Mantelzorg en ouder worden
Zorgen en toch mezelf blijven
Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.
Hoofdstuk 1
De sleutel
Mijn vader nam niet op. Dat deed hij vaker, maar zijn gordijnen waren nog dicht. Het was half elf. Zijn fiets stond scheef tegen de gevel, met de sleutel in het slot.
Ik zette mijn boodschappentas op de stoep en zocht mijn huissleutel. Achter het glas van de voordeur lag een witte envelop. Er stond met dikke letters NOOR op.
‘Pap?’
Geen antwoord.
In de gang rook het naar aangebrande melk. De fluitketel stond droog op het gas. Ik draaide de knop om. Daarna zag ik zijn voeten, voorbij de keukentafel.
Hij lag op zijn zij. Zijn broek was nat.
‘Niet schrikken,’ zei hij.
Ik knielde naast hem. Mijn rechterknie gaf een scherpe steek. Ik was tweeënzestig en deed nog steeds alsof dat niet zo was.
‘Hoe lang lig je hier?’
‘Net.’
Zijn wang was koud. Op de vloer lag opgedroogde thee.
Ik belde 112.
‘Niet doen, Noor. Help me gewoon overeind.’
‘Blijf liggen.’
Mijn stem klonk harder dan bedoeld. Hij keek naar de telefoon alsof ik hem daarmee bedreigde.
In het St. Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein bleek dat hij niets had gebroken. Wel was hij uitgedroogd. Zijn bloeddruk zakte als hij opstond. De arts vroeg naar zijn medicijnen. Mijn vader, Henk van Dalen, vierentachtig, wees naar mij.
‘Dat weet mijn dochter.’
Ik wist het niet. Tot die ochtend wist ik alleen dat hij pillen slikte voor zijn hart en soms vergat te eten. Ik werkte vier dagen bij een woningcorporatie in Utrecht. Op woensdag deed ik zijn boodschappen. Op zondag dronken we koffie. Dat was ons systeem.
‘Woont u alleen?’ vroeg de arts.
‘Zelfstandig,’ zei mijn vader.
Ik zag de arts heel even naar mij kijken.
Mijn broer Bas belde uit Assen terwijl ik bij de koffieautomaat stond.
‘Ik kan vandaag echt niet weg. Kun jij het opvangen?’
‘Ik ben hier al.’
‘Gelukkig. Jij zit dichtbij.’
Dichtbij. Alsof twaalf kilometer vanzelf ruimte maakte in mijn agenda.
Mijn vader mocht die avond naar huis. Met afspraken voor de huisarts en het advies zijn medicijnen te laten controleren. De verpleegkundige vroeg of er iemand kon blijven slapen.
‘Dat kan ik,’ zei ik, voordat zij was uitgesproken.
Thuis ruimde ik eerst de keuken op. Mijn vader zat in zijn stoel en keek naar het journaal. Ik vond beschimmelde kaas, drie geopende pakken melk en een pan met een zwarte bodem.
‘Die wilde ik nog schoonmaken,’ zei hij.
‘Wanneer?’
‘Je hoeft niet zo te kijken.’
Ik keek weg.
Op de eettafel lagen aanmaningen tussen reclamefolders. Zijn bril was met plakband gerepareerd. Ik had er woensdag nog koffie gedronken. Hoe had ik dit gemist?
Toen ik de envelop uit de gang pakte, hield hij de afstandsbediening stil.
‘Wat is dit?’
‘Voor als ik doodga.’
Er zat een bankpas in, met een briefje waarop zijn pincode stond. Ook een telefoonnummer van een uitvaartondernemer. Verder niets.
‘Waarom lag dit bij de deur?’
‘Ik wilde het meegeven. Gisteren.’
‘Waarom heb je dan niets gezegd?’
‘Je had haast.’
Dat klopte. Ik moest naar de tandarts. Hij had gevraagd of ik nog een kop wilde. Ik had mijn jas al aan.
Ik ging tegenover hem zitten.
‘Pap, ik kan niet raden wat er gebeurt als ik hier niet ben.’
‘Er gebeurt weinig.’
Achter hem stond de klok stil. Ik wist niet sinds wanneer.
Die nacht lag ik op de bank onder een deken die naar mottenballen rook. Bij ieder geluid schoot ik overeind. De koelkast sloeg aan. Een auto reed door een plas. Om kwart over drie liep mijn vader naar de wc.
Ik stond al in de gang voordat hij de deur had bereikt.
