eigen telefoon tevoorschijn.

‘Hij belde om twaalf over zes.’

‘De eerste melding bij de meldkamer was om 18.24 uur.’

Twaalf minuten. Ik keek naar de cijfers alsof daar een antwoord tussen kon staan.

‘Als ik had opgenomen—’

Joris legde zijn hand op de rand van de tafel. Niet op mijn arm. Ik was hem daar dankbaar voor.

Van Dijk wachtte tot ik verderging. Dat deed ik niet.

‘Het is begrijpelijk dat u naar dat soort momenten kijkt,’ zei hij. ‘Maar uw gemiste gesprek heeft niet bepaald wie er op die kruising voorrang moest geven.’

Ik vond het een nette zin. Te netjes voor wat er in mijn hoofd gebeurde. Toch schreef ik hem later thuis op.

Ik vroeg of Daan nog had gepraat. Of hij mijn naam had gezegd. Of iemand bij hem was gebleven.

Een vrouw had naast hem geknield totdat de ambulance kwam. Meer kon Van Dijk op dat moment niet vertellen. Hij wilde geen zekerheid geven over wat Daan had gehoord of gevoeld.

‘Heeft hij pijn gehad?’ vroeg ik.

‘Dat kan ik u niet betrouwbaar zeggen.’

Ik knikte. Het was het antwoord waar ik bang voor was. Ik had hem ook niet geloofd als hij zomaar nee had gezegd.

Buiten vroeg Joris of ik naar huis wilde.

‘Naar de Cartesiusweg.’

Hij keek me aan.

‘Goed. Maar ik rij.’

Bij de kruising stond geen kruis. Er lag geen berg bloemen. Alleen een verkleurd boeket tegen een paal, met cellofaan dat bewoog in de wind. Het verkeer reed door. Een bus trok op. Een jongen met een bezorgtas reed over het fietspad en keek achterom naar zijn vriend.

Ik bleef op de stoep staan.

‘Hier?’

Joris wees naar de overkant.

‘Volgens de tekening ongeveer daar.’

Ik had verwacht iets te zien. Een beschadigde steen. Een spoor dat niet weggepoetst kon worden. Maar ik zag een verkeerslicht en een putdeksel. Er lag een plat blikje energiedrank in de goot.

Toen een witte bestelbus naast ons remde, greep ik Joris vast. Zijn arm was warm door zijn jas heen.

‘We kunnen weg,’ zei hij.

‘Nog niet.’

We bleven tot het licht drie keer groen was geweest.

Op de terugweg stopten we bij een broodjeszaak. Ik wilde niets. Joris bestelde twee broodjes kaas en schoof er één naar me toe.

‘Ik was boos op hem,’ zei ik.

‘Die middag?’

Ik knikte.

‘Ik ook weleens,’ zei Joris.

‘Maar jij nam wel op als hij belde.’

Hij pakte zijn telefoon en zocht iets. Hij liet me een rij gemiste oproepen zien, maanden oud.

‘Hij belde altijd als ik de kinderen naar bed bracht. Ik dacht vaak: morgen.’

Ik gaf de telefoon terug.

We aten zonder veel te zeggen. Voor het eerst in weken merkte ik dat ik honger had. Daarna schaamde ik me daarvoor, maar ik at het broodje wel op.

Thuis luisterde ik naar de voicemail. Bij ‘tot zo’ drukte ik niet meteen opnieuw op afspelen.

Ik bleef zitten tot het scherm vanzelf donker werd.

Hoofdstuk 5

De stoel bij de deur

De eerste keer dat ik naar de lotgenotengroep ging, liep ik het gebouw voorbij. Het was een buurthuis in Zuilen. Door het raam zag ik zes stoelen, een kan water en een schaal met verpakte koekjes.

Ik wilde geen vrouw worden die op dinsdagavond over haar overleden partner praatte naast een schaal koekjes.

Bij de volgende hoek draaide ik om. Ik was die vrouw al. Alleen praatte ik meestal tegen niemand.

De begeleider heette Els. Ze wees niet naar een stoel. Ze zei dat ik mocht zitten waar ik wilde. Ik koos de plek naast de deur en hield mijn jas aan.

Tegenover me zat Karim, die zijn vrouw een jaar eerder had verloren aan kanker. Naast hem zat Hanneke. Haar vriendin was plotseling overleden, vier maanden voor Daan. Een oudere man stelde zich voor als Willem en zei daarna niets meer.

Toen ik aan de beurt was, zei ik: ‘Noor. Negenendertig. Daan is elf weken dood.’

