Naar de inhoud
Terug naar het boek

Mantelzorg en ouder worden

Zorgen op afstand

Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.

Hoofdstuk 1

De pan

Mijn moeder neemt pas bij de zesde keer op. Achter haar stem hoor ik een hoge piep.

‘Wat is dat, mam?’

‘Niks. Dat ding doet vervelend.’

Ik sta in mijn keuken in Utrecht. Mijn dochter Noor zit aan tafel met haar wiskundeboek. Ze kijkt op als ik mijn autosleutels pak.

‘Waar ben je?’ vraag ik aan mijn moeder.

‘Gewoon thuis, Iris. Waar zou ik zijn?’

‘Ga naar buiten. Neem je telefoon mee.’

‘Ik ben aardappels aan het bakken.’

Dan hoest ze. Niet één keer. Een hele reeks.

Ik bel 112 met Noors telefoon. Daarna bel ik buurvrouw Ria. Zij woont naast mijn moeder in Zutphen en heeft een sleutel. Terwijl ik mijn jas aantrek, hoor ik haar hijgend zeggen dat ze al naar de achterdeur loopt.

‘Blijf buiten als er rook is,’ zeg ik.

Noor staat inmiddels ook. Ze is zestien. Haar proefwerk is morgen.

‘Ga maar,’ zegt ze. ‘Ik bel papa wel.’

Dat ze dat zo rustig zegt, maakt het erger.

Onderweg belt Ria. Mijn moeder staat buiten. De brandweer is er. De afzuigkap is zwart, maar het vuur is uit. Een ambulanceverpleegkundige kijkt haar na.

Ik zet de auto bij een tankstation stil. Mijn handen trillen te hard om door te rijden.

‘Ze wilde nog haar handtas pakken,’ zegt Ria.

Ik lach één korte, verkeerde lach. Daarna begin ik te huilen. Ria wacht tot het ophoudt.

Wanneer ik aankom, zit mijn moeder bij haar aan de keukentafel. Ze draagt Ria’s groene vest over haar nachtjapon. Het is kwart over zes in de avond.

‘Daar heb je Iris ook,’ zegt ze. ‘Een hele toestand om een pan.’

Mijn moeder heet Els. Ze is negenenzeventig. Vijf jaar geleden liep ze nog met mijn vader door de Achterhoek, twintig kilometer op een zaterdag. Sinds zijn dood komt ze nauwelijks verder dan de supermarkt aan de Deventerweg. Toch zegt ze iedere zondag dat alles goed gaat.

Ik heb haar graag geloofd.

De ambulanceverpleegkundige vertelt dat haar zuurstof goed is. Ze hoeft niet mee. Hij raadt aan morgen de huisarts te bellen. Mijn moeder knikt alsof hij iets over het weer vertelt.

In haar keuken ruikt het naar gesmolten kunststof. Op het fornuis staat een pan met een zwarte bodem. Daarnaast ligt een pak aardappelschijfjes. Nog dicht.

‘Wat bakte je dan?’ vraag ik.

‘Dat weet je toch.’

‘De aardappels zitten nog in de verpakking.’

Ze kijkt ernaar. Dan naar mij.

‘Ga je me overhoren?’

Ik zet een raam open. Mijn boosheid komt sneller dan mijn opluchting. Dat schaamt me, maar het gebeurt toch.

‘Waarom belde je niet?’

‘Omdat ik het zelf kon oplossen.’

‘Je zat binnen terwijl de rookmelder afging.’

Ze trekt het vest dicht. Haar handen zijn kleiner geworden. De ring van mijn vader hangt los aan een ketting om haar hals.

Ik wil haar vasthouden. In plaats daarvan begin ik schoon te maken.

In de koelkast vind ik yoghurt met een groene rand onder het deksel. Drie pakken vleeswaren zijn ongeopend over de datum. In de gang ligt post achter de kapstok. Twee enveloppen hebben een rode streep.

‘Die moest ik nog doen,’ zegt ze vanuit de deuropening.

‘Sinds wanneer?’

‘Sinds kort.’

Ik maak een stapel op tafel. Zorgverzekering. Energieleverancier. Een afspraak bij de oogarts die vorige maand was.

Mijn broer Bas belt terug als ik de vloer dweil. Hij woont in Breda.

‘Misschien was ze gewoon afgeleid,’ zegt hij.

‘Er lag geen eten in die pan, Bas.’

‘Ja. Dat hoor ik.’

Hij zegt dat hij zondag komt. Het is dinsdag.

