Werk en maatschappij
Zzp'er zonder vangnet
Hoofdstuk 1
Zzp'er zonder vangnet
De ladder schoof weg toen ik mijn rechterhand uitstak. Ik greep een regenpijp. Die brak af. Daarna lag ik tussen twee zakken voegmortel en keek ik naar een stukje lucht boven een steeg in Utrecht.
‘Niet bewegen, Daan.’
Mo knielde naast me. Er zat een scheur in zijn werkbroek. Ik zag zijn knie. Dat bleef me later verbazen. Niet de pijn kwam als eerste terug, maar die bleke knie.
‘Mijn bus staat dubbel,’ zei ik.
‘Hou je bek. Ik bel.’
Ik wilde overeind. Mijn linkerbeen gaf geen toestemming. Er klonk iets uit mijn mond wat ik niet als mijn eigen stem herkende.
Die ochtend had ik nog uitgerekend hoeveel meter boeiboord ik moest schilderen om vrijdag geld over te houden. Het huis stond aan de Oudegracht. Smalle doorgang. Ongelijke stenen. De rolsteiger paste er niet doorheen. Voorman Ron had gezegd dat we het laatste stuk met een ladder konden doen.
Ik had de ondergrond gezien. Ik had ook de openstaande factuur van 4.840 euro gezien, op mijn telefoon. Betaling volgde zodra de klus klaar was, had Ron gezegd. Dus was ik omhooggegaan.
In de ambulance vroeg een vrouw naar mijn geboortedatum.
‘Zeventien maart 1987. Daan Vermeer.’
‘Werk je in loondienst?’
‘Zelfstandig.’
Ze knikte en schreef iets op. Voor haar was het een vakje. Voor mij begon daar de val pas echt.
In het ziekenhuis bleek mijn scheenbeen vlak onder de knie gebroken. Er was een operatie nodig. Een plaat. Schroeven. Daarna mocht ik weken niet op dat been staan.
‘Wanneer kan ik weer een ladder op?’ vroeg ik.
De arts trok een kruk bij het bed.
‘Dat is nu niet de eerste vraag.’
‘Voor mij wel.’
Hij keek me aan. Niet streng. Dat maakte het erger.
‘Reken niet op een paar weken. Je herstel gaat maanden kosten. Hoeveel maanden kan ik vandaag niet zeggen.’
Mijn telefoon trilde. Ron.
Ik nam op voordat de arts de kamer uit was.
‘Hoe is het?’ vroeg hij.
Ik vertelde het. Kort. Alsof ik slecht nieuws over een verflevering doorgaf.
‘Klote,’ zei hij. ‘Echt klote. Luister, heb jij foto’s van dat kozijn aan de achterkant? De klant zegt dat het nog niet af is.’
Ik keek naar mijn been. Het lag dik ingepakt op een kussen.
‘Ron, ik word straks geopereerd.’
‘Snap ik. Stuur maar wanneer het kan.’
Hij hing op zonder iets over mijn factuur te zeggen.
Mijn zus Eva kwam tegen zeven uur. Ze had een oplader, een schone onderbroek en een zak winegums bij zich. Ze werkte als doktersassistent in Nieuwegein. Ze keek eerst naar mijn gezicht en daarna naar de monitor.
‘Weet Noor het?’
‘Nog niet.’
Mijn dochter was negen. Ze was die week bij haar moeder, Sanne. Vrijdag zou ik haar ophalen voor ons weekend. We zouden pannenkoeken bakken. Haar fietsbel vervangen. Dingen waarvoor je twee handen nodig had, maar eigenlijk ook twee benen.
Eva belde Sanne op de gang. Ik hoorde haar rustige werkstem.
Daarna vroeg ze naar mijn verzekering.
‘Aansprakelijkheid heb ik.’
‘Ik bedoel voor je inkomen.’
Ik plukte aan het randje van mijn polsbandje.
Ik had ooit een offerte aangevraagd. Ruim driehonderd euro per maand, met voorwaarden die ik half begreep. Toen kwam een reparatie aan mijn bus. Daarna een naheffing. Daarna dacht ik dat ik eerst een buffer moest opbouwen.
‘Nee,’ zei ik.
Eva zweeg.
‘Niet zo kijken.’
‘Ik kijk gewoon naar je.’
Mijn bankapp stond nog open. Zakelijk: 612 euro. Privé: 93. Op de spaarrekening stond 1.380 euro. Daarvan was het meeste bedoeld voor btw.