Mijn stem klonk alsof ik een bestelling doorgaf.

Els vroeg niet hoe dat voelde. Ze vroeg hoe die dag was geweest.

‘Ik heb veertig minuten bij de wasmachine gestaan.’

Niemand lachte.

‘Er zat nog een shirt van hem in de wasmand. Ik wist niet of ik het mocht wassen.’

‘Van wie niet?’ vroeg Hanneke.

Ik keek haar boos aan. Toen haalde ze haar schouders op.

‘Ik vraag het omdat ik hetzelfde had met een badjas.’

Ik deed mijn jas uit.

Later vertelde Karim dat hij soms de televisie hard zette omdat hij het geluid van zijn eigen bestek niet verdroeg. Willem zei opeens dat hij elke avond twee aardappels te veel schilde.

Ik vertelde over de voicemail.

‘Hoe vaak luister je?’ vroeg Els.

‘Dat verschilt.’

‘Op een moeilijke dag?’

‘Vijftig keer. Misschien vaker.’

De ruimte werd niet stil op de manier die ik inmiddels kende. Niemand keek geschrokken weg. Hanneke pakte een koekje en vroeg of ik daarna rustiger was.

‘Even.’

‘En daarna?’

‘Dan moet ik weer.’

Els vroeg of ik samen met mijn huisarts wilde kijken naar hulp voor het slechte slapen en de paniek. Ze zei niet dat de opname weg moest. Dat had ik verwacht. Ik had mijn telefoon al stevig vast.

Na afloop liep Hanneke een stukje met me mee.

‘Ik heb nog steeds de agenda van Mira,’ zei ze. ‘Ik kan afspraken verwijderen. Haar tandartsafspraak niet.’

‘Waarom niet?’

‘Geen idee. Daarom vertel ik het.’

Bij mijn fiets vroeg ze of ik volgende week terugkwam.

‘Misschien.’

‘Prima.’

Thuis belde ik de huisarts. De assistente vroeg waarvoor ik een afspraak wilde.

‘Ik slaap bijna niet,’ zei ik. ‘Mijn vriend is overleden en ik kom de dag niet door.’

Het was de eerste keer dat ik dat zo duidelijk uitsprak.

Ik kreeg gesprekken bij de praktijkondersteuner. Ze heette Bente. Ze gaf me geen opdracht om afscheid te nemen. We bekeken eerst hoe mijn dagen verliepen. Eten. Slapen. Buiten komen. Wie ik kon bellen als ik vastliep.

Ik vond het weinig indrukwekkend. Ik wilde een oplossing die even groot was als wat er was gebeurd.

Maar na twee weken ontbeet ik meestal voordat ik de voicemail opende. Dat scheelde op ochtenden waarop ik anders tot één uur in bed bleef.

Mijn werk ging minder goed. Ik werkte bij een woningcorporatie in Overvecht. Mijn leidinggevende stelde voor om met twee korte ochtenden te beginnen, zonder klantgesprekken.

Op de eerste ochtend vergat ik mijn wachtwoord. Daarna barstte ik in huilen uit omdat mijn mok niet meer in de kast stond. Een collega had hem veilig in mijn lade gezet.

‘Ik dacht dat je dat fijn zou vinden,’ zei ze.

‘Weet ik,’ zei ik. ‘Ik ook.’

Ik bleef anderhalf uur. Daarna fietste ik naar huis. Ik voelde me mislukt totdat mijn leidinggevende belde.

‘Donderdag dezelfde tijd?’ vroeg ze.

Niet: ging het wel?

Niet: ben je er klaar voor?

Gewoon dezelfde tijd.

Die donderdag ging ik weer. ’s Avonds luisterde ik drie keer naar Daan. Daarna zette ik mijn telefoon op het aanrecht en bakte een ei.

Ik huilde terwijl ik het at. Maar het werd niet koud.

Hoofdstuk 6

De blauwe tas

In november stond Marianne onverwacht voor de deur met twee lege boodschappentassen. Daan was bijna acht maanden dood. Ik had net een kast leeggehaald om eindelijk de losse papieren te sorteren.

‘Ik dacht dat we zijn kleding konden doen,’ zei ze.

Ik bleef in de deuropening staan.

‘Dat hadden we niet afgesproken.’

‘Nee, maar anders komt het er nooit van.’

Ik voelde meteen de oude boosheid. De schuur. De logeerkamer. De zaterdag waarover Daan en ik ruzie hadden gehad.

‘Vandaag niet.’