Ik slaap die nacht in mijn oude kamer. Mijn moeder biedt aan het bed op te maken, maar kan het schone beddengoed niet vinden. Ik haal het uit dezelfde kast waar het al dertig jaar ligt.

Om halfdrie hoor ik beneden een la opengaan.

Ze staat in de keuken met een doos lucifers.

‘Het gas doet het niet,’ zegt ze.

Ik heb de kraan dichtgedraaid.

‘Wat wilde je maken?’

‘Thee.’

Naast haar staat de waterkoker.

Ik wijs ernaar. Ze kijkt naar de lucifers in haar hand en legt ze haastig neer.

‘Ik ben moe,’ zegt ze.

Ik ook. Maar terwijl ik water kook, weet ik dat slapen niet meer het enige probleem is.

Hoofdstuk 2

De tweede sleutel

De huisarts vraagt mijn moeder welke dag het is.

‘Een werkdag,’ zegt ze.

‘Weet u ook welke?’

‘Blijkbaar de dag waarop iedereen denkt dat ik gek ben.’

Dokter Van Loon schuift zijn toetsenbord opzij. Ik zit naast mijn moeder met een vel papier op mijn knieën. Daarop staan de brand, de post, het eten en de lucifers. Vier woorden. Het voelt alsof ik bewijs tegen haar heb verzameld.

Hij vraagt naar slapen, pijn en medicijnen. Mijn moeder geeft vlotte antwoorden. Volgens haar eet ze iedere avond warm. Volgens haar heeft ze nergens hulp bij nodig.

‘Mag Iris ook iets vertellen?’ vraagt hij.

Ze haalt haar schouders op.

Als ik begin over de koelkast, kijkt ze strak naar de deur.

Er volgt geen snelle conclusie. Hij laat bloed afnemen. Hij wil haar medicijnen controleren en verwijst haar voor verder onderzoek. Vergeetachtigheid kan verschillende oorzaken hebben, legt hij uit. Tot die tijd moet er thuis iets veranderen.

‘Ik heb geen oppas nodig,’ zegt mijn moeder.

‘Misschien wel iemand die even meekijkt.’

‘Dat is hetzelfde in nette woorden.’

Buiten loopt ze voor me uit. Bij mijn auto trekt ze aan het verkeerde portier.

Ik zeg niets.

Dat zwijgen wordt een gewoonte. Ik verbeter haar niet als ze vertelt dat mijn vader straks thuiskomt van biljarten. Ik zeg niet dat ze hetzelfde verhaal drie keer heeft verteld. Maar ik vraag wel of ze gegeten heeft. Of ze haar pillen heeft genomen. Of de achterdeur dicht is.

Binnen een week klink ik aan de telefoon als een controleur.

Op mijn werk schuif ik vergaderingen. Ik ben planner bij een installatiebedrijf in Nieuwegein. Als een monteur uitvalt, moet ik daar meteen iets mee. Nu sta ik tijdens zo’n gesprek ook de huisarts van mijn moeder terug te bellen.

Mijn leidinggevende, Jeroen, tikt op de lege stoel tegenover hem.

‘Wat heb je nodig?’

Ik zeg: ‘Een week rust.’

Hij vraagt of ik verlof wil bespreken. Ik antwoord dat het voorlopig wel gaat.

Die middag stuur ik twee monteurs naar hetzelfde adres. Een andere klant wacht tevergeefs.

Ria neemt intussen iedere avond een bord eten mee. Dat heeft niemand officieel afgesproken. Ze doet het gewoon. Als ik haar bedank, zegt ze dat ze toch kookt.

Pas later hoor ik dat haar man slecht ter been is en zij hem helpt douchen.

Ik heb mijn probleem zonder overleg bij haar neergelegd.

Zondag komt Bas. Hij brengt bloemen en een nieuwe rookmelder. Mijn moeder is aangekleed. Er staat koffie klaar. Ze heeft koekjes op een schaaltje gelegd.

‘Zie je,’ zegt hij zacht in de keuken. ‘Ze heeft ook goede dagen.’

‘Ik zeg niet dat ze geen koffie meer kan zetten.’

‘Je klinkt alsof alles instort.’

Ik trek de kast onder de gootsteen open. Daar liggen haar medicijnen tussen de vaatwastabletten.

‘Dit vond ik vanochtend.’

Hij kijkt, maar zegt niets.

Aan tafel probeer ik afspraken te maken. Bas kan de administratie doen. Ik regel het medische deel. We kunnen maaltijden laten bezorgen. Misschien wil ze iemand voor het huishouden.