‘Ik kan nog lopen,’ zei hij.
‘Dat zag ik vanmorgen.’
Zijn gezicht trok dicht.
‘Zo praatte je moeder nooit tegen me.’
Ik wilde zeggen dat mijn moeder al zes jaar dood was. Dat ik ook bang was. Dat ik morgen om negen uur een overleg had en geen idee hoe dit verder moest.
In plaats daarvan bracht ik hem terug naar bed.
Op de bank opende ik mijn werkmail. Ik meldde dat ik een dag vrij nam vanwege een noodgeval.
Eén dag. Dat leek me toen nog een bruikbare maat.
Hoofdstuk 2
Steeds iets erbij
Drie weken later kende ik het geluid van vaders medicijndoos beter dan mijn eigen wekker. Iedere ochtend om kwart over zeven belde ik hem vanuit mijn keuken in Houten.
‘Het vakje van dinsdag, pap.’
‘Ik weet welke dag het is.’
‘Heb je ze genomen?’
Dan hoorde ik plastic schuiven. Soms viel er een pil. Soms zei hij dat hij ze al had gehad. Ik wist niet wat ik moest geloven.
De huisarts liet de apotheek zakjes met medicijnen bezorgen. Wijkverpleegkundige Fatima kwam voor een kennismaking. Mijn vader had zijn overhemd aangetrokken en koekjes op een schaaltje gelegd.
‘Mijn dochter overdrijft een beetje,’ zei hij.
Fatima keek naar mij. Ik zat met mijn handen tussen mijn knieën geklemd.
‘Wat doet u op een gewone dag?’ vroeg ze hem.
Hij vertelde over fietsen, koken en biljarten. Hij beschreef zijn leven van twee jaar geleden.
Toen Fatima naar het toilet vroeg, begeleidde ik haar naar de gang.
‘Hij kookt niet meer,’ fluisterde ik. ‘En hij is sinds zijn val niet buiten geweest.’
‘Dat mag u ook zeggen waar hij bij zit.’
‘Dan wordt hij boos.’
‘Dat kan.’
Ze zei het zonder oordeel. Ik vond het toch geen aantrekkelijk vooruitzicht.
Er kwam dagelijks iemand voor zijn medicijnen. Via de gemeente vroeg ik huishoudelijke hulp aan. Voor maaltijden vond ik een leverancier. Ik plakte een lijst met telefoonnummers op de koelkast.
Mijn vader trok de lijst er dezelfde avond af.
‘Ik woon niet in een kantoor.’
Dus lag de lijst voortaan onder de fruitschaal. Alleen ik wist waar.
Alles werd een kleine taak. Een was draaien. Een rekening betalen. Een afspraak verzetten. Een nieuwe batterij voor zijn gehoorapparaat halen. Iedere taak paste ergens tussen. Samen pasten ze nergens meer.
Op mijn werk staarde ik naar een huurachterstand zonder nog te begrijpen wat de cijfers betekenden.
Mijn collega Anja schoof haar stoel naast me.
‘Je hebt dezelfde mail drie keer doorgestuurd.’
‘Dan weten ze het zeker.’
Ze lachte niet.
Ik vertelde dat het tijdelijk druk was. Dat woord gebruikte ik vaak. Tijdelijk sliep ik slecht. Tijdelijk fietste ik niet meer op zaterdagochtend. Tijdelijk ging ik niet naar mijn tekenles in buurthuis De Vuurtoren.
Mijn dochter Lotte kwam op een donderdag eten. Ze was eenendertig en woonde in Amersfoort. Ik had pasta gekookt, maar terwijl zij de tafel dekte, belde mijn vader.
De televisie deed het niet.
‘Druk op het rode knopje.’
‘Dat doe ik.’
‘Welke afstandsbediening heb je?’
‘De gewone.’
Na twintig minuten trok ik mijn schoenen aan.
Lotte stond met twee borden in haar handen.
‘Ga je nu?’
‘Hij zit de hele avond alleen.’
‘Ik zit hier.’
‘Het duurt maar even.’
Bij mijn vader bleek de stekker van de ontvanger los. Hij vroeg of ik koffie wilde. Ik bleef drie kwartier, omdat ik zijn opluchting zag.
Toen ik thuiskwam, stond mijn pasta in de koelkast. Lotte had afgewassen. Op tafel lag geen boos briefje. Dat vond ik erger.
Ik belde Bas de volgende ochtend.