Ik draaide het scherm naar beneden.
Vier jaar eerder was ik zelfstandig geworden. Mijn werkgever stopte ermee. Ik had klanten meegekregen en een tweedehands bus gekocht. Het eerste jaar voelde ik me handig en vrij. Mijn naam op de zijkant. Mijn eigen planning. Niemand die vroeg waarom ik om drie uur vertrok om Noor op te halen.
Nu vroeg Eva waar mijn reserves stonden.
‘In die bus,’ zei ik.
Ze schoof haar stoel dichterbij.
‘Dan gaan we morgen rekenen.’
Ik knikte. Maar toen ze weg was, opende ik mijn agenda. Overal stonden adressen. De Meern. Maarssen. Houten. Werk dat ik niet kon doen.
Ik begon te tellen wat ik zou mislopen. Bij de derde week stopte ik.
Hoofdstuk 2
Het huishouden
Thuis kwam ik de trap niet op. Mijn appartement lag op de eerste verdieping van een portiekflat in Kanaleneiland. Twee ambulancemedewerkers brachten me naar boven. Een buurvrouw hield haar boodschappentas tegen haar borst en wachtte op de overloop.
‘Rustig aan, jongen,’ zei ze.
Binnen stond alles nog zoals maandagochtend. Een koffiekop op het aanrecht. Werkschoenen onder de radiator. Op tafel lag Noors tekening van een huis met een paarse voordeur.
Eva had een douchekruk geregeld en eten in de koelkast gezet. Ze hielp me naar de bank.
‘Je moet iemand bellen als je eruit moet,’ zei ze.
‘Ik kan best naar de wc.’
Dat lukte. Alleen duurde het twaalf minuten en kwam ik bezweet terug. Mijn koffie was koud geworden.
De volgende ochtend begon ik met afzeggen. Ik hield een schrift op mijn buik. Bij elke klant zette ik een kruis.
Mevrouw Van Vliet in Houten wilde wachten.
Een stel in Maarssen niet. Ze hadden hun verhuizing gepland. Of ik hun aanbetaling kon terugstorten.
Een aannemer uit De Meern zei: ‘Bel maar als je weer heel bent.’
Na zes gesprekken zat er geen stem meer in me.
Ron nam niet op. Ik stuurde een bericht over de openstaande factuur. Twee blauwe vinkjes. Geen antwoord.
Mijn boekhouder, Henk, belde wel terug. Hij vroeg of ik een overzicht van mijn vaste lasten kon maken.
‘Waarom?’
‘Omdat we anders alleen naar je saldo blijven kijken. Dat zegt te weinig.’
Ik schreef huur, energie, zorgverzekering, busverzekering, telefoon, boekhouder en alimentatie op. Daarna de kleine bedragen. Software. Bankkosten. Pechhulp. Dingen die vanzelf afgeschreven werden zolang ik niet keek.
‘Dit is meer dan ik dacht,’ zei ik.
‘Dat is meestal zo.’
Henk vertelde dat ik de gemeente moest bellen. Misschien was er ondersteuning voor zelfstandigen. Misschien paste een andere regeling beter. Hij beloofde niets.
‘En gebruik dat btw-geld niet zomaar,’ zei hij.
Ik keek naar de lege plek in mijn koelkast waar Eva de maaltijden had neergezet.
‘Ik moet eten.’
‘Dat weet ik. Daarom moeten we nu bellen. Niet wanneer alles op is.’
Bij de gemeente luisterde ik eerst naar een keuzemenu. Daarna naar muziek. Een medewerker vroeg of ik mijn bedrijf wilde voortzetten.
‘Ja.’
‘Kunt u op dit moment werkzaamheden uitvoeren?’
‘Nee.’
‘Ook geen administratieve werkzaamheden?’
Ik keek naar mijn schrift.
‘Ik kan facturen sturen. Alleen is er niets te factureren.’
Ze maakte een terugbelafspraak met het loket voor zelfstandigen. Ik noteerde haar naam, al wist ik niet waarvoor.
Vrijdag bracht Sanne Noor. Ze had haar rugzak zelf ingepakt. Er stak een knuffel uit waarvan ze al maanden zei dat ze hem niet meer nodig had.
Ze bleef in de deuropening staan.
‘Mag ik het zien?’