‘Jullie praten over mij alsof ik er niet ben,’ zegt mijn moeder.

Ze heeft gelijk.

Ik draai mijn stoel naar haar toe.

‘Waar wil jij hulp bij?’

‘De ramen boven.’

‘En verder?’

‘Nergens.’

Het gesprek loopt vast op die ramen.

De wijkverpleegkundige komt twee dagen later. Ze heet Fatima. Ze vraagt niet meteen wat mijn moeder niet meer kan. Ze vraagt hoe haar ochtend eruitziet. Mijn moeder vertelt over douchen, aankleden, ontbijt en de krant.

‘Laat u eens zien waar de medicijnen staan?’

Mijn moeder loopt naar drie verschillende kasten.

Fatima blijft rustig. Ze stelt een dagelijks bezoek voor om te kijken hoe het gaat met de medicatie. Mijn moeder noemt het overdreven. Fatima vraagt of ze het twee weken wil proberen.

Twee weken klinken blijkbaar minder bedreigend dan voortaan.

Er komt ook een eenvoudig elektrisch kookplaatje met automatische uitschakeling. We oefenen samen. Mijn moeder zet een pan water op en lacht wanneer ik te lang naar haar handen kijk.

‘Het is koken, Iris. Geen operatie.’

Bij vertrek vraagt Fatima wie er bereikbaar is bij problemen.

Iedereen kijkt naar mij.

Ik geef mijn nummer. Daarna dat van Bas.

Mijn moeder duwt haar reservesleutel in mijn hand.

‘Voor noodgevallen,’ zegt ze nadrukkelijk.

Ik stop hem aan mijn sleutelbos. Thuis merk ik dat ik voortaan bij ieder geluid van metaal aan haar voordeur denk.

Hoofdstuk 3

De gemiste avond

Noor staat al in de gang met haar vioolkoffer als mijn telefoon gaat. Mijn moeder zegt dat er een man in haar tuin staat.

‘Wat voor man?’

‘Een vreemde. Hij kijkt naar binnen.’

Ik ga bij het keukenraam staan, alsof ik vanaf Utrecht naar Zutphen kan kijken.

‘Doe de deur niet open. Ik bel Ria.’

Ria neemt niet op. Haar man heeft die middag een ziekenhuisafspraak. Bas zit in een overleg. Ik bel mijn moeder terug en hoor nu een mannenstem.

‘Mam, wie is daar?’

De verbinding valt weg.

Noor zet haar koffer neer.

‘Je gaat niet mee.’

Het is geen vraag.

‘Ik weet nog niet wat er aan de hand is.’

‘Dat weet je nooit.’

Haar vader komt haar ophalen. Ik hoor hem in de hal zacht met haar praten. Ik blijf bellen. Na twaalf minuten neemt mijn moeder op.

‘De meteropnemer,’ zegt ze. ‘Aardige jongen.’

‘Welke meter?’

‘Weet ik veel. Hij had een kaartje.’

Ik vraag of hij nog binnen is. Nee. Of ze iets getekend heeft. Misschien. Of ze geld heeft gegeven. Natuurlijk niet, zegt ze boos.

Ik ga toch.

Er ligt een bevestiging van een nieuw energiecontract op tafel. Geen inbraak. Geen geweld. Wel een handtekening onder iets wat ze niet begrijpt.

Ik fotografeer de papieren en zoek uit hoe ik het kan annuleren. Mijn moeder smeert intussen twee boterhammen.

‘Je had ook morgen kunnen komen,’ zegt ze.

Ik kijk op mijn telefoon. Een foto van Noor op het podium. Haar vader heeft erbij gezet: Ze speelde mooi.

Mijn moeder schuift een bord naar me toe.

‘Kaas lust je toch?’

Ik eet terwijl ik het formulier invul.

Na drie maanden onderzoek zitten we in een kleine spreekkamer van de geheugenpoli. Bas is erbij. De arts zegt dat de uitslagen passen bij de ziekte van Alzheimer. Ze legt uit wat ze wel en niet kunnen voorspellen.

Mijn moeder vraagt of ze nog naar de markt mag.

‘Dat hangt ervan af hoe dat gaat,’ zegt de arts.

‘Ik vraag niet of ik naar Spanje mag.’

Bas stelt vragen over medicijnen. Ik schrijf woorden op die ik later niet kan lezen. Mijn moeder zit met haar jas op schoot. Ze wil weg.

In de lift vraagt ze of we ergens koffie gaan drinken.

Bij een café vlak bij het ziekenhuis bestelt ze appeltaart. Ze eet alles op en zegt dat de bodem te zacht is. Heel even lijkt het een gewone middag.