Marianne keek langs me heen naar de stapels in de woonkamer.

‘Je bent toch bezig?’

‘Met verzekeringen. Niet met zijn kleren.’

Ze kneep de hengsels van haar tassen samen.

‘Hij was mijn zoon, Noor.’

‘Dat weet ik.’

‘Soms lijkt het alsof ik overal toestemming voor moet vragen.’

‘Dit is mijn huis.’

Dat kwam harder naar buiten dan ik wilde. Haar gezicht trok dicht. Even dacht ik dat ze weg zou lopen. In plaats daarvan vroeg ze of ze binnen mocht komen.

We gingen aan de keukentafel zitten. Ik zette thee. De waterkoker sloeg af en ik liet hem nog een keer koken omdat ik niet wist wat ik moest zeggen.

‘Ik ben bang dat je alles wegdoet,’ zei ze.

‘Ik ben bang dat iedereen iets meeneemt.’

Ze keek naar de lege stoel naast me.

‘Zijn rode trui,’ zei ze. ‘Die zou ik graag willen. Niet vandaag. Ooit.’

Ik knikte. Dat kon ik tenminste begrijpen.

We spraken een zaterdag af. Joris zou erbij zijn. Ik zou vooraf kiezen wat ik zelf wilde houden. Geen onverwachte tassen meer.

Toen ze vertrokken was, liep ik naar boven. Daans blauwe fietstas stond onder zijn kant van het bed. Ik had hem sinds de week van de uitvaart niet meer geopend.

De rits van het voorvak liep vast. Ik trok te hard en scheurde een stukje voering los. Meteen begon ik te vloeken. Tegen de tas. Tegen Daan, die altijd losse schroeven in vakjes stopte. Tegen mezelf.

Er viel een klein sleuteltje uit. Het sleuteltje van zijn werkkast.

Daarna een bon van de bakker.

Ik ging op het bed zitten. Twee hartige taartjes. Zes euro tachtig. 18.08 uur.

Vier minuten voordat hij belde.

Ik had dat bonnetje al gezien toen ik de tas ophaalde, maar niet gelezen. Nu streek ik het glad op mijn knie. Ik wilde er iets uit halen. Dat hij spijt had. Dat hij mij iets lekkers wilde brengen. Dat we die avond alles hadden uitgesproken.

Maar misschien had hij gewoon trek gehad.

Ik bleef lang naar het papier kijken. Toen belde ik Hanneke.

‘Ik wil dat iemand zegt wat hij bedoelde,’ zei ik.

Ze vroeg waar ik zat. Ik vertelde het.

‘Zal ik komen?’

Een halfuur later zat ze naast me op het bed. Ik liet haar de bon zien en daarna de voicemail horen. Voor het eerst speelde ik hem af voor iemand buiten mijn familie.

Hanneke luisterde zonder te glimlachen.

‘Ik hoor iemand die naar huis komt,’ zei ze.

‘Meer niet?’

‘Ik kende hem niet. Ik ga niks verzinnen.’

Dat deed pijn. Het luchtte ook op.

Ik vertelde haar dat ik soms boos op hem was. Omdat hij me had achtergelaten met zijn moeder, zijn belastingaangifte en die stomme tas.

‘En daarna denk ik dat ik geen recht heb om hem te missen.’

‘Ik ben nog steeds kwaad over een lening waar Mira me niets over had verteld,’ zei Hanneke. ‘Ze is dood. Die lening niet.’

Ik begon te lachen. Het was een kort, lelijk geluid. Hanneke lachte mee.

Later bestelden we eten. We zaten beneden tussen de papieren en aten uit plastic bakjes.

Op de afgesproken zaterdag kwam Marianne terug, zonder boodschappentassen. Ik gaf haar de rode trui in een katoenen tas van mezelf. Ze drukte de stof tegen haar gezicht.

Ik hield Daans vest, twee shirts en zijn versleten wandelschoenen. De rest deden we voorlopig in dozen.

Zijn blauwe tas maakte ik leeg en schoon. Het bonnetje ging bij de papieren van de uitvaart. Ik hoefde nog niet te beslissen of het daar altijd zou blijven.

Hoofdstuk 7

Een jaar later

Op de eerste sterfdag werd ik om 06.11 uur wakker. Ik keek op mijn telefoon en wist meteen welke dag het was. Daarna merkte ik dat ik moest plassen.

Dat maakte me bijna boos. Mijn lichaam had geen respect voor de datum.