Ik sloeg de deken terug. Mijn been was geel en paars. De operatiewond zat onder verband.
‘Er zitten schroeven in,’ zei ik.
‘Blijven die?’
‘Misschien.’
Ze ging voorzichtig naast me zitten. Sanne zette een pan soep op het fornuis.
We waren drie jaar uit elkaar. Meestal verliep alles via korte berichten. Ophaaltijden. Schoolspullen. Wie de tandarts deed. Nu keek ze rond alsof ze een onbekende woning moest beoordelen.
‘Red je het vannacht met haar?’
‘Ja.’
‘Daan.’
‘Ik ben niet bewusteloos.’
Ze sloot haar ogen even. Toen vroeg ze of ik de soep in een kom kon krijgen terwijl ik twee krukken vasthield.
Ik gaf geen antwoord.
Noor keek naar haar schoenen.
We spraken af dat ze die nacht bij Sanne sliep. Zaterdag zou ze weer komen. Ik deed alsof het een praktische wijziging was.
Nadat ze vertrokken waren, probeerde ik zelf soep te pakken. Ik zette de kom op een dienblad. Het dienblad op een stoel. Ik schoof de stoel een stukje vooruit en hinkte erachteraan.
Halverwege kiepte de kom.
De soep liep tussen de voegen van de keukenvloer. Ik stond op één been, met beide krukken onder mijn oksels. Ik kon er niet bij.
Ik belde Eva.
‘Wat is er?’ vroeg ze.
‘Niks ernstigs.’
Ik staarde naar een stukje wortel naast mijn goede voet.
‘Kun je even komen?’
Hoofdstuk 3
Blauwe vinkjes
Op dinsdag belde Ron eindelijk terug. Ik zat klaar met mijn schrift, alsof ik een examen moest doen.
‘Die factuur gaat niet volledig betaald worden,’ zei hij.
Ik zette de televisie uit.
‘Hoe bedoel je?’
‘We moesten iemand anders inzetten. Er was herstelwerk. En de steigerhuur liep door.’
‘Ik factureer de dagen vóór mijn val. Die uren zijn gemaakt.’
‘Daar verschillen we dus over van mening.’
Ik voelde mijn hart in mijn keel. Op mijn schrift stond zijn naam. Ik trok er drie strepen onder.
‘Je hebt mijn uren elke vrijdag goedgekeurd.’
‘Daan, ik heb ook een bedrijf.’
Dat was zijn laatste zin voordat het gesprek verschoof naar drukte, opdrachtgevers en marges. Hij zou een overzicht sturen. Tot die tijd betaalde hij niets.
Ik belde Mo. We hadden op die klus zes weken samengewerkt. Hij woonde in Overvecht, had twee kinderen en een bus die bij elke drempel rammelde.
‘Heb jij betaald gekregen?’ vroeg ik.
Even bleef het stil.
‘Een deel.’
‘Heeft Ron iets over mijn werk gezegd?’
‘Niet waar ik bij was.’
Ik vroeg of hij wilde opschrijven wat er bij de ladder was gebeurd.
‘Waarvoor?’
‘Voor als ik hulp zoek.’
Ik hoorde een autodeur dichtslaan.
‘Ik moet volgende week weer bij hem beginnen, Daan.’
‘Ik vraag je niet om ruzie te maken.’
‘Nee. Maar hij gaat dat wel zo zien.’
Ik zei dat ik het begreep. Daarna hing ik op en was ik toch kwaad.
Sanne reed me naar het buurtteam. Ik had liever een taxi genomen, maar een ritprijs van achttien euro was ineens geen klein bedrag meer.
Aan een tafel zat Lotte. Ze vroeg niet meteen hoe ik me voelde. Ze vroeg welke brief het dringendst was.
Ik schoof de herinnering van de verhuurder naar haar toe.
‘Deze.’
We openden mijn laptop. Mijn administratie bestond uit een boekhoudprogramma, drie mappen en een schoenendoos met bonnetjes. Lotte maakte geen opmerking over die doos. Daar was ik haar dankbaar voor.
Ze belde met mij erbij de verhuurder. We kregen geen kwijtschelding. Wel uitstel voor een deel van de huur en een afspraak over de achterstand. Ik moest zelf bevestigen dat ik de regeling begreep.