Dan vraagt ze waarom we eigenlijk in het ziekenhuis waren.

Bas draait zijn gezicht naar het raam.

De casemanager heet Marieke. Ze komt thuis, praat met mijn moeder en daarna ook met mij. Ze vraagt hoeveel tijd de zorg kost.

‘Dat verschilt.’

‘Kun je een gewone week beschrijven?’

Ik tel autoritten, telefoontjes, afspraken en boodschappen. Het worden uren waar ik zelf van schrik. Dan vraagt ze naar de tijd waarin ik alleen maar zit te wachten op een telefoontje.

Daar heb ik geen getal voor.

Marieke helpt ons vaste afspraken te maken. Bas krijgt toegang tot de administratie, met toestemming van mijn moeder. We bespreken een volmacht zolang ze kan overzien wat die betekent. Er komt twee keer per week huishoudelijke hulp. De wijkverpleging blijft komen.

Mijn moeder vindt sommige mensen aardig en andere ‘bemoeiallen’. Eén hulp stuurt ze weg omdat die haar vaders stoel verplaatst.

Dat is de stoel waarin mijn vader zat. Mijn moeder noemt hem soms haar vader. Ik moet telkens kiezen: verbeteren of doorpraten.

Thuis heeft Noor een kom pasta voor mij in de koelkast gezet. Er ligt een briefje op.

Niet vergeten te eten. Groetjes, je mantelzorger.

Ik vind het eerst grappig. Dan niet meer.

Ik klop op haar slaapkamerdeur.

‘Ik had bij je concert moeten zijn.’

Ze haalt haar schouders op.

‘Er zijn filmpjes.’

‘Dat is niet hetzelfde.’

‘Nee.’

Ik ga op de vloer zitten. Haar kamer ruikt naar nagellak. Op haar bureau ligt een lijst met opleidingen.

‘Ik kan niet beloven dat er nooit meer iets tussenkomt,’ zeg ik. ‘Maar ik wil niet dat jij steeds moet begrijpen waarom.’

Ze kijkt naar me.

‘Je vraagt ook nooit meer hoe het met mij gaat.’

Ik wil protesteren. Ik weet haar cijfers. Ik weet wanneer ze training heeft. Maar dat bedoelt ze niet.

Dus ik vraag het. En deze keer laat ik mijn telefoon beneden.

Hoofdstuk 4

Niet thuis

Om zeven uur twaalf belt Fatima. Mijn moeder doet niet open. Haar bed is leeg. Haar jas hangt er nog.

‘Misschien bij Ria,’ zeg ik.

‘Daar ben ik geweest.’

Het is februari. Buiten mijn raam regent het tegen de ruit.

Fatima heeft in huis en rond het huis gekeken. De achterdeur staat op een kier. Mijn moeders schoenen zijn weg. Haar telefoon ligt op de keukentafel.

Ik bel de politie en geef haar naam, leeftijd en adres. Ik zoek een recente foto. Op bijna alle foto’s zit ze achter een kop koffie. Uiteindelijk stuur ik er een van haar in een blauwe trui, bij de verjaardag van Noor.

Dan bel ik Bas.

‘Ga jij ook rijden,’ zeg ik. ‘Niet eerst overleggen.’

Onderweg vraagt de politie waar ze naartoe zou kunnen gaan. Ik noem de supermarkt, de begraafplaats en het oude adres van haar vriendin Joke.

Joke woont al twee jaar in een appartement in Warnsveld. Mijn moeder weet dat soms wel en soms niet.

Bij Zutphen staat verkeer vast. Ik sla met mijn vlakke hand op het stuur. Meteen schaam ik me tegenover niemand.

Ria wacht voor het huis. Ze heeft een paraplu vast, maar staat ernaast. Haar haar is nat.

‘Ik heb gisteren nog bij haar gegeten,’ zegt ze.

‘Dit is niet jouw schuld.’

Ze knikt, zonder me aan te kijken.

Binnen controleer ik kamers die Fatima al heeft gecontroleerd. De badkamer. De logeerkamer. Zelfs de kast onder de trap. Ik weet dat ze daar niet zit. Toch trek ik de deur open.

Op tafel ligt een briefje in haar handschrift.

Naar huis. Brood halen.

Ik lees het hardop aan de agent die inmiddels in de keuken staat.

‘Waar was vroeger thuis?’ vraagt hij.

Haar ouderlijk huis stond in Brummen. Een kleine arbeiderswoning, vlak bij de spoorlijn. Daar heeft ze sinds haar twintigste niet meer gewoond.