‘Ik heb hulp nodig.’
‘Natuurlijk. Wat moet ik doen?’
Ik begon op te noemen. Bankzaken. Ziekenhuisafspraken. Boodschappen. De kapotte douchekraan. Halverwege onderbrak hij me.
‘Stuur even een lijstje.’
Ik zei ja. Daarna zat ik tien minuten naar een leeg scherm te kijken. Zelfs het verdelen van het werk werd mijn werk.
Die zondag kwam mijn vriendin Els langs. We fietsten vroeger iedere week samen langs de Lek. Ze zette haar helm op mijn tafel.
‘Volgende zaterdag. Negen uur. Dertig kilometer. Koffie in Schalkwijk.’
‘Ik kan niets beloven.’
‘Dat vraag ik ook niet. Ik vraag of je meegaat.’
Mijn telefoon trilde. Vader. Els keek naar het scherm.
‘Laat hem eens rinkelen.’
‘Straks is er iets.’
Ik nam op. Mijn vader vroeg waar zijn blauwe vest lag.
‘Over de stoel in je slaapkamer.’
‘Nee.’
Ik hoorde hem lopen.
‘O ja. Hier.’
Na het gesprek bleef Els stil. Dat kon ze beter dan ik.
‘Ik weet niet meer wanneer iets belangrijk is,’ zei ik.
Ze schoof haar helm opzij en pakte mijn hand.
Voor het eerst sinds de val huilde ik. Niet lang. Mijn vader belde opnieuw voordat ik uitgepraat was.
Hoofdstuk 3
De lege stoel
Op een dinsdag in november belde Fatima terwijl ik bij de supermarkt in Houten stond.
‘Uw vader is niet thuis.’
Ik keek naar de prei in mijn hand.
‘Hij moet thuis zijn.’
‘Zijn jas is weg. Zijn telefoon ligt op tafel.’
‘Heeft hij een briefje achtergelaten?’
‘Nee.’
Ik liet mijn mandje bij de kassa staan en reed naar Nieuwegein. Bij ieder verkeerslicht belde ik hem. Steeds hoorde ik zijn opgewekte voicemail. Die had hij jaren geleden ingesproken, toen mijn moeder nog leefde.
De voordeur stond op een kier. Fatima wachtte in de hal.
‘Ik heb de buren gevraagd. Niemand heeft hem gezien.’
Zijn fietssleutel lag op het kastje. De fiets stond achter. Hij was dus te voet.
Op tafel lag een oude foto van mijn moeder. Verder niets bijzonders. Zijn stoel stond naar het raam gedraaid.
Ik belde Bas.
‘Misschien even een blokje om,’ zei hij.
‘Het regent. Hij loopt hooguit tweehonderd meter.’
‘Bel dan de politie.’
Dat deed ik. Ik gaf zijn leeftijd door, zijn kleding en dat hij de laatste tijd verwarder was. De medewerker stelde rustige vragen. Wanneer was hij voor het laatst gezien? Had hij vaste plekken? Was dit eerder gebeurd?
Bij die laatste vraag zei ik nee. Daarna dacht ik aan de keer dat hij laat bij de apotheek was geweest en niet kon vertellen waarom.
Ik stuurde een recente foto. Daarna liep ik de wijk in.
Bij de bakker schudde de verkoopster haar hoofd. In de bibliotheek keek een medewerker tussen de kasten. Ik riep zijn naam bij de bushalte en schaamde me omdat mensen opkeken.
Toen werd ik kwaad op mezelf omdat ik me schaamde.
Mijn telefoon ging. Een onbekend nummer.
‘Bent u de dochter van meneer Van Dalen?’
Een buschauffeur had hem meegenomen naar het eindpunt. Mijn vader had steeds gevraagd wanneer ze bij de machinefabriek kwamen. Daar had hij vroeger gewerkt. Het gebouw was afgebroken.
Hij zat in een personeelsruimte bij busstation Utrecht Westraven. Een papieren beker thee tussen zijn handen. Zijn broekspijpen waren donker van de regen.
‘Daar ben je,’ zei hij. ‘Ik kom te laat.’
Ik hurkte voor hem.
‘Waarvoor?’
‘De late dienst.’
De chauffeur keek naar de vloer.
Ik wilde mijn vader uitleggen dat hij al bijna twintig jaar met pensioen was. Ik wilde zeggen dat ik doodsbang was geweest. In plaats daarvan vroeg ik of hij meeging.