Daarna hielp ze me met de stukken voor het zelfstandigenloket. Bankafschriften. Jaarcijfers. Belastingaangiften. Een overzicht van opdrachten. Het voelde vreemd om te bewijzen dat mijn geld echt bijna op was.
‘Je hoeft je niet kleiner te maken,’ zei Lotte toen ik voor de derde keer uitlegde dat ik normaal alles zelf regelde. ‘Ik heb vooral die afschriften nodig.’
Dat hielp meer dan een vriendelijk verhaal zou hebben gedaan.
Via het Juridisch Loket werd ik doorverwezen voor advies. Een jurist, Farah, bekeek mijn factuur en de berichten van Ron. Ze wilde ook weten wie bepaalde hoe ik werkte.
‘Hoe laat moest je beginnen?’
‘Zeven uur.’
‘Wie bepaalde de volgorde?’
‘Ron.’
‘Kon je zomaar iemand anders sturen?’
‘In theorie misschien. Dat is nooit besproken.’
Ze schreef mee. Ze legde uit dat een zzp-contract niet alles besliste. De feitelijke situatie telde ook. Maar of er juridisch sprake was van een arbeidsrelatie, of van aansprakelijkheid voor mijn ongeval, moest verder onderzocht worden.
‘Dus hij moet betalen?’ vroeg ik.
‘Dat zeg ik nog niet. Die factuur is één kwestie. Je letselschade is een andere.’
Ik vond dat een irritant antwoord. Later begreep ik waarom het een goed antwoord was.
Farah liet me een tijdlijn maken. Niet boos schrijven. Feiten. Data. Namen. Berichten bewaren. Niets wissen.
Die avond scrolde ik terug door maanden WhatsApp.
“Zeven uur aanwezig.”
“Niet naar huis voor achtergevel klaar is.”
“Ladder kan prima. Steiger doen we niet.”
Ik maakte schermafbeeldingen. Mijn handen trilden zo dat ik tweemaal op de verkeerde knop drukte.
Om kwart voor elf stuurde Mo een foto. De ladder stond erop, op de ongelijke stenen. Eén voet stond vlak naast een afvoerput.
Daaronder schreef hij: “Die maakte ik 's morgens voor de planning. Bewaar maar.”
Ik belde hem niet. Ik stuurde alleen: “Dank je.”
Een minuut later verscheen nog een bericht.
“Ik heb gezien dat hij wegschoof. Dat wil ik wel opschrijven.”
Hoofdstuk 4
De keuring
Zes weken na de operatie zette de fysiotherapeut een personenweegschaal onder mijn linkervoet. Ik mocht voorzichtig beginnen met belasten, volgens het schema van het ziekenhuis.
‘Niet meer dan afgesproken,’ zei ze. ‘Kijk naar de wijzer.’
Mijn been trilde. Op de schaal stond twaalf kilo. Het voelde alsof ik mijn hele lichaam erop zette.
De fysiotherapeut heette Iris. Ze telde mijn herhalingen en negeerde mijn grappen wanneer ik ze gebruikte om te stoppen.
‘Nog twee.’
‘Jij hoeft straks die trap niet op.’
‘Daarom oefenen we nu.’
Na afloop zat ik buiten bij het gezondheidscentrum op een bankje. Het regende net niet. Ik keek naar een schilder die uit zijn bus stapte. Hij pakte twee emmers tegelijk en liep naar een voordeur. Ik volgde hem met mijn ogen tot hij binnen was.
Thuis wachtte een uitnodiging voor een gesprek over mijn bedrijf. De gemeente wilde beoordelen welke ondersteuning mogelijk was. Mijn toekomst moest in tabellen passen. Omzet voor de val. Verwachte omzet na herstel. Zakelijke schulden. Privélasten.
Henk hielp me met de cijfers. Voor het eerst zag ik mijn uurloon nadat alle kosten eraf waren. Het bedrag was lager dan ik tegen vrienden vertelde.
‘Ik rekende de uren voor offertes nooit mee,’ zei ik.
‘Dat doen veel mensen niet.’
‘En reistijd.’
‘Ook niet.’
‘Dus ik verdiende eigenlijk al te weinig.’
Henk draaide zijn scherm naar me toe.
‘Je had werk genoeg. Dat is niet hetzelfde.’
Bij de afspraak zat een medewerker tegenover me met mijn jaarcijfers op papier. Ze vroeg hoe mijn bedrijf levensvatbaar kon blijven als ik maanden geen buitenwerk kon doen.