Hij geeft het door.

Om negen uur drieëntwintig komt het telefoontje. Een buschauffeur heeft haar gezien bij een halte buiten het centrum. Ze wilde instappen, maar had geen pas en geen geld. Haar schoenen waren doorweekt. Toen hij vroeg waar ze heen moest, noemde ze een straat die daar niet lag.

De chauffeur liet haar zitten en schakelde hulp in.

Ik vind haar in een ambulance, gewikkeld in een deken. Ze ziet me en begint meteen te klagen.

‘Ze laten me niet uitstappen.’

‘Je was weg.’

‘Ik ging boodschappen doen.’

‘Zonder jas.’

Ze kijkt naar haar armen. Alsof iemand anders haar zo heeft aangekleed.

De ambulanceverpleegkundige vraagt me ruimte te geven. Ik stap achteruit. Mijn moeder is koud en uitgeput. Ze gaat mee voor beoordeling.

In het ziekenhuis zoeken ze ook naar een lichamelijke oorzaak voor de plotselinge onrust. Er blijkt geen duidelijke acute verklaring. Wel is ze weinig gaan drinken. Ze krijgt drinken aangeboden, wordt warmer en wil naar huis.

Bas komt met een tas droge kleren. Hij hurkt voor haar stoel en helpt haar met sokken. Ik zie zijn kale kruin en voel plotseling hoe moe hij eruitziet.

Niet alleen ik word ouder tijdens dit zorgen.

Op de gang zeg ik dat ze niet meer alleen kan wonen.

‘Misschien kunnen we meer thuiszorg regelen,’ zegt hij.

‘Die staat niet de hele nacht naast de achterdeur.’

‘Je hoeft niet meteen zo te doen.’

‘Hoe dan wel?’

Een verpleegkundige kijkt onze kant op. We praten zachter, maar niet vriendelijker.

Marieke sluit later telefonisch aan. Voor die nacht wordt er geen plek uit een la getoverd. Eerst moeten we concreet maken wie er thuis kan blijven. Daarna volgt overleg met huisarts en zorgaanbieders over een tijdelijke oplossing en een aanvraag voor langdurige zorg.

Bas neemt de eerste twee nachten. Ik de volgende twee. Ria biedt aan overdag te komen. Ik zeg dat een uur genoeg is.

Mijn moeder ligt die avond in haar eigen bed. Ik zit beneden met Bas. Hij staart naar het briefje.

‘Ik dacht dat jij het erger maakte omdat je bang was,’ zegt hij.

‘Ik ben ook bang.’

‘Ja.’

We maken een rooster. Geen van ons noemt het een oplossing.

Om elf uur hoor ik boven voetstappen. Mijn moeder staat op de overloop.

‘Wie brengt me straks naar huis?’ vraagt ze.

Bas staat als eerste op.

Hoofdstuk 5

De grens

De derde nacht slaap ik twee uur. Mijn moeder moet naar de wc, kan de badkamer niet vinden en wordt boos wanneer ik haar help. Om vijf uur trekt ze de lakens van haar bed. Ze zegt dat er zand in ligt.

Er ligt geen zand.

Ik verschoon het bed toch. Dat kost minder dan ruzie.

Om zeven uur belt mijn werk. Een collega wil weten waar ik een planning heb opgeslagen. Ik snauw dat hij zelf moet zoeken. Daarna stuur ik een excuusbericht dat langer is dan nodig.

Mijn moeder staat achter me.

‘Je bent niet gezellig meer.’

Ik draai me om.

‘Nee, mam. Ik ben niet gezellig meer.’

Ik zeg het hard. Zij schrikt. Ik ook.

Ze gaat aan tafel zitten met haar handen op haar knieën. Zo zit een kind dat op zijn straf wacht. Ik haat dat ik haar zo laat zitten. Maar ik kan op dat moment niet bij haar gaan staan.

Ik loop de achtertuin in. Het heeft gevroren. Ik draag alleen sokken. Pas bij de schuur voel ik hoe koud de tegels zijn.

Daar bel ik Marieke.

‘Ik kan dit niet meer.’

Ze vraagt niet of ik nog even kan volhouden. Ze vraagt of mijn moeder nu veilig binnen is. Daarna wie mij vandaag kan aflossen.

Bas komt voor de middag. Hij heeft vrij genomen. Zijn gezicht staat strak, maar hij klaagt niet.

Ik rijd naar Utrecht en mis bijna een afslag doordat mijn ogen dichtvallen. Bij de eerstvolgende parkeerplaats stop ik. Ik slaap een halfuur met mijn jas over me heen.