‘Heb jij vrij gekregen?’ vroeg hij.
‘Ja, pap.’
In de auto begon hij te trillen. Ik zette de verwarming hoog. Bij een rotonde greep hij mijn arm.
‘Niet tegen je moeder zeggen.’
Ik moest de auto aan de kant zetten.
Thuis belde ik de huisarts. Die kwam die middag. Hij onderzocht mijn vader en liet verder onderzoek doen. Er bleek geen duidelijke acute oorzaak voor de verwarring. Er volgden afspraken bij de geheugenpoli. Ik schreef alles in een schrift omdat ik niets meer onthield.
Tijdens een onderzoek moest mijn vader een klok tekenen. Hij zette bijna alle cijfers aan de rechterkant. Ik keek naar zijn handen. Dezelfde handen hadden vroeger mijn fiets gerepareerd en nauwkeurig plinten gezaagd voor mijn eerste huis.
Na meerdere gesprekken en onderzoeken kregen we de uitslag: dementie, waarschijnlijk een combinatie van Alzheimer en schade aan kleine bloedvaten.
Mijn vader knikte alsof de arts vertelde dat zijn cholesterol te hoog was.
‘Kan ik nog naar huis?’
‘Ja,’ zei de arts. ‘Maar we moeten goed bekijken welke hulp nodig is.’
Hij keek meteen naar mij.
Ik haatte dat kijken inmiddels. Niet omdat de arts iets verkeerd deed. Omdat er telkens een vraag bij mij werd neergelegd voordat iemand hem hardop stelde.
Op de parkeerplaats kon ik mijn auto niet vinden.
‘Daar,’ zei mijn vader.
Hij wees naar de juiste rij.
We liepen zwijgend verder. Bij de auto bleef hij staan.
‘Word ik net als ome Piet?’
Zijn broer had de laatste jaren niemand meer herkend.
‘Dat weet ik niet.’
‘Je hoeft niet te liegen.’
‘Dat doe ik ook niet.’
Hij keek naar mijn gezicht, langer dan gewoonlijk.
‘Jij ziet er ook niet best uit, meisje.’
Toen legde hij zijn hand even op mijn schouder.
Hoofdstuk 4
Tot hier
De pan viel uit mijn handen toen ik hem uit het keukenkastje trok. Het geluid was zo hard dat ik tegen het aanrecht zakte.
Ik had vijf uur geslapen. Niet achter elkaar. Mijn vader had om één uur gebeld omdat er volgens hem iemand in de tuin stond. Om drie uur wist hij niet waar hij was. Om half zes vroeg hij of ik brood wilde meenemen.
Mijn hart bleef bonzen. Ik kreeg mijn adem niet rustig.
Bij de huisarts huilde ik voordat ik zat.
‘Ik denk dat ik het niet meer kan,’ zei ik.
‘Wat precies?’
‘Alles.’
Hij vroeg naar mijn werk, slaap en pijnlijke knie. Die knie had ik al maanden niet genoemd. Ik vond hem onbelangrijk vergeleken met dementie.
De huisarts dacht aan overbelasting en adviseerde ook een gesprek met de bedrijfsarts. Hij vroeg wie mij hielp.
Ik noemde Fatima. De maaltijdbezorger. De huishoudelijke hulp.
‘Wie helpt ú, Noor?’
Daar had ik geen antwoord op.
Ik meldde me ziek. Mijn leidinggevende zei dat ik eerst tot rust moest komen. Ik bedankte hem en reed rechtstreeks naar mijn vader om zijn was op te halen.
Bij zijn voordeur bleef ik staan. De sleutel zat al in het slot. Binnen hoorde ik de televisie.
Ik trok de sleutel eruit en belde Bas.
‘Je komt zaterdag.’
‘Dat moet ik even—’
‘Nee. Je komt zaterdag. Om tien uur. We moeten praten.’
Hij was er om kwart over tien. Met bloemen voor mij en gevulde koeken voor vader. Ik zette de bloemen zonder water op het aanrecht.
Casemanager Marieke kwam ook. Zij was na de diagnose bij ons betrokken geraakt. Mijn vader had bezwaar tegen het overleg.
‘Jullie gaan zeker beslissen waar ik moet wonen.’
‘We gaan bespreken hoe het nu gaat,’ zei ze.
‘Prima.’
Ik legde mijn schrift op tafel.