Ik begon over vaste klanten. Over mevrouw Van Vliet die wilde wachten. Over een grote klus die misschien in oktober zou komen.
‘Is die opdracht bevestigd?’
‘Nog niet.’
Ze zette er een vraagteken bij.
Ik voelde me beoordeeld op iets waar ik trots op was geweest. Mijn bus. Mijn gereedschap. De klanten die mijn naam onthielden. Op haar papier waren het bezit, kosten en onzekere inkomsten.
Toch was ze niet onaardig. Ze vroeg wat er nodig was om mijn woonlasten vol te houden. Ze legde uit dat de beoordeling tijd kostte en dat ik veranderingen moest doorgeven. Hulp was niet automatisch een gift. Dat moest ik goed begrijpen.
Ik knikte. Daarna vroeg ik naar een voorschot, omdat Lotte had gezegd dat ik die vraag expliciet moest stellen.
Een week later kwam er geld. Tijdelijke lucht, geen oplossing. Ik betaalde de afgesproken huurtermijn en zette het restant apart voor boodschappen en energie.
Die vrijdag kwam Noor. Ze wilde naar de bibliotheek op het Neude. Ik had een rolstoel kunnen lenen. Eerst zei ik nee.
‘Waarom niet?’ vroeg ze.
‘Omdat dat gedoe is.’
‘Voor wie?’
Daar had ik geen antwoord op.
Eva bracht ons. Noor liep naast de rolstoel, met haar hand soms op de armleuning. Bij de ingang trok een man de deur open en sprak alleen tegen Eva.
‘Waar moet hij heen?’
‘Naar de kinderboeken,’ zei ik.
De man schrok van mijn stem. Ik zag het en werd er somber van.
Boven vond Noor een boek over bruggen. Ze kwam naast me zitten.
‘Ben je nog schilder?’ vroeg ze.
‘Ja.’
‘Ook als je niet schildert?’
Ik keek naar mijn handen. Er zat geen verf meer langs mijn nagels. Dat was voor het eerst in jaren.
‘Dat denk ik wel.’
Ze las verder. Voor haar was het gesprek klaar.
Die avond bekeek ik vacatures. Werkvoorbereider. Medewerker verfwinkel. Technisch klantenservice. Bij elke functie vond ik een reden waarom het niets was. Te veel computer. Te weinig geld. Een diploma dat ik niet had.
Om halfelf stuurde Iris een herinnering voor onze volgende afspraak. Ik keek naar het oefenschema op tafel.
Mijn herstel bestond uit bewegingen die ik vroeger niet eens als werk zou hebben gezien. Mijn toekomst misschien ook.
Ik opende de vacature van een verfgroothandel in Nieuwegein opnieuw. Er stond dat praktijkervaring belangrijk was.
Ik sloeg hem op.
Hoofdstuk 5
De lege bus
De koper liet zijn hand langs de schuifdeur gaan en bleef bij een deuk staan.
‘Schade gehad?’
‘Een paaltje. Bij de supermarkt.’
Hij knikte alsof hij iets verdachts had ontdekt. Ik stond naast hem op het parkeerterrein, met één kruk. Het was augustus. In de bus rook het naar warm plastic en opgedroogde kit.
Ik had drie weken geprobeerd hem niet te verkopen. De verzekering verlaagd waar dat kon. Abonnementen geschrapt. Gereedschap aangeboden dat ik dubbel had. Maar de kosten bleven en mijn herstel ging trager dan ik wilde.
De tijdelijke ondersteuning betaalde niet vanzelf elk zakelijk gat. Henk had verschillende scenario’s naast elkaar gezet. In alle versies zonder nieuwe inkomsten werd de bus een probleem.
‘Vijfduizend,’ zei de koper.
‘We spraken vijfduizend achthonderd af.’
‘Als hij netjes was.’
Ik dacht aan de rekening van de fysiotherapie die niet volledig vergoed werd. Aan mijn huurachterstand. Toch pakte ik mijn kruk steviger vast.
‘Dan houdt het op.’
Hij keek nog eens naar de bus. Uiteindelijk betaalde hij het afgesproken bedrag.
Eva hielp me het gereedschap eruit te halen. De goede kwasten gingen in een krat. Mijn schuurmachine ook. Een oude radio zonder antenne gooiden we weg.