Thuis staat Noor in de keuken.

‘Je moet naar bed,’ zegt ze.

Ik wil vragen hoe haar dag was. Ze duwt me zacht naar de trap.

De volgende ochtend maak ik een afspraak met mijn eigen huisarts. Ik vertel over mijn hart dat ’s nachts bonst. Over het huilen in de auto. Over mijn woede wanneer mijn moeder voor de vijfde keer belt.

‘Soms hoop ik dat mijn telefoon kapotgaat,’ zeg ik.

Hij kijkt niet geschokt.

Dat helpt meer dan ik verwacht.

Op mijn werk bespreek ik verlof en tijdelijk minder uren. Het kost inkomen. Jeroen zegt eerlijk dat niet alles binnen het team opgevangen kan worden. We zetten afspraken op papier. Voor het eerst in maanden weet ik wanneer ik werk en wanneer niet.

Intussen komt er tijdelijk verblijf beschikbaar in een zorgcentrum in Lochem. Niet om de hoek. Niet de kamer die mijn moeder ooit zelf zou hebben gekozen. Wel een plek met begeleiding, ook ’s nachts.

‘Ik ga niet in een tehuis,’ zegt ze als we het uitleggen.

‘Je gaat er voorlopig logeren,’ zegt Bas.

Ik zie Marieke naar hem kijken.

‘We weten nog niet of thuis wonen weer lukt,’ zegt ze rustig. ‘Dat moeten we eerlijk zeggen.’

Mijn moeder staat op.

‘Dan gaan jullie maar.’

We blijven nog een uur. Ze praat niet meer tegen ons.

Haar weigering verdwijnt niet doordat wij uitgeput zijn. Er volgen gesprekken. Wat begrijpt ze van het risico? Welke zorg accepteert ze? Wat kan nog thuis? De betrokken professionals beoordelen wat verantwoord is en wat er moet gebeuren als ze zich blijft verzetten.

Ik vind het traag. Tegelijk ben ik blij dat mijn haast niet genoeg is om haar leven over te nemen.

Na een week raakt ze ’s nachts opnieuw buiten. Bas hoort de deur en vindt haar voor ze de straat uit is. De volgende ochtend vertelt ze zelf aan Marieke dat ze bang was.

‘Ik wist niet waar ik moest slapen.’

Ze stemt uiteindelijk in met een tijdelijk verblijf. We spreken af dat we samen gaan kijken en haar eigen spullen meenemen.

Ik pak haar tas. Ondergoed. Haar blauwe vest. De foto van mijn vader bij de IJssel.

In een la vind ik een schrift waarin ze mijn vaders laatste ziekte bijhield. Tijdstippen. Medicijnen. Wat hij had gegeten. Op één bladzijde staat alleen: Vandaag niet aardig geweest.

Ik ga op de rand van het bed zitten.

Ook zij heeft hier gestaan. Moe. Boos. Daarna weer verder.

Ik neem het schrift niet mee. Het is van haar.

Wanneer ik de tas dichtrits, komt ze binnen.

‘Doe mijn goede schoenen erin,’ zegt ze. ‘Ik wil daar niet op sloffen aankomen.’

Samen kiezen we het bruine paar.

Hoofdstuk 6

Kamer twaalf

Mijn moeder vindt de kamer te klein. Het bed staat volgens haar verkeerd. De gordijnen zijn lelijk. Ze zegt het allemaal voordat verzorgende Sanne haar naam heeft kunnen noemen.

Sanne zet de tas op een stoel.

‘Waar zou u het bed liever hebben?’

‘Thuis.’

‘Dat begrijp ik. Hier kunnen we het een stukje verschuiven, maar de deur moet vrij blijven.’

Mijn moeder kijkt haar aan. Geen geruststellend praatje. Geen belofte die niemand kan houden. Ze wijst naar de muur.

‘Dan daar.’

We schuiven het bed twintig centimeter.

Ik zet de foto van mijn vader op de kast. Bas sluit de radio aan. Mijn moeder heeft kamer twaalf, op een afdeling waar bewoners ondersteuning krijgen bij geheugenproblemen. De eerste weken zijn bedoeld om beter te zien welke zorg ze nodig heeft.

Tijdens de lunch krijgt ze soep.

‘Uit een pak,’ zegt ze na één hap.

Sanne lacht niet. Ze vraagt of mijn moeder liever een boterham wil.

Als we weggaan, loopt mijn moeder mee naar de uitgang.