Daarin stonden de nachtelijke telefoontjes. De vergeten maaltijden. De keer dat hij de achterdeur een hele nacht open had laten staan. Ook mijn bezoeken, met tijden erachter.
Bas bladerde erin.
‘Waarom heb je niet eerder gezegd dat het zoveel was?’
‘Dat heb ik wel gezegd.’
‘Niet zo.’
‘Moest ik er een grafiek van maken?’
Mijn vader sloeg met zijn hand op tafel.
‘Dan doe je het toch niet!’
Niemand zei iets.
‘Dan blijf je toch lekker weg,’ zei hij tegen mij. ‘Als ik zo’n last ben.’
Ik keek naar zijn dunne polsen. Ik voelde de oude beweging al opkomen. Hem geruststellen. Zeggen dat ik het graag deed. Dat het allemaal wel meeviel.
‘Ik blijf niet weg,’ zei ik. ‘Maar ik kom niet meer iedere dag. En ik kan niet iedere nacht opnemen.’
Hij draaide zijn hoofd weg.
Marieke vroeg welke taken Bas volledig kon overnemen. Niet helpen als ik daarom vroeg. Zelf doen.
Hij nam de administratie over. Ook de contacten rond woningonderhoud. Eens per twee weken zou hij een zaterdag komen, zodat ik een hele dag vrij had. Hij zette de afspraken meteen in zijn agenda.
Voor vader onderzochten we uitbreiding van zorg en een dagvoorziening. Voor de nachten moesten we met de betrokken hulpverleners een plan maken. Een alarmknop alleen was niet genoeg als hij vergat waarvoor die diende.
‘En wat gebeurt er als hij hulp weigert?’ vroeg ik.
‘Dan kijken we wat erachter zit,’ zei Marieke. ‘En wat nog veilig en verantwoord is. U hoeft dat niet alleen uit te zoeken.’
Na het overleg liep Bas met me naar buiten.
‘Ik dacht dat jij het onder controle had.’
‘Ik deed alsof.’
Hij knikte.
‘Ik heb dat graag geloofd.’
Het was geen volledige oplossing. Wel het eerste eerlijke gesprek dat we in maanden hadden.
Die avond belde mijn vader. Ik zat met mijn telefoon op schoot. We hadden afgesproken dat ik om acht uur zou bellen. Het was kwart voor acht.
Ik liet hem rinkelen.
Mijn handen werden nat. Ik liep naar het raam. Terug naar de bank. Om acht uur belde ik.
‘Waar was je?’ vroeg hij.
‘Thuis.’
‘Waarom nam je niet op?’
‘Omdat we om acht uur zouden bellen.’
Hij zweeg. Toen vroeg hij wat er op televisie kwam.
Ik zocht het voor hem op. Tien minuten later hing ik op.
Daarna warmde ik mijn eten op. Voor het eerst die week at ik aan tafel.
Hoofdstuk 5
De gele tas
Mijn vader stond met zijn jas aan naast het raam. Op de stoel lag een gele boodschappentas. Daarin had ik een schone onderbroek, een overhemd en zijn leesbril gedaan.
‘Ik ga niet,’ zei hij.
Buiten stopte het busje van de dagvoorziening. Het was maandagochtend. Ik had twee weken aan deze ochtend besteed. Kennismaking, formulieren, vervoer. Mijn vader had bij het eerste bezoek nog gelachen met een man die vroeger vrachtwagenchauffeur was geweest.
Nu keek hij alsof ik hem naar de gevangenis bracht.
‘We hebben afgesproken dat je het probeert.’
‘Jij hebt dat afgesproken.’
Dat was deels waar.
De chauffeur belde aan. Een vrouw met kort grijs haar en een oranje regenjas.
‘Goedemorgen, Henk. Ik ben Wil.’
‘Dan ben jij vroeg opgestaan voor niets.’
Wil keek niet naar mij voor een oplossing.
‘Dat zou jammer zijn. Ik heb de voorste plek voor u vrijgehouden.’
‘Ik ben geen kind.’
‘Dat zie ik.’
Ze bleef rustig staan. Mijn vader pakte zijn pet.
‘Eén keer,’ zei hij.
Ik knikte te snel.
Toen het busje wegreed, zwaaide ik. Hij keek de andere kant op.
Thuis had ik plotseling vier uur zonder taak. Ik zette koffie. Daarna begon ik mijn keukenkastjes leeg te halen. Halverwege belde Els.
‘Schoenen aan. We gaan lopen.’