Mijn bedrijfsnaam stond nog op de zijkant: Vermeer Schilderwerk. Ik had aangeboden de stickers te verwijderen. De koper vond het niet nodig.
Ik zag mijn naam de parkeerplaats af rijden.
Boven vroeg Eva of ik koffie wilde.
‘Ik wil even alleen zijn.’
Ze knikte en ging.
Ik had gedacht dat ik zou huilen. In plaats daarvan maakte ik de badkamer schoon, zittend op de douchekruk. Ik schrobde dezelfde voeg tot mijn knie begon te kloppen.
De volgende ochtend stuurde Farah bericht. Na de sommatie was een deel van mijn factuur betaald. Ron hield nog steeds een bedrag in voor vermeend herstelwerk. Hij had nauwelijks onderbouwing gegeven.
Ik belde haar.
‘Kunnen we hem gewoon laten schrikken?’
‘We kunnen duidelijk zijn. We gaan niets dreigen wat we niet kunnen waarmaken.’
Ze legde de vervolgstappen uit, inclusief kosten en risico’s. Voor de letselschade liep inmiddels een afzonderlijk traject met een gespecialiseerde advocaat. Die onderzocht de werksituatie, de toedracht en de mogelijke aansprakelijkheid. Een medische prognose ontbrak nog. Niemand kon me een eindbedrag of een datum geven.
Ik wilde dat iemand zei dat Ron fout zat en dat alles geregeld werd. In plaats daarvan kreeg ik procedures die ik moest begrijpen.
Die middag belde ik de verfgroothandel. De bedrijfsleider heette Niels. Hij vroeg naar mijn ervaring.
‘Twaalf jaar schilderwerk. Binnen en buiten. Houtrotherstel. Particulier en projecten.’
‘En waarom wil je nu hier werken?’
Ik keek naar mijn been.
‘Ik ben gevallen. Ik kan voorlopig niet terug naar het oude werk.’
Er viel een stilte.
‘Kun je staan?’
‘Niet een hele dag. Ik kan wel adviseren. En offertes lezen. Ik weet wat er misgaat als mensen de verkeerde primer pakken.’
Hij lachte kort.
‘Dat gebeurt hier dagelijks. Kom eens praten.’
Het gesprek was geen redding. Dat merkte ik meteen. Ze zochten iemand die ook bestellingen pakte en emmers verplaatste. Ik vertelde wat ik nog niet kon. Niels vertelde dat hij daar niet zomaar een volledige functie omheen kon bouwen.
Toch liet hij me meelopen langs de balie. Een klant vroeg of hij over een bladderende oude laag heen kon schilderen. Ik stelde twee vragen. Daarna liet ik zien welk materiaal hij nodig had en welk werk eerst moest gebeuren.
Toen de klant weg was, zei Niels: ‘Je hoeft niet eerst een heel verhaal af te steken. Dat is prettig.’
Hij kon mogelijk een tijdelijke, betaalde plek voor beperkte uren maken, vooral aan de adviesbalie en bij de telefoon. Hij moest het bespreken.
In de bus naar huis zag ik een bericht van Ron.
“Jammer dat je er advocaten bij haalt. Zo gaan we toch niet met elkaar om.”
Ik typte drie antwoorden. Ik wiste ze allemaal.
Daarna stuurde ik het bericht door naar mijn advocaat en stapte uit bij mijn halte.
Hoofdstuk 6
Weer op de klok
Mijn eerste werkdag begon om negen uur. Ik was om halfnegen binnen. Niels wees naar de koffieautomaat.
‘Je hoeft niet meer onbetaald voor te lopen,’ zei hij.
Ik wist niet of het een grap was. Ik pakte koffie en ging op de hoge stoel achter de balie zitten.
We waren begonnen met twaalf uur per week, verdeeld over drie ochtenden. Een tijdelijk contract. Betaalde uren, geen proefperiode waarin ik gratis moest bewijzen wat ik waard was. Over de belasting van mijn been hadden we afspraken gemaakt. Geen emmers tillen. Regelmatig zitten. Opbouwen alleen als het ging.
Ik had mijn inkomsten vooraf gemeld bij de gemeente. De ondersteuning werd opnieuw berekend. Henk hielp me uitzoeken welke zakelijke verplichtingen nog doorliepen en wat er nodig was om mijn bedrijf af te bouwen.
Aan de balie werkte Kim. Ze was zesentwintig, kende alle artikelcodes en had weinig geduld met mannen die haar uitleg negeerden.