‘Mijn jas,’ zegt ze.

‘Je blijft hier vannacht, mam.’

‘Dat hebben jullie bedacht.’

Andere bewoners zitten verderop televisie te kijken. Ik voel hun blikken, al kijkt bijna niemand echt.

‘We hebben het samen besproken.’

‘Niet met mij.’

Ik begin opnieuw uit te leggen. De wandeling zonder jas. De nachten. De hulp thuis. Hoe meer woorden ik gebruik, hoe bozer ze wordt.

Sanne komt naast ons staan.

‘Els, wilt u me laten zien waar de foto moet blijven? Ik moet uw kast nog afnemen.’

Mijn moeder draait zich om. Ik vertrek zonder een goed afscheid.

In de auto sla ik mijn handen voor mijn gezicht. Bas zit naast me en zegt niets. Dat is precies genoeg.

De eerste avond bel ik om negen uur. Om halfelf wil ik opnieuw bellen. Noor pakt niet mijn telefoon af. Ze vraagt alleen wat ik hoop te horen.

‘Dat ze slaapt.’

‘En als ze niet slaapt?’

Daar heb ik geen antwoord op.

De volgende ochtend vertelt Sanne dat mijn moeder onrustig was, maar uiteindelijk is gaan liggen. Ze heeft ontbeten. Ze vroeg naar mij.

Ik hoor vooral dat laatste.

Bij mijn bezoeken neem ik te veel mee. Bloemen. Koek. Een nieuw vest. Alsof ik een schuld kan aflossen aan de balie.

Mijn moeder wil meestal weten wanneer ze naar huis mag. Soms noemt ze me bij de naam van haar zus. Soms zegt ze scherp dat ik haar heb opgeborgen omdat ik een druk leven heb.

Die zin blijft een hele dag in mijn hoofd zitten.

Marieke zegt niet dat ik hem moet vergeten. Ze helpt me kijken naar wat er gebeurt. Mijn moeder is verdrietig en heeft minder overzicht. Ik ben moe en hoor ieder verwijt alsof het een uitspraak van een rechter is.

We maken mijn bezoeken korter en voorspelbaarder. Dinsdag na de lunch. Zaterdag in de ochtend. Bas komt op donderdag. Noor gaat alleen mee als ze dat zelf wil.

Ik leer ook vragen stellen aan de afdeling zonder meteen een beschuldiging te formuleren. Een keer ligt mijn moeder om elf uur nog in een natte broek. Ik word kwaad. Terecht, vindt Sanne wanneer ze het heeft uitgezocht. De overdracht is niet goed gegaan.

We spreken af hoe dat wordt voorkomen. Ik schrijf het op en vraag er later naar.

Zorg uit handen geven betekent niet dat ik nergens meer naar kijk.

Na de observatieperiode blijkt terugkeer naar huis niet veilig haalbaar met de zorg die daar georganiseerd kan worden. Er is inmiddels een indicatie voor langdurige zorg. We bespreken verschillende woonplekken. Wachten hoort erbij. Formulieren ook. Mijn moeder kan voorlopig blijven waar ze zit.

Ik bezoek een locatie dichter bij Utrecht, maar besluit niet meteen dat dichtbij mij automatisch beter is. In Lochem herkent ze inmiddels Sanne. Ria kan erheen. Haar zus woont in Deventer.

Voor het eerst laat ik mijn eigen reistijd niet het hele gesprek bepalen. Maar ik verzwijg hem ook niet.

Op een zaterdag vind ik mijn moeder in de gezamenlijke keuken. Ze droogt plastic bekers af.

‘Ze hebben hier niet genoeg personeel,’ zegt ze streng.

Sanne trekt achter haar kort een wenkbrauw op.

Mijn moeder schuift een beker naar me toe.

‘Jij kunt ook wel wat doen.’

Ik pak een theedoek. We staan tien minuten naast elkaar. Ze vraagt niet naar huis. Ik vraag niet of ze tevreden is.

We drogen gewoon af.

Hoofdstuk 7

Een vaste dinsdag

In mei moet het huis leeg. Mijn moeder woont inmiddels definitief in het zorgcentrum in Lochem. Ze kon op dezelfde afdeling blijven. Niet alles is daarmee rustig geworden. Wel weten we waar ze slaapt en wie er komt als ze ’s nachts hulp nodig heeft.

Bas staat in haar woonkamer met een rol vuilniszakken.

‘Niet alles daarin,’ zeg ik meteen.

‘Goedemorgen, Iris.’

Ik moet lachen. Hij ook.