‘Ik ben bezig.’
‘Waarmee?’
Ik keek naar zeven mokken, een kapotte garde en een pak couscous over de datum.
‘Niets dat vandaag moet.’
We liepen langs de Rietplas. Mijn knie hield het een halfuur vol. Daarna gingen we zitten. Els vertelde over haar nieuwe buurman, die om zeven uur ’s ochtends saxofoon oefende. Ik lachte. Midden in het lachen dacht ik aan mijn vader in een onbekende ruimte.
Ik pakte mijn telefoon.
‘Je mag bellen,’ zei Els. ‘Maar wil je weten hoe het gaat, of wil je dat schuldgevoel kwijt?’
Ik legde de telefoon terug. Het schuldgevoel bleef. We liepen toch nog een stukje.
Om vier uur kwam vader thuis. Hij rook naar soep.
‘Hoe was het?’
‘Een stel oude mensen bij elkaar.’
‘Heb je iets gedaan?’
‘Een plank geschuurd. Ze hebben daar gereedschap van niks.’
De week erna ging hij weer. Niet zonder gemopper. Wel met zijn eigen schuurpapier in de gele tas.
Ik begon via een aangepast rooster weer te werken. Eerst twee ochtenden. In overleg met de bedrijfsarts bouwde ik langzaam op. Mijn hoofd werd minder mistig. Ik ging naar de fysiotherapeut voor mijn knie. Daar bleek ik moeite te hebben met een oefening die een vrouw van achtenzeventig naast me moeiteloos uitvoerde.
‘Niet vergelijken,’ zei de fysiotherapeut.
‘Zij maakt het wel lastig.’
De vrouw grijnsde. ‘Ik oefen ook thuis.’
Thuis legde ik voortaan een matje naast de bank.
Bas kwam zijn afspraken na. Niet perfect. Hij bestelde een keer dubbele boodschappen en vergat vaders favoriete koffie. Ik wilde hem een lange uitleg sturen. Ik verwijderde het bericht. Vader zou een week andere koffie overleven.
Met Lotte ging ik lunchen in Amersfoort. Ik legde mijn telefoon in mijn tas.
‘Ik was boos,’ zei ze terwijl we op brood wachtten.
‘Dat snap ik.’
‘Niet omdat opa hulp nodig heeft. Omdat jij doet alsof je er bent, terwijl je steeds ergens anders bent.’
Ik wilde uitleggen hoeveel zorgen ik had. Ik liet haar uitpraten.
‘Ik mis je gewoon,’ zei ze.
‘Ik mezelf ook.’
Dat klonk groot, maar ik meende het heel concreet. Ik miste tekenen. Fietsen. Een boek uitlezen zonder drie keer dezelfde bladzijde te lezen.
Die avond schreef ik me opnieuw in voor tekenles.
De eerste les moesten we een oude werkschoen tekenen. Mijn lijnen waren stijf. De docent schoof een lamp iets opzij. Opeens zag ik de schaduw onder de zool.
Een uur lang dacht ik niet aan medicijnen of incontinentiemateriaal.
Na afloop keek ik meteen op mijn telefoon. Geen gemiste oproepen.
Buiten regende het. Ik liep naar mijn fiets met mijn tekening onder mijn jas. Bij het slot bleef ik even staan.
Ik had iets gemaakt dat niemand nodig had. Ik wilde het thuis aan de muur hangen.
Hoofdstuk 6
Niet meer veilig
Het ging vier maanden beter. Niet goed, maar beter. Mijn vader ging twee dagen naar de dagvoorziening. De thuiszorg kwam vaker. Bas kende inmiddels de nummers van de apotheek en de loodgieter. Ik sliep meestal door.
Daarna ging mijn vader ’s nachts naar buiten.
Een buurvrouw vond hem bij de containers. Op sokken. Hij zocht de ingang van zijn ouderlijk huis in Vreeswijk. Hij woonde al veertig jaar op hetzelfde adres in Nieuwegein.
De buurvrouw belde mij om kwart over twee.
Toen ik aankwam, zat hij bij haar aan de keukentafel. Ze had een badjas om zijn schouders gelegd. Haar man droogde vaders voeten met een handdoek.
‘Ik wist niet welk huis,’ zei mijn vader.
Hij huilde niet. Zijn mond stond een beetje open. Ik had hem nog nooit zo bang gezien.
Ik bleef die nacht bij hem. De volgende ochtend belde ik Marieke.