Ik had vrij genomen. Marianne wilde naar de plek van het ongeluk. Joris ging met haar mee. Ze hadden gevraagd of ik ook kwam. Ik had nee gezegd en daarna twee nachten slecht geslapen van dat nee.

Bente had me gevraagd wat ik die dag zelf wilde.

‘Dat hij niet dood is.’

‘Ja,’ had ze gezegd. ‘En als we kijken naar wat er wel kan?’

Daar was ik eerst kwaad om geworden. Later had ik een plan gemaakt. Klein genoeg om te veranderen.

Om negen uur kwam Eva. Ze had brood gehaald bij de bakker en vroeg niet of het ging. Ze hing haar jas op, sneed het brood en vertelde dat haar fiets alweer een lekke band had.

Ik was blij met die lekke band. Vijf minuten hoefde het niet over Daan te gaan.

Na het ontbijt pakte ik mijn telefoon.

‘Ik wil hem even horen.’

Eva knikte en bleef zitten.

Ik opende het audiobestand. Het stond niet meer alleen in mijn voicemail. Er waren kopieën op mijn laptop, een externe schijf en bij Eva. Dat wist ik. Ik controleerde het nog één keer per maand. Niet meer iedere dag.

‘Hé Noor, met mij. Ik ben zo thuis.’

Ik hoorde het verkeer achter hem. Zijn adem. Die lichte haast waarmee hij altijd een bericht insprak, alsof hij bang was dat het apparaat hem zou onderbreken.

‘Over vanmiddag…’

Daar zat nog steeds dezelfde stilte.

Ik had geen nieuwe betekenis gevonden. Ik wist nog steeds niet hoe ons gesprek zou zijn verlopen. Misschien had hij sorry gezegd. Misschien had ik dat gedaan. Misschien waren we eerst verdergegaan met ruziemaken.

We hadden bijna elf jaar samen gewoond. Die ene middag was echt gebeurd. Al die andere dagen ook.

‘Tot zo.’

Het bestand stopte.

Ik legde de telefoon neer. Eva schoof de doos tissues naar me toe zonder er één uit te trekken. Ik pakte er zelf een.

Daarna wandelden we langs de Vecht. Bij de Weerdsluis stond een man zijn hond uit te foeteren omdat die een boterham uit een kinderwagen had gepakt. Ik moest lachen. Even later begon ik weer te huilen. Eva bleef naast me lopen.

Op een bankje belde ik Marianne. Ze was net thuis.

‘Er lagen verse bloemen,’ zei ze.

‘Van jullie?’

‘Nee. Weet ik niet van wie.’

Ik keek naar het water.

‘Hoe was het?’ vroeg ik.

‘Vreselijk. En goed dat we gegaan zijn.’

We spraken af dat ik zondag bij haar zou eten. Alleen eten. Niet de zolder opruimen, niet de tuin doen. Ze zei dat ze dat begreep.

Er was nog genoeg dat niet goed ging. De strafzaak was nog niet afgerond. Een brief met een officieel logo kon mijn hele ochtend onderuit halen. Ik werkte vier dagen, kortere uren. Op drukke verjaardagen zat ik soms ineens op het toilet te huilen. De stoel naast mijn bed stond nog vol kleren omdat ik zijn helft van de kast niet gebruikte.

Maar ik had weer afspraken waar ik niet tegen opzag. Met Hanneke ging ik op woensdag zwemmen. Karim stuurde soms een foto van iets wat hij had gekookt. Bij de groep kon ik inmiddels ook luisteren zonder alleen maar op mijn eigen beurt te wachten.

Die avond at ik alleen. Dat had ik zo afgesproken. Eva vroeg bij de deur nog één keer of ik zeker was.

‘Niet helemaal,’ zei ik. ‘Maar ik wil het proberen.’

Ik maakte aardappels, sperziebonen en een veel te groot stuk zalm. Ik zette de radio aan. Halverwege het eten zocht ik automatisch met mijn voet naar Daans voet onder de tafel.

Ik liet mijn vork liggen.

Het duurde even voordat ik verder kon eten.

Na de afwas stuurde ik Hanneke een bericht: Morgen zwemmen?

Ze antwoordde meteen: Halfacht. Jij rijdt.

Ik legde mijn badpak klaar. Daarna laadde ik mijn telefoon op in de woonkamer. Voor het slapengaan wilde ik nog één keer naar beneden om de opname te horen.

Ik bleef boven.

Niet omdat het moest. Zijn stem was er nog. Ik kon morgen luisteren.

Ik zette de wekker op zeven uur.