‘Als ze dezelfde vraag daarna aan jou stellen, stuur je ze terug,’ zei ze.
Binnen een uur gebeurde het.
Een aannemer vroeg mij welke lak hij buiten moest gebruiken. Kim had hem net geholpen.
‘Wat zei Kim?’ vroeg ik.
Hij noemde het product.
‘Dan zou ik daarnaar luisteren.’
Ze keek niet op van haar scherm, maar schoof later een koekje mijn kant op.
Tegen twaalf uur voelde mijn been zwaar. Ik zei niets. Om één uur moest ik klaar zijn. Ik kon dat laatste uur best volhouden.
Om kwart voor één liet ik mijn pen vallen. Ik bukte te snel, zette verkeerd af en greep de rand van de balie. Kim was naast me voordat ik iets kon zeggen.
‘Ga zitten.’
‘Ik zit al bijna de hele ochtend.’
‘Dat was geen kritiek.’
Niels stuurde me niet boos weg. Hij vroeg wat er gebeurd was en noteerde dat we een extra pauze moesten inbouwen.
Ik schaamde me meer voor die pauze dan voor mijn eerste afwijzing bij een klant ooit. Alsof ik nu pas liet zien dat ze een slechte keuze hadden gemaakt.
Thuis lag ik met mijn been omhoog. Op mijn telefoon stond een foto van Noor. Ze had op school een brug gebouwd van ijsstokjes. Ik stuurde terug dat ik hem wilde zien.
Daarna belde ik Iris. Ze vroeg hoe lang ik achter elkaar had gezeten en gestaan. Niet of ik sterk genoeg mijn best had gedaan.
‘Je hoeft op je eerste werkdag niet te testen waar je grens precies breekt,’ zei ze.
De tweede week ging beter. Ik zette een alarm voor mijn pauzes. Ik vertelde Kim wanneer het minder ging. Dat voelde overdreven, maar voorkwam dat zij het aan mijn gezicht moest zien.
Aan de telefoon hielp ik een zelfstandige schilder uit IJsselstein. Hij had de prijs van een grote klus te laag ingeschat en wilde goedkoper materiaal.
‘Hoeveel scheelt dat op het totaal?’ vroeg ik.
We rekenden het uit. Nauwelijks iets.
‘Ik moet toch ergens winnen,’ zei hij.
Ik kende die stem. Ik had ermee tegen mijn eigen leveranciers gesproken.
‘Niet op een laag die je straks opnieuw moet doen.’
Hij bestelde het juiste product. Of hij uiteindelijk genoeg verdiende, wist ik niet.
In oktober werd ik gevraagd voor een gesprek met zelfstandigen in een buurthuis in Overvecht. Lotte had mijn naam doorgegeven, met mijn toestemming. Er zaten zeven mensen. Een koerier. Een kapper. Twee mensen uit de zorg. Een tegelzetter. Een fotograaf. Ik.
We hadden geen grote conclusies. De koerier kon niet zomaar een dag vrij nemen. De kapper had wel een verzekering, maar een lange wachttijd. De zorgwerker snapte haar pensioen niet.
Ik vertelde over mijn btw-pot en mijn ladder. Zonder mezelf slimmer te maken dan ik was geweest.
Na afloop vroeg de tegelzetter of ik mijn lastenoverzicht wilde delen. Niet mijn bedragen. Alleen het lege schema.
Thuis mailde ik het hem.
Daarna opende ik mijn loonstrook. Het bedrag was klein. Veel kleiner dan mijn beste maand als zelfstandige.
Toch keek ik lang naar de regel met de datum waarop het gestort zou worden.
Hoofdstuk 7
Een gewone vrijdag
Elf maanden na mijn val liep ik de trap op zonder kruk. Langzaam. Eén hand aan de leuning. Op de overloop moest ik stoppen omdat mijn knie stijf werd.
Mijn buurvrouw kwam naar buiten met dezelfde boodschappentas die ze op de dag van mijn thuiskomst had gedragen.
‘Je loopt beter,’ zei ze.
‘Ja.’
Meer hoefde er die ochtend niet gezegd te worden.
Ik werkte inmiddels vierentwintig uur per week bij de groothandel. Mijn tijdelijke contract was verlengd. Nog geen vast contract. Wel duidelijke uren en afspraken die niet alleen mondeling bestonden. Soms hielp ik achter de computer met offertes voor grotere klanten. Kim had me geleerd hoe het systeem werkte. Ik had haar laten zien hoe je op een foto vaak al kon herkennen waar vocht achter een kozijn kwam.