‘We moeten opnieuw kijken,’ zei ik.
Dat deden we. Met vader, de huisarts, de wijkverpleging en Bas. We bespraken extra toezicht en tijdelijke ontlasting. Ook een aanvraag voor langdurige zorg. Mijn vader had steeds vaker hulp nodig op momenten die niet te plannen waren.
‘Ik wil thuisblijven,’ zei hij.
‘Dat weet ik,’ zei ik.
‘Beloof het.’
Ik keek naar de tafel. Daar zat een brandplek van een sigaret uit de tijd dat mijn moeder nog rookte. Als kind had ik er met mijn nagel in gekrast.
‘Dat kan ik niet beloven.’
Hij duwde zijn stoel achteruit.
‘Dan heb ik niets meer te zeggen.’
Marieke vroeg hem wat hij het ergst vond aan verhuizen.
‘Dat ik niemand ken. Dat mijn spullen weggaan. Dat zij niet meer komt.’
Hij wees naar mij.
‘Ik blijf komen,’ zei ik. ‘Ook als je ergens anders woont.’
Hij geloofde me niet meteen. Dat kon ik zien.
Er volgden weken van bezoeken, telefoongesprekken en wachten. Intussen werd thuisblijven moeilijker. Hij belde soms tien keer in een uur. De zorg vond eten in zijn kledingkast. Eén keer duwde hij een medewerker weg toen zij hem wilde helpen met wassen. Later wist hij dat niet meer.
Ik werd weer moe. Maar dit keer zei ik het voordat ik instortte.
We bezochten een kleinschalige woonvoorziening in IJsselstein. Mijn vader wilde eerst niet uit de auto. Bas bleef bij hem zitten. Ik liep alvast naar binnen en hoorde ergens een stofzuiger.
Geen muziek op de gang. Geen mensen die overdreven vrolijk praatten. Een verzorgende zocht een verdwenen pantoffel. In de huiskamer schilde een bewoner een appel, langzaam en nauwkeurig.
Mijn vader kwam uiteindelijk ook binnen.
‘Mag hier een eigen stoel staan?’ vroeg hij.
Dat mocht.
Het was geen instemming met alles. Wel een begin. Met begeleiding en herhaalde gesprekken stemde hij uiteindelijk in met een verhuizing. Soms vergat hij dat gesprek. Soms wist hij het nog en werd hij opnieuw boos.
Op de verhuisdag droeg Bas de stoel. Ik had vaders gereedschapskist meegenomen, na overleg over wat veilig in zijn kamer kon blijven. Ook de foto van mijn moeder en zijn blauwe vest.
‘Waar slaap jij?’ vroeg hij.
‘Thuis, pap.’
‘Dan ga ik mee.’
Verzorgende Denise ging naast hem zitten. Ze vroeg of hij wilde laten zien hoe de rugleuning van zijn stoel werkte. Hij legde het uit. Ik stond bij de deur met mijn autosleutel in mijn hand.
Ik vertelde dat ik wegging en de volgende middag terugkwam. Hij greep mijn pols.
‘Niet vergeten.’
‘Morgen na de lunch.’
Op de parkeerplaats moest ik overgeven achter een struik.
Bas wachtte bij mijn auto. Hij gaf me water.
‘We hebben hem niet zomaar achtergelaten,’ zei hij.
‘Zo voelt het wel.’
‘Ja.’
Die avond zat ik thuis met mijn jas nog aan. Om negen uur belde Denise. Vader had aardappels gegeten en een opmerking gemaakt over de slappe sperziebonen. Daarna had hij gevraagd waar ik was.
‘Wat heeft u gezegd?’
‘Dat u thuis bent. En morgen komt.’
Ik trok mijn jas uit. In de keuken pakte ik een boterham. Meer lukte niet.
Voor ik ging slapen, zette ik de wekker. Niet voor zijn medicijnen. Voor mijn eigen werk.
Hoofdstuk 7
Mijn eigen dag
De eerste zondag na de verhuizing stond ik om half negen bij de woonvoorziening. Denise deed open.
‘Hij slaapt nog.’
‘O. Ik dacht dat ik kon helpen met het ontbijt.’
‘Dat regelen wij.’
Ze zei het vriendelijk. Ik voelde me toch weggestuurd.
In de auto besefte ik dat ik geen plan had voor de rest van de ochtend. Jarenlang had ik verlangd naar minder verantwoordelijkheid. Nu zat ik met vrije uren waar ik geen raad mee wist.