We hebben allebei een vrije dag genomen. Ria zet koffie en gaat daarna naar huis. Vroeger zou ik gevraagd hebben of ze kon blijven helpen. Nu zeg ik dat we straks haar schaal terugbrengen.

Mijn moeder weet dat we het huis leeghalen. Op heldere momenten vindt ze dat verstandig. Een uur later vraagt ze waarom haar tafel weg moet. We betrekken haar bij kleine keuzes die ze kan overzien. De lamp gaat mee. Haar stoel ook, als die past. Niet iedere beslissing hoeft in één gesprek.

In de linnenkast vind ik handdoeken die ik van vroeger ken. Dunne, harde dingen met een rode streep. Ik druk er één tegen mijn gezicht.

Bas doet alsof hij het niet ziet.

We maken drie stapels. Bewaren. Weggeven. Afvoeren. De stapel bewaren groeit te snel.

Bij mijn vaders gereedschap krijgen we ruzie. Bas wil de hele kist meenemen. Ik zeg dat hij al maanden nauwelijks iets heeft geregeld aan het huis.

Hij zet de kist neer.

‘Zeg dan dat je daar boos over bent. Niet dat ik geen schroevendraaier mag.’

Ik ga op een omgekeerde emmer zitten.

‘Ik ben daar boos over.’

Hij knikt.

We praten niet alles uit. Wel spreken we af wie de makelaar belt, wie de laatste rekeningen controleert en wie de spullen naar de kringloop brengt. Ik hoef het niet alsnog zelf te doen om zeker te weten dat het gebeurt.

In juni ga ik met Noor drie dagen naar Terschelling. Bas is eerste contactpersoon. De afdeling heeft zijn nummer bovenaan gezet. Ik controleer dat één keer. Niet vier keer.

Op de boot voel ik mijn telefoon trillen. Een bericht van de supermarkt over bonusaanbiedingen. Mijn hart gaat toch tekeer.

Noor ziet het.

‘Je mag kijken,’ zegt ze.

‘Heb ik al gedaan.’

Ze schuift een zak drop tussen ons in.

Die dagen praten we over haar school, haar vrienden en haar twijfel over een opleiding. Eén avond praten we ook over oma. Noor zegt dat ze haar mist terwijl ze er nog is.

‘Ik ook,’ zeg ik.

Daarna lopen we terug naar ons pension. We hoeven het niet op te lossen.

Mijn moeder wordt niet beter. Ze vraagt vaker naar mijn vader. Soms eet ze slecht. Er zijn dagen waarop ze de hulp bij het wassen weigert. Dan zoekt het team naar een ander moment of een andere medewerker. Ik krijg niet meer over ieder lastig uur een telefoontje, maar wel over belangrijke veranderingen. Dat hebben we afgesproken.

Ik slaap meestal weer door. Ik werk vier dagen. Mijn rekening merkt dat, maar mijn lichaam ook. De gesprekken met de praktijkondersteuner helpen me om niet ieder vrij uur opnieuw vol zorg te plannen.

Op een dinsdag neem ik mijn moeder mee naar buiten. Het is warm. Ik duw haar in een rolstoel omdat een lange wandeling haar te veel wordt. Zelf wil ze eerst lopen. Dat doen we tot het bankje bij de parkeerplaats. Dan gaat ze zitten zonder discussie.

Bij een bakker kopen we twee krentenbollen. Ik haal koffie voor mezelf en thee voor haar. Ze breekt haar bol doormidden.

‘Hier,’ zegt ze. ‘Jij eet altijd te weinig.’

Ik heb net mijn eigen broodje op. Toch neem ik het stuk aan.

Even later vraagt ze: ‘Moet jij niet naar dat meisje?’

‘Noor? Vanavond eten we samen.’

‘Dan moet je op tijd weg.’

Ik kijk op mijn horloge. Nog twintig minuten voor ik had willen vertrekken.

Vroeger zou ik gebleven zijn tot ze sliep. Of tot ze glimlachte. Of tot ik zeker wist dat ze me niets kwalijk nam. Dat moment kwam zelden.

Nu rijd ik haar terug. Sanne is vrij. Een andere verzorgende, Peter, helpt haar naar de huiskamer. Hij weet hoe ze haar thee drinkt.

Ik kus haar wang.

‘Dinsdag ben ik er weer, mam.’

‘Neem dan die lekkere bollen mee.’

Buiten bel ik Noor. Ik vraag of ze alvast de oven wil aanzetten.

Daarna stap ik in de auto. Mijn moeder is niet alleen. Ik hoef vandaag niet te blijven.