Ik verdiende minder dan vroeger in een goede maand. Maar ik rekende niet meer met alleen goede maanden.
Mijn schildersbedrijf was gestopt. Henk had de laatste aangiften verzorgd. Ik had klanten persoonlijk geschreven. Mevrouw Van Vliet belde daarna nog.
‘Wat jammer,’ zei ze. ‘Jij legde altijd uit wat je ging doen.’
Ik gaf haar het nummer van Mo. Ze vroeg of hij ook netjes werkte.
‘Ja. En geef hem ruimte om een steiger neer te zetten.’
Ze zei dat dat goed zou komen.
De factuur van Ron was uiteindelijk bijna helemaal betaald na verdere juridische stappen en overleg. Ik had een klein betwist deel laten vallen om die kwestie af te sluiten. Dat besluit nam ik met advies, niet omdat Ron ineens redelijk was geworden.
Het letselschadetraject liep nog. De advocaat had een aansprakelijke partij gevonden die via een verzekeraar een voorschot betaalde, zonder dat daarmee alle discussie klaar was. Over mijn blijvende beperkingen en toekomstige schade bestond nog geen overeenstemming. Ik leerde het verschil tussen geld ontvangen en klaar zijn.
Een deel ging rechtstreeks naar achterstanden. Ik loste Eva terug wat ze me had voorgeschoten. Niet alles tegelijk. Daar hadden we ruzie over.
‘Je hoeft mij niet als eerste te betalen,’ zei ze.
‘Ik wil niet dat jij mijn spaarrekening wordt.’
We spraken een bedrag per maand af. Voor het eerst werd dat gesprek geen wedstrijd in wie het minst nodig had.
Mijn knie bleef dik worden na drukke dagen. Rennen ging niet. Op ladders kwam ik niet meer voor werk. De chirurg zei dat verdere verbetering mogelijk was, maar hij beloofde geen oud lichaam terug.
Ik was daar niet altijd rustig onder. Soms werd ik kwaad op een schoenveter die loszat. Of op een brief die om dezelfde stukken vroeg die ik al tweemaal had gestuurd. Dan belde ik iemand voordat ik alles wegklikte.
Dat had ik moeten leren. Niet hulp aanvaarden in het algemeen. Gewoon één bericht sturen: “Ik kom er niet uit. Kun je vanavond tien minuten meekijken?”
Op vrijdag haalde ik Noor van school. Ze was tien geworden. Haar fiets had nog steeds de bel die ik vóór mijn ongeval had willen vervangen. Hij deed het alleen wanneer je hem een tik gaf.
‘Vandaag?’ vroeg ze.
‘Vandaag.’
Bij de fietsenwinkel mocht ze kiezen. Ze nam een kleine zilveren bel. Geen bloemen, zei ze. Daar was ze te oud voor.
Thuis zette ik twee stoelen bij de fiets. Zij hield het stuur vast. Ik draaide het schroefje los.
‘Moet ik dat doen?’ vroeg ze.
‘Ja. Rustig. Anders valt het moertje.’
Het viel toch. We zochten onder de tafel. Ik bleef op mijn stoel zitten en wees met de schroevendraaier. Noor vond het naast een tafelpoot.
Daarna bakten we pannenkoeken. Zij bracht de borden naar tafel. Ik bleef bij het fornuis. We hadden inmiddels een manier gevonden waarop niemand met hete soep door de kamer hoefde te hinken.
Mijn telefoon trilde. Een herinnering aan mijn maandelijkse overschrijving naar de spaarrekening. Vijftig euro. Er stond nog geen groot bedrag. Wel geld dat niet voor btw of een openstaande rekening bestemd was.
Ik legde mijn telefoon weg.
‘Volgende week bibliotheek?’ vroeg Noor.
‘Goed.’
‘Met de bus?’
Ik keek naar mijn been en daarna naar haar.
‘Ja. En terug ook. Niet stoer gaan doen.’
Ze grijnsde. Buiten probeerde iemand een scooter te starten. De afzuigkap ratelde. Mijn knie deed pijn.
Ik schoof de eerste pannenkoek op haar bord. Hij was niet verbrand. We begonnen te eten.