Ik reed naar huis en belde Els.
‘Fiets je nog op zondag?’
‘Over een halfuur bij jou?’
We reden niet ver. Mijn conditie was slecht en bij tegenwind deed mijn knie pijn. Op een bankje bij de Lek aten we brood met kaas. Els wees naar een schip. Ik keek echt. Niet tegelijk op mijn telefoon.
Dat lukte niet iedere keer.
Soms belde ik de afdeling omdat vader tijdens een bezoek slaperig was geweest. Soms controleerde ik zijn kledingkast en ergerde ik me aan verkeerd opgevouwen truien. Een keer sprak ik Denise scherp aan omdat zijn bril vies was.
Ze maakte hem schoon. Daarna vroeg ze of we even konden zitten.
‘Zeg het vooral als iets niet goed gaat,’ zei ze. ‘Maar u hoeft niet bij ieder bezoek dienst te draaien.’
Ik keek naar mijn handen.
‘Ik weet niet goed hoe ik moet stoppen.’
‘Misschien hoeft u niet helemaal te stoppen. Alleen anders te beginnen.’
De volgende keer nam ik geen boodschappen of wasmiddel mee. Ik bracht twee gevulde koeken mee.
Mijn vader zat bij het raam.
‘Ben je er eindelijk?’ vroeg hij.
Ik voelde de schuld meteen. Daarna keek ik naar de klok. Het was twee uur. De afgesproken tijd.
‘Ja. Zin in koffie?’
Hij brak zijn koek doormidden. Gaf mij het grootste stuk. Dat had hij vroeger ook gedaan, toen we na het zwemmen bij de bakker stopten.
We praatten niet over de verhuizing. Hij vertelde dat hij een kast moest repareren. Ik vroeg wat eraan mankeerde.
‘De deur hangt scheef.’
‘Vervelend.’
‘Kun je verhelpen.’
Daarna waren we een tijdje stil.
Zijn ziekte ging verder. Hij vergat de naam van Lotte. Hij kreeg hulp bij bijna alles. Op een middag vroeg hij mij of mijn vader nog leefde. Ik ging later in de auto huilen. De volgende ochtend maakte ik gewoon mijn ontbijt. Beide gebeurden.
Met de arts en de zorg bespraken Bas en ik wat vader belangrijk vond. Rust. Geen onnodige ziekenhuisritten. Goede behandeling van pijn en benauwdheid. Vader deed mee voor zover hij de gesprekken kon volgen. Hij zei vooral dat hij niet alleen wilde zijn als hij bang was.
Ik schreef dat op.
Mijn werk bouwde ik op naar drie dagen. Voorlopig bleef het daarbij. Ik liet uitrekenen wat minder werken voor mijn inkomen en pensioen betekende. Het was niet zonder gevolgen. Maar terug naar vier dagen voelde nog niet verstandig.
Op mijn drieënzestigste verjaardag kwamen Lotte, Bas en Els eten. Bas sneed de taart in ongelijke stukken. Lotte gaf me een doos zachte tekenpotloden.
‘Niet alleen bewaren,’ zei ze.
Een week later ging ik met haar twee nachten naar Deventer. Vroeger had ik zo’n reisje pas geboekt als alles geregeld was. Nu wist ik dat er altijd iets kon veranderen. Ik liet mijn nummer achter en ging toch.
Toen ik terugkwam, vroeg vader waar ik was geweest.
‘Deventer. Met Lotte.’
‘Mooie stad.’
‘Ja.’
‘Ben je alleen gegaan?’
‘Met Lotte, pap.’
Hij knikte. Ik hoefde niet boos te worden om de herhaling. Ik was uitgerust.
Thuis maakte ik voor de tekenles een zelfportret. Geen jonge versie. Ik tekende de plooi tussen mijn wenkbrauwen en de losse huid onder mijn kin. Mijn handen ook. Eén om een koffiemok. De andere op tafel.
Onder de tekening schreef ik: ‘Zorgen en toch mezelf blijven’.
De docent vroeg of de titel definitief was.
‘Voorlopig,’ zei ik.
De volgende donderdag zou ik naar vader gaan. Bas ging zaterdag. Vrijdag had ik niets afgesproken.
Ik liet die dag leeg.
Niet omdat ik wachtte op een telefoontje. Ik wilde naar de markt, nieuwe kaas halen en daarna zien waar ik zin in had.